RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1subsidiair mishandeling
2subsidiair mishandeling
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18-166042-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 mei 2026. Verdachte is niet verschenen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. I. Kluiter.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Meppel, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een naald en/of injectiespuit, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meerdere malen, althans eenmaal, een stekende en/of hakkende en/of slaande beweging heeft gemaakt richting het hoofd en/of de borst, althans richting het lichaam, van die [slachtoffer 1] en/of in de hand en/of duim, althans in het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of geprikt en/of geïnjecteerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Meppel, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] met een naald en/of injectiespuit, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meerdere malen, althans eenmaal, in de hand en/of duim, althans in het lichaam, te steken en/of prikken en/of injecteren;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Meppel, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (dreigend) op die [slachtoffer 1] af te komen met een naald en/of injectiespuit, althans een scherp en/of puntig voorwerp en/of (vervolgens) met dat voorwerp meerdere malen, althans eenmaal, stekende en/of slaande en/of hakkende en/of prikkende bewegingen te maken richting het hoofd en/of de borst en/of de hand en/of de duim, althans richting het lichaam, van die [slachtoffer 1] ;
2
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Meppel, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een naald en/of injectiespuit, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meerdere malen, althans eenmaal, een stekende en/of hakkende en/of slaande beweging heeft gemaakt richting het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of in het (onder)been, althans in het lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en/of geprikt en/of geïnjecteerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Meppel, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] met een naald en/of injectiespuit, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meerdere malen, althans eenmaal, in het (onder)been, althans in het lichaam, te steken en/of prikken en/of injecteren;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Meppel, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (dreigend) op die [slachtoffer 2] af te komen met een naald en/of injectiespuit, althans een scherp en/of puntig voorwerp en/of (vervolgens) met dat voorwerp meerdere malen, althans eenmaal, stekende en/of slaande en/of hakkende en/of prikkende bewegingen te maken richting het (onder)been, althans richting het lichaam, van die [slachtoffer 2] .
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde. Zij heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 subsidiair en 2 subsidiair.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet is komen vast te staan dat verdachtes (voorwaardelijk) opzet was gericht op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel. Zo blijkt niet dat de gedragingen van verdachte, te weten in het wilde weg steken of prikken met naalden, hadden kunnen leiden tot zwaar lichamelijk letsel bij de aangevers. Er is immers niet gebleken dat de naalden gevaarlijke stoffen hebben bevat of anderszins besmettingsgevaar konden opleveren, temeer nu ook verdachte zelf niet met HIV besmet bleek te zijn. Voorts heeft GGD-arts [arts] uitgelegd dat het lukraak prikken en injecteren met lucht geen gevaar oplevert. Alleen als er 5 milliliter of meer lucht precies in een ader wordt geïnjecteerd kan dit leiden tot een hartstilstand. Daarvan was in deze gevallen geen sprake. De verdachte zal daarom van deze varianten van de tenlastelegging (pogingen tot zware mishandeling) worden vrijgesproken.
De rechtbank acht het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 mei 2025, opgenomen op pagina 26 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025140703 d.d. 1 juni 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Op 29 mei 2025 stapte ik in de trein te Utrecht. Omstreeks 21.45 uur kwam er een man op station Zwolle bij de trein in. Ik zag dat deze man een rij voor mij ging zitten. Toen ik mijn oortje uit deed hoorde ik de man tegen mij zeggen: 'Jij was het hè! Jij was het hè". Aansluitend zag ik dat de man om zijn stoel heen liep naar mijn zitplek. Ik zag dat de man een beweging naar voren maakte. Mijn handen heb ik voor mij gehouden ter hoogte van mijn gezicht en borst. Toen ik mijn handen weer naar beneden bracht zag ik een klein stokje, zilver van kleur en c.a. 1 cm lang in de muis van mijn duim zitten. Ik herkende dit als een naald.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 mei 2025, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Op 29 mei 2025 omstreeks 22.05 uur, zat ik in de trein vanuit Zwolle in de richting van Groningen. Ik zag dat er een man links voor ons zat. Ik zag dat de man uit het niets een jongen, die achter hem zat, aanviel. Ik zag dat deze jongen een naald in zijn duim had zitten. Ik zag dat hij (de rechtbank begrijpt: de eerder genoemde man) wederom een naald in zijn handen had. Ik zag dat hij een stekende beweging maakte in mijn richting met de naald in zijn hand. Ik stak mijn linkervoet naar hem uit en duwde hem daarmee weg. Ik ben gestoken met de naald door de man. Er zit een klein gaatje in mijn linker scheenbeen en er zit bloed in mijn broek.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 29 mei 2025, opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :
Ik ben getuige geweest bij het steekincident in de trein in Meppel. Ik zag dat er een man opstond. Toen de man opstond zag ik dat hij in één van zijn handen naalden vasthield. Ik zag dat de man meteen begon te steken met de naalden. Ik zag dat hij het slachtoffer bovenhands stak met de naald. Ik zag dat hij de naald vast had tussen zijn vingers zodat hij gericht kon steken richting het slachtoffer. Ik zag dat de man werd geraakt in zijn hand tussen zijn duim en wijsvinger. Toen hij dit gedaan had liep hij naar mij en [slachtoffer 2] . Ik kon de man afweren door te schoppen. Ook [slachtoffer 2] heeft getrapt richting de verdachte. Samen met [slachtoffer 2] konden wij achteruit de coupé verlaten. Toen wij in de andere coupé zaten zag ik dat [slachtoffer 2] ook verwond was aan zijn linker scheenbeen. Ik zag dat dit bloed was.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 mei 2025, opgenomen op pagina 11 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Wij zagen dat er een melding was dat er op de trein ter hoogte van Meppel een steekincident was geweest en dat hierbij de verdachte de trein uit gevlucht was. Wij reden te Meppel. Wij zagen een man lopen. Op 29 mei 2025 om 22.31 uur hielden wij de verdachte aan.. Tijdens de fouillering troffen wij in zijn rechterachterzak een spuit met naald aan en in de rechterbinnenzak van zijn jas, een spuit en naald los van elkaar. Wij zagen dat collega's de tas welke de verdachte met zich droeg, aan het doorzoeken waren en dat zij een geldig Nederlands rijbewijs hadden aangetroffen in de tas. Wij zagen dat het gelaat op de foto van het rijbewijs overeen kwam met de persoon welke wij voor ons hadden. Wij zagen dat het rijbewijs op naam stond van:
Voornaam: [verdachte] Achternaam: [verdachte]
Geboren op: [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats]
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juni 2025, opgenomen op pagina 90 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 1 juni 2025 was ik belast met de analyse van camerabeelden welke door een aanhoudende politieambtenaar zijn opgenomen middels bodycam. Ik zag en hoorde tijdens deze opname een gesprek tussen de hulpofficier van justitie (spraak uitgewerkt naar tekst onder P ) en de aangehouden verdachte [verdachte] (spraak uitgewerkt naar tekst onder [verdachte] ).
P : [verdachte] is het hè? [verdachte] : Ja
P : Hé luister even goed. Je bent aangehouden. De feiten zijn op dit moment nog even onduidelijk. Wat ik heb begrepen is dat jij iemand mogelijk met een naald hebt gestoken.
[verdachte] : Als zelfverdediging, ja.
De rechtbank stelt op basis van deze bewijsmiddelen vast dat het verdachte is geweest die beide aangevers letsel heeft toegebracht. In de duim van [slachtoffer 1] stak een naald, terwijl [slachtoffer 2] een klein gaatje aan zijn scheenbeen opliep. Dat het verdachte was die hen dit letsel heeft toegebracht, acht de rechtbank bewezen op basis van het aantreffen van verdachte in Meppel, een half uur na het incident, het aantreffen van naalden bij zijn fouillering en de opmerking van verdachte tegen de hulpofficier van justitie dat hij uit zelfverdediging had gestoken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder 1 subsidiair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. hij op 29 mei 2025 te Meppel, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] met een naald in de duim te steken;
2. hij op 29 mei 2025 te Meppel, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] met een naald in het onderbeen te steken.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 96 dagen met aftrek van de dagen die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de Pro Justitia rapportage van psychiater V. Rama d.d. 23 februari 2026, de rapportage van de reclassering d.d. 30 april 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 april 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft op 29 mei 2025 in de trein twee willekeurige medereizigers zonder enige aanleiding aangevallen met een naald. Voor deze twee slachtoffers ontstond na deze aanval een periode van hevige onzekerheid, omdat bleek dat verdachte HIV-medicatie slikte. Zij hebben als gevolg hiervan medicatie moeten slikken en in onzekerheid afgewacht of zij mogelijk waren besmet. Dit is gelukkig niet het geval geweest. Hoewel de fysieke gevolgen van het handelen van verdachte relatief zijn meegevallen voor de slachtoffers, heeft hij wel voor een zeer bedreigende situatie gezorgd. Naast de slachtoffers die daadwerkelijk zijn geraakt met de naald, zullen ook andere reizigers gevoelens van angst hebben beleefd.
Mate van toerekeningsvatbaarheid
Verdachte heeft niet meegewerkt aan het reclasseringsrapport en de Pro Justitia-rapportage, waardoor geen zicht is gekomen op eventuele stoornissen en in hoeverre die mogelijk van invloed zijn geweest op het bewezenverklaarde. Wel is in het kader van een voorgeleidingsconsult van het NIFP opgemerkt dat verdachte ten tijde van dit incident vermoedelijk psychotisch ontregeld was, gelet op zijn gedrag en omdat hij daarvoor kortdurend is opgenomen bij Altrecht GGZ. Deze psychotische stoornis is mogelijk uitgelokt door middelengebruik maar is mogelijk ook ontstaan in het kader van schizofrenie. Er is voorts sprake van verslavingsproblematiek. Ook psychiater Rama schrijft in haar rapportage dat er sterke vermoedens zijn van psychopathologie, maar dat dit gezien het ontbreken van de medewerking van verdachte niet kan worden vastgesteld.
De rechtbank stelt vast dat verdachte in het wilde weg is gaan steken met naalden en dat willekeurige treinreizigers slachtoffer zijn geworden. Verdachte sloeg ook wartaal uit. De rechtbank acht het
aannemelijk dat hij (mede) onder invloed van een psychose heeft gehandeld. Nu verdachte heeft geweigerd medewerking te verlenen aan de onderzoeken omtrent zijn persoon kan niet worden vastgesteld dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar is geweest. De rechtbank komt gelet op het voorgaande wel tot het oordeel dat de bewezenverklaarde mishandelingen in verminderde mate aan verdachte moeten worden toegerekend en zal daarmee bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening houden.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoon van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat oplegging aan verdachte van een gevangenisstraf voor de duur van 96 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is. De straf is daarmee gelijk aan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis.
Benadeelde partij
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen geheel kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1]
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 mei 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2]
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 mei 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en 2 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 96 dagen.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in
mindering zal worden gebracht.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 777,71 (zegge: zevenhonderd zevenenzeventig euro en eenenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 7 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2)
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 885,00 (zegge: achthonderd vijfentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 8 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. H. de Ruijter en
mr. H. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. N.J. Aarts, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juni 2026.
Mr. H. de Ruijter en mr. H. Brouwer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.