ECLI:NL:RBNNE:2026:2133

ECLI:NL:RBNNE:2026:2133

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 02-06-2026
Zaaknummer 18/251608-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Assen

Samenvatting

Vrijspraak van verkrachting, twee bedreigingen en wapenbezit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Veroordeling voor een reeks vermogensdelicten, waaronder drie diefstallen bij een supermarkt, diefstal van een aanhangwagen en het witwassen van een scooter, auto en aanhangwagen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/251608-25

ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18/194475-25 en 18/233180-25

vorderingen na voorwaardelijke veroordeling 18/096725-23, 18/188258-21 en 18/312356-21

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 juni 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 mei 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Parketnummer 18/251608-25

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 september 2025 te Coevorden, althans in Nederland met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 september 2025 te Coevorden, althans in Nederland met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

2.

hij op of omstreeks 24 september 2025 te Nieuwlande, gemeente Hoogeveen, althans in Nederland (van)

een aanhangwagen (met kenteken [kenteken 1] ), althans een voorwerp Sub b

-heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of

-gebruik heeft gemaakt

terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die aanhangwagen, althans dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 september 2025 te Nieuwlande, gemeente Hoogeveen, althans in Nederland een aanhangwagen (met kenteken [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Parketnummer 18/194475-25

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 5 mei 2025 tot en met 6 mei 2025 te Hoogeveen, althans in Nederland [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met

zware mishandeling, door

2.

hij op of omstreeks 24 juni 2025 te Hoogeveen, althans in Nederland [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door aan die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen:

althans woorden van gelijke strekking;

3.

hij op of omstreeks 25 juni 2025 te Hoogeveen, althans in Nederland een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder a van de Regeling Wapens en Munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een zogenaamd balletjespistool dat voor wat betreft de vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

Parketnummer 18/233180-25

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 juni 2025 te Coevorden, althans in Nederland vleeswaren en/of kaas (ter waarde van in totaal 76,30 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [winkel] aan de [adres]

te Coevorden, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

hij op of omstreeks 29 juni 2025 te Coevorden, althans in Nederland vleeswaren en/of tortilla's (ter waarde van in totaal 113,86 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [winkel] aan de [adres] te Coevorden, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3.

hij op of omstreeks 29 juni 2025 (rondom 14.00 uur) te Coevorden, althans in

Nederland, vleeswaren, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [winkel] ( [adres] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met

het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

subsidiair, voor zover het voorgaande niet of niet volledig tot een bewezenverklaring en/of veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 juni 2025 te Coevorden, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om vleeswaren, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [winkel] aan de [adres] te Coevorden, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, deze vleeswaren, althans deze goederen in zijn jas heeft gestopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 29 juni 2025 te Coevorden, althans in Nederland (van) een scooter (met kenteken [kenteken 2] ), althans een voorwerp

Sub b

-heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of

-gebruik heeft gemaakt

terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die scooter, althans dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;

5.

hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Den Velde, gemeente Hardenberg, althans in Nederland (van) een auto (Toyota Corolla met kenteken [kenteken 3] ), althans een voorwerp

Sub b

-heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of

-gebruik heeft gemaakt

terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die auto, althans dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;

6.

hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Den Velde, gemeente Hardenberg, althans in Nederland (van) een aanhangwagen (met kenteken [kenteken 4] ), althans een voorwerp

Sub b

-heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of

-gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die aanhangwagen, althans dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

Parketnummer 18/251608-25

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] betrouwbaar zijn en er voldoende steunbewijs is voor haar verklaringen gelet op verdachte zijn bezitterige gedrag jegens [slachtoffer 1] , zijn liefdesuitingen in berichten, maar ook via de ring en de tatoeage, de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] over het gewijzigde gedrag en de waargenomen emoties van [slachtoffer 1] . Gelet op de verklaringen van [slachtoffer 1] voelde zij druk door de uitingen van verdachte jegens haar vader, maar ook de rol die hij op dat moment vervulde binnen het gezin en het overwicht dat hij op haar had.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte de aanhangwagen voorhanden en in gebruik heeft gehad, terwijl hij wist dat de aanhangwagen afkomstig was uit eigen misdrijf.

Parketnummer 18/194475-25

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 ten laste gelegde gelet op de verklaringen van [slachtoffer 3] en haar dochter, de bevestiging door het prikplekje in de buik van [slachtoffer 3] , de waargenomen oppervlakkige snee in de hand van verdachte, de emoties van [slachtoffer 3] en haar dochter direct als zij de woning uitkomen en daarvoor de situatie ter plaatse.

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 2 ten laste gelegde gelet op de aangifte van [slachtoffer 3] in combinatie met de tekstberichten en de verhitte emoties waar verdachte zelf over heeft verklaard.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 3 ten laste gelegde.

Parketnummer 18/233180-25

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

Parketnummer 18/251608-25

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] onvoldoende betrouwbaar en geloofwaardig zijn en dat er een gebrek is aan steunbewijs.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank.

Parketnummer 18/194475-25

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 3 ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging van het onder 2 ten laste gelegde. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de ten laste gelegde bedreigingen niet zonder meer kunnen worden opgevat als tegen het leven gericht of met zware mishandeling.

Parketnummer 18/233180-25

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Vastgesteld kan worden dat verdachte op een scooter reed die gestolen bleek te zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij deze scooter had geleend van [naam 1] . [naam 1] ontkent de scooter aan verdachte te hebben geleend. Er kan niet worden vastgesteld wie de waarheid spreekt en dat verdachte dus wist of had moeten weten dat de scooter van diefstal afkomstig was.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 5 en 6 ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 18/251608-25 onder 1:

Juridisch kader

Deze zaak betreft een zedenzaak. Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich in de meeste gevallen kenmerken door het feit dat slechts twee personen aanwezig waren bij de (beweerdelijke) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Veelal staat de verklaring van het vermeende slachtoffer, die zegt dat de verdachte het tenlastegelegde zedenfeit heeft begaan, tegenover die van de verdachte, die zegt het niet te hebben gedaan. Getuigen van de beweerde gebeurtenissen zijn er vaak niet.

Dit doet zich ook in de onderhavige zaak voor. Dit maakt dat met nog grotere dan de gebruikelijke zorgvuldigheid moet worden gekeken naar de afgelegde verklaringen in het kader van de waardering van die verklaringen. Dat geldt te meer als de verdachte het ten laste gelegde ontkent, zoals in dit geval.

Volgens het tweede lid van artikel 342 Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring of aangifte van een aangever. Er moet meer bewijs zijn, iets dat de aangifte of verklaring ondersteunt, om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Dit betekent dat - in een geval als het onderhavige -, de rechtbank eerst de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster moet beoordelen en vervolgens, indien deze verklaring betrouwbaar wordt geacht, moet bepalen of voor de beweringen van de aangeefster voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.

Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken, moet de rechtbank ten slotte de overtuiging hebben gekregen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd.

Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster [slachtoffer 1]

De rechtbank ziet zich ten eerste voor de vraag gesteld of de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] over de handelingen die volgens haar door verdachte bij haar zijn verricht, betrouwbaar zijn. Deze verklaringen dienen - zoals toegelicht in het voorgaande - kritisch, zorgvuldig en behoedzaam te worden bezien.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] zich tijdens een autorit op of omstreeks 20 september 2025 tegen een persoon genaamd [getuige 1] belastend over verdachte heeft uitgelaten. Dit blijkt uit een proces-verbaal van bevindingen over een gesprek tussen verbalisanten en [getuige 1] in de nacht van 23 september 2025 op 24 september 2025 en uit de verklaring van [getuige 1] bij de politie op 26 september 2025. [getuige 1] heeft verklaard dat hij samen met onder andere [slachtoffer 1] in de auto zat en dat zij zijn hand vastpakte. [slachtoffer 1] had zweethanden. [slachtoffer 1] vertelde hem toen dat hij (de rechtbank leest: verdachte) haar heeft verkracht en aan haar heeft gezeten op bed. Verdachte zou gedreigd hebben de vader van [slachtoffer 1] dood te maken als zij haar moeder wilde roepen. Na dit gesprek moest [slachtoffer 1] opeens heel hysterisch huilen, alsof ze blij was dat ze het had verteld, aldus [getuige 1] .

Tijdens het eerste verhoor bij de politie op 24 september 2025 heeft [slachtoffer 1] verklaard dat verdachte bij haar op de kamer sliep. Zij heeft ook verklaard dat verdachte afgelopen woensdag (de rechtbank begrijpt: 17 september 2025) in de ochtend aan haar heeft gevraagd of zij het erg vond (de rechtbank begrijpt: de seksuele handelingen). [slachtoffer 1] zou op dat moment naast verdachte hebben gelegen. Zij had een spijkerbroek, T-shirt, sokken, bh en ondergoed aan. Ze heeft verklaard dat verdachte wilde wachten tot haar moeder weg was. [slachtoffer 1] heeft vervolgens verklaard dat zij weer in slaap is gevallen en verdachte haar wakker heeft gemaakt toen haar moeder naar haar werk was. Zij heeft verklaard dat verdachte haar kleding uitdeed terwijl zij nog niet goed wakker was, op haar bh en shirt na, en dat hij haar heeft geneukt door zijn piemel in haar vagina te brengen. [slachtoffer 1] was op dat moment 14 jaar oud. Ook is verdachte volgens [slachtoffer 1] klaargekomen op haar buik, heeft hij haar overal aangeraakt over heel haar lichaam, zowel over als onder de kleding, en haar een tongzoen gegeven. Zij zou na de seksuele handelingen verder zijn gaan slapen. [slachtoffer 1] heeft desgevraagd verklaard dat zij die niet heeft gewild. Voorts heeft [slachtoffer 1] verklaard dat zij het heeft laten gaan, omdat zij bang was dat verdachte boos zou worden en haar vader iets zou aan doen.

Tijdens het tweede verhoor bij de politie op 2 oktober 2025 werd [slachtoffer 1] boos toen zij nader werd bevraagd over de verkrachting. Zij heeft verklaard dat, als zij met verdachte alleen was, hij haar ging zoenen. Over de seksuele handelingen heeft [slachtoffer 1] alleen verklaard dat zij tijdens de handelingen sliep.

Tijdens het derde verhoor bij de politie op 15 januari 2026 heeft [slachtoffer 1] uiteindelijk aangifte gedaan en heeft zij herhaald dat zij door verdachte is verkracht. In dit verhoor heeft [slachtoffer 1] voor het eerst ter sprake gebracht dat verdachte haar ook meerdere keren zou hebben gewurgd. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij op een gegeven moment wakker werd en verdachte bovenop haar lag en dat het toen eigenlijk al gebeurde. Verdachte neukte haar met zijn geslacht in haar geslacht. Hij ging gewoon door en [slachtoffer 1] wist niet wat zij moest doen, dus [slachtoffer 1] negeerde het eigenlijk maar. Het stopte omdat hij klaarkwam op haar buik. Nadat verdachte met een handdoek haar buik had schoongemaakt, ging [slachtoffer 1] op haar telefoon scrollen. Op de vraag van de verbalisant hoe het kwam dat haar onderbroek en broek uit waren, heeft [slachtoffer 1] verklaard dat verdachte dit heeft gedaan toen zij sliep. Zij heeft verklaard dat zij hier niets van heeft gemerkt omdat zij heel diep sliep.

Naar het oordeel van de rechtbank bevatten de verklaringen van [slachtoffer 1] nauwelijks details over de feitelijke verkrachting zelf en zijn de verklaringen daarnaast op essentiële onderdelen niet consistent dan wel innerlijk tegenstrijdig. Tevens neemt de rechtbank in aanmerking dat [slachtoffer 1] op (vooral open) vragen van de politie niet altijd duidelijke en concrete antwoorden heeft gegeven. Zo heeft [slachtoffer 1] in het eerste verhoor verklaard over de bedreiging naar haar vader, maar zegt zij daarover in haar laatste verhoor niets. Op welke wijze en onder welke omstandigheden verdachte de beweerdelijke bedreiging zou hebben geuit, wordt in geen van de verklaringen duidelijk. Tijdens het tweede verhoor heeft [slachtoffer 1] vrijwel niets verklaard over de seksuele handelingen door verdachte, omdat zij zou hebben geslapen. De rechtbank merkt op dat [slachtoffer 1] in het eerste verhoor heeft verklaard dat verdachte haar zou hebben wakker gemaakt en toen haar kleding zou hebben uitgedaan. Tijdens het derde verhoor heeft [slachtoffer 1] verklaard dat zij niet heeft gemerkt dat verdachte haar kleding zou hebben uitgedaan, omdat zij heel diep sliep. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat [slachtoffer 1] niet wakker is geworden en aldus niet zou hebben opgemerkt dat verdachte haar van haar kleding zou hebben ontdaan. Zij had immers naar eigen zeggen nog een spijkerbroek en onderbroek aan toen zij naar bed ging. Voorts merkt de rechtbank op dat [slachtoffer 1] in haar eerste verhoor heeft verklaard dat zij na het vermeende misbruik verder is gaan slapen, maar tijdens het derde verhoor verklaart zij dat zij daarna is gaan scrollen op haar telefoon.

De rechtbank merkt tevens op dat [slachtoffer 1] de seksuele handelingen enkel technisch beschrijft, maar dat allerlei details achterwege blijven. Het zou voor [slachtoffer 1] de eerste seksuele ervaring zijn, maar ze beschrijft niet hoe lang het duurde, of en zo ja wat verdachte tijdens de seksuele handelingen gezegd zou hebben, hoe het voelde en of zij pijn heeft ervaren. Daarnaast merkt de rechtbank op dat in de chatberichten die zijn gewisseld tussen verdachte en [slachtoffer 1] in de ochtend op 17 september 2025 niets duidt op of verwijst naar de vermeende seks die op dezelfde ochtend zou hebben plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 1] .

Conclusie

Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] diverse inconsistenties bevatten en onvolledig zijn. Dit maakt dat de rechtbank deze verklaringen onvoldoende betrouwbaar acht om voor een bewezenverklaring te kunnen worden gebruikt. De rechtbank komt daarom ook niet toe aan het beantwoorden van de vraag of er voldoende steunbewijs is. In dit verband merkt de rechtbank overigens op dat er van steunbewijs nauwelijks sprake is, anders dan bewijs waarvan uiteindelijk [slachtoffer 1] zelf de bron is. De rechtbank doelt hierbij op hetgeen [slachtoffer 1] op of omstreeks 20 september 2025 aan [getuige 1] zou hebben verteld Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde.

Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 18/251608-25 onder 2 primair:

Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 primair ten laste gelegde. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Verdachte heeft verklaard dat hij de aanhangwagen op 24 september 2025 zelf gestolen heeft. De rechtbank heeft geen reden om aan die verklaring te twijfelen. Onder 2 primair is evenwel niet ten laste gelegd dat de aanhangwagen afkomstig was uit eigen misdrijf. Het witwassen van de aanhangwagen zoals ten laste is gelegd kan daarmee niet bewezen worden. Gelet op het voorgaande kan de onder 2 subsidiair ten laste gelegde diefstal wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 18/194475-25 onder 1:

Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Zowel verdachte als aangeefster [slachtoffer 3] hebben verklaard dat zij op 5 mei 2025 woordenwisselingen hebben gehad. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat verdachte in haar woning drie messen uit de keukenla heeft gepakt: een hakmes, een steekmes en een schilmesje. Hij zou met deze messen [slachtoffer 3] hebben gedreigd. Vervolgens zou de dochter van [slachtoffer 3] , [dochter slachtoffer 3] , ook een mes hebben gepakt. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij het mes bij haar dochter uit haar handen heeft gepakt en ook bij verdachte het steekmes heeft afgepakt, door het uit zijn handen te trekken. Door dat afpakken zou verdachte een snee in zijn hand hebben opgelopen en zou de verwonding zo hevig bloeden dat het hele huis onder het bloed zat, aldus [slachtoffer 3] . Ook zou [slachtoffer 3] door het steekmes van verdachte licht in haar buik zijn geraakt, zodat er een kleine snee in haar buik zou zitten. [slachtoffer 3] zou de woning vervolgens hebben verlaten om haar dochter weg te brengen naar een kennis, [naam 2] , en kort daarop weer zijn teruggegaan naar de woning.

Verdachte heeft van meet af aan stellig ontkend dat hij [slachtoffer 3] heeft bedreigd. Verdachte heeft verklaard dat hij met messen in zijn handen heeft gestaan in de woning, maar dat hij deze alleen aan het opruimen was.

Verdachte, [slachtoffer 3] en (deels) haar dochter waren allen aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde feit en de verklaring van [slachtoffer 3] over wat er is gebeurd staat lijnrecht tegenover de verklaring van verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier tegenstrijdigheden. Zo heeft [slachtoffer 3] eerst verklaard dat verdachte drie messen uit de keukenla had gepakt, maar vervolgens “met de beide messen in zijn handen” voor haar ging staan, waarna zij vervolgens “het steekmes” van hem heeft afgepakt.

Daarnaast heeft een verbalisant ter plaatse, [verbalisant ] , geconstateerd dat zowel [slachtoffer 3] als verdachte geen verwondingen had en dat haar woning - in tegenstelling tot hetgeen [slachtoffer 3] heeft verklaard - niet onder het bloed zat. Evenmin heeft een andere verbalisant ter plaatse, [verbalisant ] , een snee geconstateerd op de buik van [slachtoffer 3] , maar slechts een klein rood puntje ter hoogte van haar navel. Verder heeft verbalisant [verbalisant ] een kleine, oppervlakkige snee aan de binnenzijde van de hand van verdachte geconstateerd. Daarnaast acht de rechtbank het onaannemelijk dat sprake is geweest van een werkelijke dreiging jegens [slachtoffer 3] , nu zij de situatie zo inschatte, dat het verantwoord was om zelf het mes uit verdachtes hand te pakken. Dit alles, terwijl hij erg agressief zou zijn geweest.

Hiermee strookt bovendien niet dat [slachtoffer 3] weer terugkeerde naar de woning, waar juist verdachte zich nog steeds bevond.

Ook komt de verklaring van [slachtoffer 3] op essentiële punten niet overeen met die van haar dochter [dochter slachtoffer 3] . Volgens [slachtoffer 3] heeft [dochter slachtoffer 3] , voordat zij haar naar [naam 2] zou hebben gebracht, een mes gepakt. [dochter slachtoffer 3] heeft echter verklaard dat zij dit mes pas had gepakt toen zij later die avond/nacht weer terug in de woning was, waar op dat moment haar moeder en verdachte aanwezig waren. Ook heeft [dochter slachtoffer 3] niets verklaard over het gebruik van (een) mes(sen) door verdachte voordat haar moeder haar naar [naam 2] bracht.

Naar het oordeel van de rechtbank vindt, gelet op het voorgaande, de verklaring van [slachtoffer 3] die op zichzelf al vragen oproept, in onvoldoende mate steun in de overige bewijsmiddelen. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat niet kan worden vastgesteld wat nu precies is voorgevallen in de woning, zodat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.

Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 18/194475-25 onder 2:

De rechtbank stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling in de zin van artikel 285 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen en/of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. Het is niet vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat werkelijk vrees is opgewekt en de bedreigde zich in haar vrijheid belemmerd achtte. De bedreiging moet wel van dien aard zijn en onder zulke omstandigheden zijn gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 24 juni 2025 aan [slachtoffer 3] berichten heeft gestuurd waaronder een bericht "ik heb twee blaffers in mijn jas en die ga ik helemaal versjoffelen" en een bericht "ik maak jou kepoerem". Verdachte heeft erkend dat hij boos was, hoog in emotie zat en deze berichten gestuurd heeft. De berichten moeten volgens verdachte anders worden geïnterpreteerd, namelijk in het Bargoens, en niet als bedreiging jegens [slachtoffer 3] .

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de uitlatingen van verdachte in de tekstberichten, in onderlinge samenhang bezien, niet van dien aard en onder zulke omstandigheden gedaan dat deze in het algemeen, en dus ook bij aangeefster [slachtoffer 3] , in redelijkheid de vrees konden opwekken dat verdachte daaraan gevolg zou geven en dat het opzet van verdachte hierop was gericht. De rechtbank overweegt voorts dat de tekstberichten die verdachte heeft gestuurd naar [slachtoffer 3] , mede gezien de overige tekstberichten in het dossier en de frustratie die verdachte op dat moment had, moeten worden beschouwd als uitingen van emoties in een opwelling. Daarnaast acht de rechtbank het woord versjoffelen voor zoveel uitleg vatbaar, dat niet zonder meer hieruit een bedreiging van [slachtoffer 3] in de zin van artikel 285 Sr kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de tenlastegelegde bedreiging.

Vrijspraak ten aanzien van parketnummer 18/194475-25 onder 3:

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde balletjespistool voorhanden heeft gehad, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van parketnummer 18/251608-25 onder 2 subsidiair:

De rechtbank acht het onder 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van parketnummer 18/233180-25 Feiten 1, 2, 3 primair:

De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte de feiten 1 en 2 en de feitelijke gedraging van feit 3 duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een voltooide diefstal onder het 3 primair ten laste gelegde en overweegt daartoe als volgt. Voor wegneming is beslissend dat de dader zich een zodanige feitelijke heerschappij over het goed heeft verschaft, dan wel dit zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken dat de wegneming van het goed als voltooid kan gelden. De vleeswaren zijn door verdachte in een winkelmand gelegd en op enig moment in zijn jas gestopt. Pas op het moment dat het winkelpersoneel verdachte aansprak, haalde hij de vleeswaren uit zijn jas, gooide hij de vleeswaren willekeurig in de winkel neer en rende hij de winkel uit. Door aldus te handelen heeft verdachte de vleeswaren zodanig aan de feitelijke heerschappij van de [winkel] onttrokken en er zelf - weliswaar kortdurend - als heer en meester over beschikt dat sprake is van een voltooid delict.

Feit 4:

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. ​De door verdachte ter terechtzitting van 19 mei 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het klopt dat ik op de scooter heb gereden. Ik had de scooter geleend van [naam 1] . Ik beschikte niet over een sleutel van de scooter. Ik kon hem zo starten.

2. ​ ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juni 2025, opgenomen op pagina 69 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025172082 d.d. 3 oktober 2025, inhoudend als verklaring van [naam 4] :

Pleegdatum: 24 juni 2025

Ik liep vanavond naar buiten en normaal staat mijn scooter bij de fietsenstalling. Nu staat hij er niet meer. De scooter stond vast met een slot. Toen ik naar buiten liep zag ik dat de scooter weg was.

Kenteken: [kenteken 2] Kleur: rood.

3. ​ ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 augustus 2025, opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant ] :

Naar aanleiding van een diefstal van goederen uit een [winkel] supermarkt aan de [adres] te Coevorden bekeek ik de beelden, aangeleverd door de

filiaalmanager van de [winkel] , van de camera's van de [winkel] supermarkt op 28 juni 2025

en 29 juni 2025. Op de beelden zag ik de verdachte aankomen op een scooter. Ik beschrijf de scooter als volgt:

4. ​ ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 25 augustus 2025 opgenomen op pagina 71 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3] :

V: Wat kun jij vertellen?

A: 3 weken geleden, kwam [verdachte] bij mij thuis. [verdachte] had een rode scooter bij zich. Hij vroeg aan mij of hij de rode scooter bij mij thuis mocht stallen in de schuur. [verdachte] wilde de scooter namelijk zwart spuiten.

5. ​ ​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 augustus 2025, opgenomen op pagina 193 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 1] :

V: Heeft [verdachte] wel eens een scooter van jou geleend? A: Nee.

V: Je verklaarde net. Rode scooter en de naam [verdachte] dat je wel iets kunt herinneren. Wat bedoel je precies?

A: Dat heb ik op camerabeelden gezien.

V: Waar kwamen die camerabeelden vandaan dan? A: Bij [getuige 3] thuis.

V: Bij [getuige 3] ? A: Ja dat klopt.

V: Hoe heb jij die camerabeelden gezien?

A: Ik heb een app op mijn telefoon en daar kan ik de camerabeelden op zien van de camera's bij [getuige 3] thuis.

V: Wat was daarop te zien?

A: [verdachte] kwam met de rode scooter bij [getuige 3] thuis. Hij vroeg toen aan [getuige 3] of de rode scooter bij [getuige 3] in de schuur mocht staan.

V: Maar [verdachte] heeft de scooter wel mee genomen? A: Ja.

V: Weet jij nog wanneer dit was?

A: Het is sowieso wel 3 weken geleden.

Bewijsoverweging

Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende. Ter terechtzitting is vrijspraak bepleit voor het witwassen, waartoe is aangevoerd dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen niet wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de scooter van misdrijf afkomstig was.

Op grond van de gebruikte bewijsmiddelen stelt de rechtbank allereerst vast dat de scooter van misdrijf, te weten van diefstal, afkomstig was. De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte de scooter voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt. Over de omstandigheden waaronder overweegt de rechtbank als volgt. Op basis van de verklaring van verdachte en de camerabeelden van de [winkel] stelt de rechtbank vast dat verdachte op 28 en 29 juni 2025 op een scooter (kenteken [kenteken 2] ) heeft gereden te Coevorden. Deze scooter bleek, gelet op de aangifte van [naam 4] , gestolen. Getuige [getuige 3] heeft op 25 augustus 2025 verklaard dat verdachte enkele weken daarvoor met de rode scooter bij haar kwam, deze bij haar wilde stallen en zwart wilde spuiten. Deze verklaring wordt bevestigd door de verklaring van getuige [naam 1] . Verdachte heeft zelf verklaard dat hij de scooter had geleend en dat hij niet beschikte over een sleutel van de scooter. Dit komt volgens verdachte wel vaker voor in een gebruikersmilieu waar scooters worden geleend. Naar het oordeel van de rechtbank zijn voornoemde omstandigheden dusdanig dat geen twijfel kon bestaan over de niet legale herkomst van de scooter. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte wist, althans minstens moest vermoeden, dat de scooter van diefstal afkomstig was. De rechtbank komt daarom tot een bewezenverklaring van (schuld)witwassen. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat verdachte twijfels moet hebben gehad over de herkomst van de scooter, nu hij deze in een andere kleur wilde overspuiten en niet over een sleutel beschikte om de scooter te starten.

Feiten 5 en 6:

De rechtbank acht het onder 5 en 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 mei 2026;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 augustus 2025 (inclusief bijlage), opgenomen op pagina 105 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025172082 d.d. 3 oktober 2025, inhoudend als verklaring van [naam 5] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 augustus 2025, opgenomen op pagina 125 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 2] .

Bewezenverklaring

Parketnummer 18/251608-25

De rechtbank acht het onder 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

2.

hij op 24 september 2025 te Nieuwlande, gemeente Hoogeveen, een aanhangwagen (met kenteken [kenteken 1] ), die geheel aan [slachtoffer 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Parketnummer 18/233180-25

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5, en 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 28 juni 2025 te Coevorden, vleeswaren en kaas (ter waarde van in totaal 76,30), die geheel aan de [winkel] aan de [adres] te Coevorden toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

hij op 29 juni 2025 te Coevorden, vleeswaren en tortilla's (ter waarde van in totaal 113,86), die geheel aan de [winkel] aan de [adres] te Coevorden toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3.

hij op 29 juni 2025 (rondom 14.00 uur) te Coevorden, vleeswaren, die geheel aan de [winkel]

( [adres] ) toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4.

hij op of omstreeks 29 juni 2025 te Coevorden, een scooter (met kenteken [kenteken 2] ), voorhanden heeft gehad en hiervan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden dat die scooter - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

5.

hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Den Velde, gemeente Hardenberg, een auto (Toyota Corolla met kenteken [kenteken 3] ), voorhanden heeft gehad en hiervan gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, wist, dat die auto - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit eigen misdrijf;

6.

hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Den Velde, gemeente Hardenberg, een aanhangwagen (met kenteken [kenteken 4] ), voorhanden heeft gehad, en hiervan gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, wist, dat die aanhangwagen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit eigen misdrijf.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op

ten aanzien van parketnummer 18/251608-25:

2. subsidiair diefstal

ten aanzien van parketnummer 18/233180-25:

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren voor de bewezen verklaarde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat uit het rapport van de reclassering, de pro Justitia-rapportages, de andere stukken uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten naar voren zijn gekomen op grond waarvan geoordeeld moet worden dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten. Daarnaast is er geen (andere) omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 18/251608-25 onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/194475-25 onder 1 en 2 ten laste gelegde en het onder parketnummer 18/233180-25 onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van de (niet-gemaximeerde) maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met verpleging van overheidswege (hierna ook: met dwangverpleging). Ook stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat aan verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr (hierna: GVM) moet worden opgelegd, alsmede de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod ten behoeve van aangeefster [slachtoffer 1] . Als het verbod wordt overtreden, dient er een hechtenis te volgen van 2 weken tot een maximum van 6 maanden. De officier van justitie heeft tot slot verzocht om de dadelijke uitvoerbaarheid van voornoemde maatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf, waarvan een deel voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden. De raadsvrouw stelt dat geen tbs kan worden opgelegd nu niet is voldaan aan het gevaarscriterium. Het recidivegevaar ziet enkel op vermogensdelicten. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor zeden en/of geweldsfeiten. Daarnaast kan geen tbs worden opgelegd nu de psychiater zich heeft onthouden van advies over oplegging hiervan.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportages van de reclassering van 13 mei 2026 en 26 september 2025, de pro Justitia-rapportages, opgesteld en ondertekend op 20 april 2026 door J. Marx, psychiater, en opgesteld en ondertekend op 24 april 2026 door D.R. van der Velden, GZ-psycholoog en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in een kort tijdbestek schuldig gemaakt aan een reeks van vermogensdelicten, waaronder drie diefstallen bij de [winkel] , diefstal van een aanhangwagen en het witwassen van een scooter, auto en aanhangwagen. Dit zijn zeer ergerlijke feiten die voor de betrokken personen, zorgen voor materiële schade en daarnaast voor veel hinder en overlast. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij steeds opnieuw laat zien geen respect te hebben voor andermans eigendommen.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 april 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder meerdere keren is veroordeeld voor vermogensdelicten. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte op 8 december 2025

is veroordeeld en dat daarmee artikel 63 Sr van toepassing is. Deze eerdere veroordelingen hebben hem er niet van weerhouden om opnieuw vermogensdelicten te plegen. De rechtbank constateert ook dat verdachte de dag na de schorsing van zijn voorlopige hechtenis op 27 juni 2025 opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 24 april 2026, opgemaakt door GZ-psycholoog D.R. van der Velden. De conclusie van de psycholoog luidt dat verdachte een man is met een licht verstandelijk beperkt adaptief functioneren, opgegroeid in een onveilig opvoedklimaat. Hij heeft complexe psychiatrische

problematiek, namelijk een combinatie van trekken van ADHD, een persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in het gebruik van polymiddelen. Ook ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was er sprake van de beschreven stoornissen. Indien bewezen, bestaat er volgens de psycholoog een noodzaak voor langdurige forensische klinische behandeling om het verwachte recidiverisico te verminderen. De psycholoog adviseert een tbs met dwangverpleging.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de psychiatrische onderzoeksrapportage d.d. 20 april 2026, opgesteld door psychiater J. Marx. De conclusie van de psychiater luidt dat bij verdachte sprake is van een psychische stoornis (namelijk van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en narcistische kenmerken) en van een licht verstandelijke beperking. De psychiater heeft geen suggesties ten aanzien van een behandeling die onderbouwd bij zou kunnen dragen aan het terugdringen van het recidiverisico en/of een juridisch kader waarbinnen mogelijke interventies plaats zouden kunnen vinden.

De reclassering heeft in haar rapportages van 26 september 2025 en 13 mei 2026 kort samengevat het volgende vermeld. Verdachte heeft de veelplegerstatus en valt onder de levensloopaanpak van het Zorg-en Veiligheidshuis Drenthe. Door de jaren heen zijn er meerdere pogingen ondernomen om verdachte te helpen bij het creëren van een stabielere leefsituatie. Verdachtes leefsituatie is instabiel door het ontbreken van dagbesteding, een legaal inkomen, vaste huisvesting en een positief sociaal netwerk.

Er is sprake van een licht verstandelijke beperking, verslavings-, psychiatrische en persoonlijkheidsproblematiek. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. De reclassering ziet op geen enkel leefgebied beschermende factoren die het risico op recidive kunnen beperken en de reclassering ziet geen mogelijkheden om de risico's met justitiële interventies in een voorwaardelijk strafkader te beperken of verdachtes gedrag te beïnvloeden. De reclassering adviseert om aan verdachte een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering concludeert dat een tbs met voorwaarden onvoldoende waarborgen biedt om de risicos structureel te kunnen beheersen en adviseert daarom negatief ten aanzien van het opleggen daarvan.

Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting van 19 mei 2026 reclasseringswerkster, [reclasseringsmedewerker] , als deskundige gehoord. Zij heeft het advies ter terechtzitting bevestigd.

Geen tbs

De rechtbank zal aan verdachte geen tbs opleggen en overweegt hierover als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat tbs een zeer ingrijpende vrijheidsbenemende maatregel is, die dan ook niet lichtvaardig dient te worden opgelegd. Bij het opleggen van een maatregel die een dergelijke grote inbreuk maakt op de rechten en vrijheden van verdachte, moet dit gerechtvaardigd worden door het gevaar dat van hem uitgaat. Bij de beoordeling hiervan dienen mede de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de noodzaak tot beveiliging van de maatschappij te worden betrokken. De ernst en de zwaarte

van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen in dit geval naar het oordeel van de rechtbank in onvoldoende mate de zwaarte van de gevorderde maatregel. Voorts overweegt de rechtbank dat de vele eerdere veroordelingen van verdachte overwegend betrekking hebben op vermogensdelicten, en verdachte niet eerder veroordeeld is voor zedendelicten en niet recentelijk voor geweldsdelicten.

Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat tbs met dwangverpleging niet in verhouding staat tot de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de beveiliging van de maatschappij in het licht van die feiten een dergelijke ingrijpende maatregel niet vergt. De rechtbank acht het opleggen van tbs met dwangverpleging daarom niet passend.

De straf

Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is gerechtvaardigd. Als strafverzwarende omstandigheden weegt de rechtbank mee dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank ziet geen meerwaarde in oplegging van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.

Alles overwegend acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

GVM (artikel 38z Sr)

De rechtbank zal de 38z-maatregel niet opleggen. Nu de rechtbank geen tbs zal opleggen, is niet aan de wettelijke vereisten voldaan om deze maatregel op te leggen.

Vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr)

Tot slot heeft de officier van justitie de rechtbank gevraagd een contactverbod in relatie tot slachtoffer [slachtoffer 1] op te leggen middels de maatregel van artikel 38v Sr. Voor de oplegging van een dergelijke vrijheidsbenemende maatregel dienen er ernstige redenen te zijn om aan te nemen dat verdachte zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer. Concrete aanwijzingen hiervoor heeft de rechtbank niet.

Mede gezien het feit dat verdachte van het ten laste gelegde waarvan [slachtoffer 1] aangifte heeft gedaan is vrijgesproken, zal de rechtbank daarom geen maatregel ex artikel 38v Sr opleggen.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

18/251608-25 onder 1 en 2 subsidiair:

18/194475-25 onder 1 en 2:

- [ [slachtoffer 3] , tot een bedrag van 9.667,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

18/233180-25 onder 4 en 5:

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van

[slachtoffer 1] , [naam 4] en [naam 5] integraal kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van [slachtoffer 3] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat deze onduidelijk en te ingewikkeld is om inhoudelijk op te beslissen. De vordering van [slachtoffer 2] dient gedeeltelijk te worden toegewezen tot een bedrag van 150,00 ter vergoeding van materiële schade en dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleite vrijspraak, de vorderingen van [slachtoffer 1] en [naam 4] dienen te worden afgewezen. De vorderingen van [slachtoffer 3] en [naam 5] dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat de vorderingen onvoldoende onderbouwd zijn en het causaal verband ontbreekt. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] kan de rechtbank gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid, wegens gebrek aan onderbouwing.

Oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De rechtbank overweegt met betrekking tot de materiële schade het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade, die ziet op de kapotte velg/band ( 150,00), heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18/251608-25 onder 2 subsidiair bewezen verklaarde. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025. De kostenpost die ziet op inkomstenderving ( 150,00) is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor dit deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Benadeelde partij [naam 4]

De rechtbank overweegt met betrekking tot de materiële schade het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade, die ziet op arbeid en montage voor de schade aan de scooter ( 939,73), heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18/233180-25 onder 4 bewezen verklaarde.

Hoewel verdachte niet verantwoordelijk is geweest voor de diefstal van de scooter, staat de schade die de benadeelde partij heeft geleden naar het oordeel van de rechtbank in voldoende rechtstreeks verband met de handelingen van verdachte. Verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan het witwassen van deze scooter. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van 939,73, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2025.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Benadeelde partij [naam 5]

De rechtbank overweegt met betrekking tot de materiële schade het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade, die ziet op de dagwaarde van de auto ( 4.000,00), heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18/233180-25 onder 5 bewezen verklaarde. De benadeelde partij heeft met een werkplaatsofferte en een berekening van de dagwaarde van de auto onderbouwd dat de reparatiekosten hoger zijn dan de dagwaarde van de auto. De rechtbank zal het gevorderde bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2025.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

Tevens heeft de benadeelde partij een bedrag van 256,00 gevorderd ter vergoeding van gemaakte proceskosten. De rechtbank zal verdachte derhalve veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op 256,00 en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Beslag

18-251608-25

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:

- 1 STK GSM (Omschrijving: Samsung, PL0100-2025259190-G1868845).

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen GSM (Samsung) kan worden teruggegeven aan verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om teruggave van de inbeslaggenomen GSM (Samsung).

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een GSM (Samsung), zoals genoemd op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen met goednummer PL0100-2025259190-G1868845 moet worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen

18/096725-23

Bij onherroepelijk vonnis van 10 februari 2025 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te, Assen, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 24 februari 2025. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 19 februari 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

18/188258-21

Bij onherroepelijk vonnis van 11 augustus 2021 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te, Assen, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 dagen, waarvan 12 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 25 augustus 2021. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 19 februari 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

18/312356-21

Bij onherroepelijk vonnis van 17 februari 2022 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te, Groningen, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 3 maart 2022. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 19 februari 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging onder de parketnummers 18/096725-23 en 18/312356-21 dienen te worden toegewezen. De vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 18/188258-21 dient te worden afgewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdediging het begrijpelijk acht als de rechtbank de vorderingen tot tenuitvoerlegging onder de parketnummers 18/096725-23 en 18/312356-21 zou toewijzen. De vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 18/188258-21 dient te worden afgewezen, nu deze voorwaardelijke straf eerder al ten uitvoer is gelegd.

Oordeel van de rechtbank

Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijden, zal de rechtbank onder parketnummers 18/096725-23 en 18/312356-21 de tenuitvoerlegging gelasten van de aan verdachte opgelegde voorwaardelijke straffen.

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 18/188258-21 afwijzen, nu de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf al is gelast bij vonnis van 17 februari 2022.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63, 310, 420bis, 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18/251608-25 onder 1, onder 2 primair en het onder parketnummer 18/194475-25 onder 1, 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 18/251608-25 onder 2 subsidiair en het onder parketnummer 18/233180-25 onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van parketnummer 18/194475-25

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Ten aanzien van parketnummer 18/251608-25 onder 1 en 2 subsidiair:

Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte om aan

[slachtoffer 2] te betalen:

Verklaart de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september

2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van parketnummer 18/194475-25 onder 1 en 2:

Verklaart de vordering van [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van parketnummer 18/233180-25 onder 4 en 5:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 4] toe en veroordeelt verdachte om aan [naam 4] te betalen:

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [naam 4] aan de Staat te betalen een bedrag van 939,73 (zegge: negenhonderdnegenendertig euro en drieënzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 9 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 5] toe en veroordeelt verdachte om aan [naam 5] te betalen:

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve [naam 5] aan de Staat te betalen een bedrag van 4.000,00 (zegge: vierduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 40 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1. STK GSM (Omschrijving: Samsung, PL0100-2025259190-G1868845).

Beslissing op de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummers:

18/096725-23

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 10 februari 2025, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 1 week;

18/188258-21

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 11 augustus 2021;

18/312356-21

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 17 februari 2022, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.R. Eising, voorzitter, mr. L.M.B. Soppe en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. D. Flanderijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juni 2026.

Mr. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.R. Eising
  • mr. L.M.B. Soppe
  • mr. C. Krijger

Griffier

  • mr. D. Flanderijn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand