RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Groningen
Zaaknummer: C/18/255064 / JE RK 26-645
Beschikking van 28 mei 2026 van de kinderrechter over de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing
in de zaak die betrekking heeft op
[naam kind] ,
die is geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,
en die hierna " [naam kind] " wordt genoemd.
op verzoek van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
die is gevestigd in Amsterdam,
en die hierna "de GI" wordt genoemd.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
die woont in [woonplaats moeder] ,
en die hierna "de moeder" wordt genoemd.
[naam gezinshuismoeder] ,
die woont in [woonplaats gezinshuismoeder] ,
en die hierna "de gezinshuismoeder" wordt genoemd.
In zijn adviserende taak is in deze procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Noord-Nederland, locatie Groningen,
die hierna "de Raad" wordt genoemd.
1. Het procesverloop
Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de GI, dat door de rechtbank is ontvangen op 3 april 2026. Daarin verzoekt de GI om de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [naam kind] te verlengen voor de duur van een jaar.
Op 28 mei 2026 heeft de kinderrechter het verzoek mondeling behandeld. Hij heeft toen gesproken met de moeder, [naam vertegenwoordiger] die de Raad vertegenwoordigt en [naam vertegenwoordiger 1] en [naam vertegenwoordiger 2] die de GI vertegenwoordigen.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter met [naam kind] gesproken.
De zaak is mondeling behandeld en deze beschikking wordt gegeven door een andere
kinderrechter dan die eerder de zaak heeft behandeld en beslist, om de redenen die tijdens de
mondelinge behandeling zijn besproken.
Ten slotte is bepaald dat deze beschikking vandaag wordt gegeven.
2. De feiten
De kinderrechter kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten.
De nu achtjarige [naam kind] staat sinds 27 januari 2023 onder toezicht van de GI en is met een machtiging uit huis geplaatst. De maatregelen zijn nadien steeds verlengd, voor het laatst tot 10 juli 2026.
Tot 17 december 2025 hebben de ouders samen het gezag over [naam kind] uitgeoefend. Bij beschikking van 17 december 2025 is het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd. Sindsdien oefent de moeder alleen het gezag uit over [naam kind] .
Hoewel de ondertoezichtstelling samen met de uithuisplaatsingen, maatregelen zijn ertoe verplichten te onderzoeken of [naam kind] kan worden herenigd met zijn moeder, wordt hieraan niet gewerkt. De hulpverlening is tot de slotsom gekomen dat er geen perspectief van [naam kind] bij de moeder kan worden gevonden, gelet op de kind‑eigen problematiek van [naam kind] en de persoonlijke omstandigheden die de moeder zouden belemmeren in haar mogelijkheden om voldoende aan te sluiten bij de verzwaarde opvoedvraag van [naam kind] .
Over de kind‑eigen problematiek wordt gerapporteerd dat de zorgen over [naam kind] in het afgelopen jaar fors zijn toegenomen. Nadat [naam kind] is overgeplaatst uit een accommodatie voor jeugdzorg van de hulpverlenende instantie [naam instantie] in [plaatsnaam instantie] , naar het gezinshuis waar hij nu is geplaatst, zijn er concrete en specifieke aanwijzingen dat [naam kind] seksueel is misbruikt in de accommodatie van [naam instantie] . Hierover is geen melding gedaan bij de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de Inspectie).
[naam kind] krijgt (trauma)behandeling bij Accare, waarbij hij wordt behandeld vanuit de veronderstelling dat zijn eigen (seksueel afwijkende) gedrag waarschijnlijk moet worden verklaard uit vroegkinderlijk trauma, opgedaan in de opvoedsituatie bij zijn ouders en/of zijn moeder.
3. De beoordeling
Waar gaat het om in deze zaak?
Het gaat in deze zaak om de nu achtjarige [naam kind] . [naam kind] staat onder toezicht van de GI. Al sinds zijn geboorte heeft het leven van [naam kind] in het teken gestaan van instabiliteit, onrust en onvoorspelbaarheid. [naam kind] heeft op verschillende plekken gewoond, eerst bij [naam instantie] en later bij gezinshuizen, omdat de moeder van [naam kind] , als gevolg van haar eigen problematiek en beperkte draagkracht, onvoldoende in staat zou zijn om aan te sluiten bij zijn complexe opvoedvraag. [naam kind] heeft een belast verleden, trauma‑ en hechtingsproblematiek en daarnaast ook gedragsproblematiek ontwikkeld. De gedragsproblematiek van [naam kind] uit zich in ernstig grensoverschrijdend en agressief gedrag, waarin [naam kind] moeilijk is te begrenzen. Daarnaast bestaan er zorgen over de seksuele ontwikkeling van [naam kind] . De GI wil daarom het komende jaar inzetten op (trauma)behandeling van [naam kind] , het bestendigen van zijn huidige verblijfplaats en het werken aan de verwachtingen richting de moeder in haar rol als opvoeder in de toekomst. Volgens de GI ligt het (woon)perspectief van [naam kind] in het gezinshuis, omdat er geen perspectief meer bij de moeder kan worden gevonden.
Waar maakt de kinderrechter zich zorgen over?
De kinderrechter maakt zich grote zorgen over de ontwikkeling van [naam kind] . Deze zorgen zijn onder meer gelegen in de ernstige gedragsproblematiek die [naam kind] laat zien. De afgelopen maanden hebben zich verschillende incidenten voorgedaan waarbij [naam kind] seksueel grensoverschrijdende gedragingen heeft laten zien in het contact met een hond. Het contact met de moeder lijkt daarin een ontregelend effect te hebben, als gevolg waarvan is besloten dat [naam kind] en de moeder gedurende een langere tijd geen contact met elkaar hebben gehad. [naam kind] heeft sinds eind 2021 geen contact meer gehad met de vader. De kinderrechter vindt het zorgelijk voor de identiteitsontwikkeling van [naam kind] dat hij met geen van beide ouders contact heeft op dit moment. Ook de aanhoudende onduidelijkheid die [naam kind] ervaart over waar hij woont en welke volwassenen voor zijn opvoeding verantwoordelijk zijn, vormt een op zichzelf staande ontwikkelingsbedreiging.
De kinderrechter maakt zich ook zorgen over de aanwijzingen die er zijn dat [naam kind] seksueel is misbruikt in [naam instantie] . Uit artikel 4.1.8 lid 1 van de Jeugdwet (Jw) volgt dat jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen onverwijld melding moeten doen bij de met het toezicht belaste ambtenaren van iedere calamiteit die zich voordoet bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, alsmede van geweld bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Onder “geweld” in de zin van de Jeugdwet wordt mede verstaan seksueel geweld jegens een jeugdige door een medewerker of door een andere jeugdige met wie de jeugdige in een accommodatie van de jeugdhulpaanbieder verblijft. Er bestaat een concreet en ernstig vermoeden van seksueel misbruik van [naam kind] tijdens zijn verblijf in [naam instantie] . Gezien de wettelijke meldplicht had dit vermoeden als (vermoeden van) geweld bij de Inspectie gemeld moeten worden.
De betrokken instelling heeft geen melding bij de Inspectie gedaan, evenmin de destijds betrokken jeugdbeschermer. De huidige jeugdbeschermer heeft tijdens de mondelinge behandeling verteld dat de voorgaande jeugdbeschermer het doen wel een melding heeft overwogen, maar deze na overleg met de leidinggevenden niet heeft gedaan. De huidige jeugdbeschermer heeft daarover zijn zorgen geuit.
Ook de Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangekondigd (alsnog) melding te doen van het vermoeden van seksueel misbruik en van het uitblijven van een melding door de betreffende instelling en de destijds betrokken jeugdbeschermer.
Voor het (woon)perspectief van [naam kind] betreft, is de moeder is zich ervan bewust dat het voor haar niet haalbaar is om zeven dagen in de week voor [naam kind] te zorgen. Zij lijkt zich te berusten in het gegeven dat het (woon)perspectief van [naam kind] niet meer bij haar ligt. [naam kind] heeft een complexe en intensieve opvoedvraag, waar de moeder (in ieder geval op dit moment) niet aan kan voldoen. De kinderrechter begrijpt zonder nadere toelichting die niet is gegeven, niet waarom de GI geen perspectiefbesluit heeft genomen, wél verlenging verzoekt van de lopende maatregelen die in de eerste plaats gericht moeten zijn op hereniging van [naam kind] met zijn moeder en niet de Raad heeft verzocht om te beoordelen of de huidige maatregelen nog wel geëigend zijn, verderstrekkende maatregelen noodzakelijk zijn of dat juist – waarvoor veel aanwijzingen bestaan – kan worden toegewerkt naar een overgang naar het vrijwillig kader. Dit acht de kinderrechter in strijd met de eisen van zorgvuldige besluitvorming en met de verantwoordelijkheid van de GI om tijdig duidelijkheid te bieden over het (woon)perspectief van [naam kind] : kan hij met de moeder worden herenigd of ligt zijn woonperspectief in het gezinshuis?
Voor de kinderrechter is nog minder te begrijpen dat de Raad een op artikel 1:265j van het Burgerlijk Wetboek (BW) gegrond verlengingsadvies heeft gegeven. Hoewel de Raad het belangrijk vindt dat er duidelijkheid komt over het (woon)perspectief van [naam kind] , merkt de Raad tegelijkertijd op dat dit ingewikkeld is, gelet op de zorgen over de ontwikkeling en het gedrag van [naam kind] . De behandeling van [naam kind] bevindt zich nog in een beginstadium en dit traject dient zorgvuldig gemonitord te worden. Ook zal moeten worden bezien hoe en of het contact met de moeder kan worden opgebouwd en hoe [naam kind] daarop reageert. De Raad laat in zijn toetsing na om de onduidelijkheid over het perspectief en de duur van de maatregelen expliciet te betrekken, hetgeen naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende recht doet aan de noodzaak om voor [naam kind] en de moeder tijdig en helder zicht te geven op zijn toekomstige (woon)perspectief. Het advies van de Raad is niet goed te rijmen met het beleid van de GI en lijkt geheel voorbij te gaan aan dat beleid en de onduidelijkheid over het (woon)perspectief van [naam kind] .
Wat betekent het voorgaande voor de beslissingen die de kinderrechter nu moet nemen?
De ernstige ontwikkelingsbedreiging van [naam kind] is nog onverminderd aanwezig. Er is sprake van trauma- en hechtingsproblematiek en ernstige gedragsproblematiek met zorgen over seksueel grensoverschrijdend gedrag, terwijl er bovendien concrete aanwijzingen bestaan dat [naam kind] tijdens zijn uithuisplaatsing zelf slachtoffer is geweest van seksueel misbruik. De moeder accepteert de hulp die nodig is voor [naam kind] . De intensieve en complexe opvoedvraag van [naam kind] zou de moeder echter overvragen in haar (opvoed)mogelijkheden. De moeder is zich daar ook bewust van.
Het verblijf in het gezinshuis is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [naam kind] , alsmede voor het onderzoek en de behandeling van zijn psychische en trauma gerelateerde problematiek. De (trauma)behandeling bij Accare is kortgeleden gestart en zal zorgvuldig moeten worden voortgezet. Een beëindiging van de uithuisplaatsing of een wijziging van het verblijfskader zou de ontwikkeling van [naam kind] verder onder druk zetten en onvoldoende waarborgen bieden voor zijn veiligheid en behandeling.
Tegelijkertijd stelt de kinderrechter vast dat de GI in het afgelopen traject onvoldoende voortvarendheid heeft betracht bij het bieden van duidelijkheid over het (woon)perspectief van [naam kind] . Dat neemt echter niet weg dat de wettelijke gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn. Juist omdat [naam kind] zich in een kwetsbare fase bevindt en sprake is van een samenloop van onveiligheid, ontwikkelingsschade en onduidelijkheid over zijn toekomst, is voortzetting van beide maatregelen thans noodzakelijk.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog niet voor de volledig verzochte duur. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [naam kind] worden verlengd voor de duur van zes maanden. De kinderrechter houdt de beslissing op het resterende deel van het verzoek van de GI aan.
De kinderrechter geeft de GI de opdracht om het komende half jaar in ieder geval het volgende te realiseren:
een gemotiveerd en schriftelijk vastgelegd perspectiefbesluit over het toekomstig woonperspectief van [naam kind] ;
een concreet plan van aanpak met doelen, termijnen en evaluatiemomenten;
voortvarende voortzetting en monitoring van de diagnostiek, traumabehandeling en overige behandeling van [naam kind] ;
afstemming met Accare, het gezinshuis en de moeder over de behandeldoelen en de pedagogische aanpak;
een zorgvuldig en gefaseerd contactplan ten aanzien van de moeder, afgestemd op de belastbaarheid en behandeling van [naam kind] ;
blijvende ondersteuning van het gezinshuis, zodat de plaatsing stabiel en passend kan worden voortgezet;
adequate opvolging van de signalen van seksueel misbruik, waaronder het borgen dat de melding bij de Inspectie plaatsvindt of alsnog plaatsvindt indien dat nog niet is gebeurd;
duidelijke, voor [naam kind] begrijpelijke communicatie over zijn verblijf, behandeling en woonperspectief;
een rapportage aan de rechtbank en de Raad over de voortgang, zodat bij een volgende toetsing kan worden beoordeeld of de GI voldoende regie en voortgang heeft gerealiseerd.
De kinderrechter informeert [naam kind] met de volgende brief over zijn beslissing:
Beste [naam kind] ,
Op 27 mei 2026 hebben wij met elkaar gesproken, samen met [naam gezinshuismoeder]. We hebben het gehad over hoe het met jou gaat. Je hebt mij verteld dat je het liefst bij [naam gezinshuismoeder] wil blijven wonen.
Ik heb daar goed over nagedacht en daar ook met je moeder en [naam gezinshuismoeder] over gesproken. Ik vind het ook nodig dat je bij [naam gezinshuismoeder] blijft wonen.
Als je nog vragen hebt, dan kun je deze vragen altijd aan [naam gezinshuismoeder] stellen of aan iemand anders die je vertrouwt, zodat zij het aan je kunnen uitleggen.
Met vriendelijke groet,
Bart Tromp, de (kinder)rechter.
4. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] tot 10 januari 2027;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
gelast de GI de rechtbank schriftelijk te rapporteren over hetgeen in rechtsoverweging 3.12. is overwogen en hierover uiterlijk één week voorafgaand aan de mondelinge behandeling schriftelijk aan de rechtbank en de andere belanghebbenden te rapporteren;
bepaalt een (voortzetting van de) mondelinge behandeling op donderdag 7 januari 2027 om 14:00 uur, welke zal worden gehouden in gerechtsgebouw in Groningen, Guyotplein 1;
wijst de moeder, de gezinshuismoeder, de GI en de Raad erop dat deze beschikking geldt als uitnodiging om deel te nemen aan de mondelinge behandeling op donderdag 7 januari 2027 om 14:00 uur, en dat de rechtbank geen nadere oproep zal versturen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is mondeling gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. J. Stulp, griffier, op 28 mei 2026. De uitspraak is schriftelijk uitgewerkt in deze beschikking op 2 juni 2026.
Als u het niet eens bent met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.
Voor de GI geldt dat zij zelf hoger beroep kan instellen.