RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 mei 2026 in de zaak tussen
[naam uit plaats] , verzoeker
de burgemeester van Leeuwarden
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1406
(gemachtigde: mr. J.C. van Galen)
en
(gemachtigden: mrs. R. Posthuma en M.R.A. Schellingerhout).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning die verzoeker huurt van WoonFriesland, op het adres plaatselijk bekend als [adres] . De burgemeester was aanvankelijk van plan om de woning te sluiten voor de duur van zes maanden vanaf 7 mei 2026, 11.00, maar hij heeft toegezegd te wachten met de sluiting totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. Verzoeker is het niet eens met de sluiting. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 29 april 2026 heeft de burgemeester besloten om de woning voor de duur van zes maanden te sluiten, vanaf 7 mei 2026, 11:00 uur. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.
Het verzoek om een voorlopige voorziening
3. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om:
Primair: de rechtsgevolgen van de besluitvorming te schorsen tot tien weken nadat de besluitvorming onherroepelijk is geworden;
Subsidiair: de rechtsgevolgen van de besluitvorming te schorsen tot aan tien weken nadat in bezwaar is beslist;
Meer subsidiair: een zodanige voorlopige voorziening te treffen die uw voorzieningenrechter passend [acht] […].
Met veroordeling van verweerder in de kosten van de procedure.
Zowel primair als subsidiair onder gelijktijdige veroordeling van het verbeuren van een dwangsom van EUR 100,00 voor elke dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat verweerder in strijd met de te verlenen voorziening handelt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Het beroep op betalingsonmacht ten aanzien van het griffierecht
4. Verzoeker heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht ten aanzien van het griffierecht. De voorzieningenrechter overweegt dat een rechtzoekende niet in verzuim is als heffing van het griffierecht het onmogelijk, althans uiterst moeilijk, zou maken om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het beroep op betalingsonmacht dat is gedaan door verzoeker is besproken op de zitting van 20 mei 2026. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker in aanmerking is gebracht voor een toevoeging zoals bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand. In dit geval is dat voldoende voor de conclusie dat heffing van het griffierecht het voor verzoeker onmogelijk, althans uiterst moeilijk, zou maken om een voorlopige voorziening te vragen bij de rechtbank.
De vorige overweging betekent dat verzoeker voor de behandeling van dit verzoek om een voorlopige voorziening geen griffierecht is verschuldigd.
5. De relevante wetgeving staat in de bijlage.
Is de burgemeester naar voorlopig oordeel bevoegd de woning te sluiten?
6. Niet in geschil is dat het om 15,99 gram harddrugs gaat. Ter zitting is erkend dat verzoeker drugs heeft verkocht aan vrienden. In zoverre staat tussen partijen vast dat de middelen (ook) in de woning aanwezig waren ten behoeve van handel. Naar voorlopig oordeel was de burgemeester daarom bevoegd om de woning te sluiten.
Is de sluiting naar voorlopig oordeel geschikt?
7. Op dinsdag 17 maart 2026 is verzoeker op heterdaad aangehouden door de politie, op verdenking van overtreding van de Opiumwet. Bij besluit van 29 april 2026 heeft de burgemeester aan verzoeker meegedeeld dat hij heeft besloten de woning te sluiten met ingang van 7 mei 2026. Aldus is niet gebleken van een tijdsverloop dat dusdanig is dat sluiting van de woning redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Hierom kon de burgemeester naar voorlopig oordeel de sluiting van de woning kwalificeren als een geschikt middel, in de zin van rechtsoverweging 9. van de uitspraak van 16 juli 2025 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de overzichtsuitspraak). De voorzieningenrechter zal daarom de noodzakelijkheid van de sluiting beoordelen.
Is de sluiting naar voorlopig oordeel noodzakelijk?
8. Anders dan verzoeker meent is naar voorlopig oordeel niet-relevant op welke schaal in drugs wordt gehandeld. Er is 30x een gebruikershoeveelheid van 0,5 gram harddrugs aangetroffen. De burgemeester heeft bij zijn besluit kunnen betrekken dat de politie in de woning een weegschaal met residu heeft aangetroffen, dat € 435 is aangetroffen in een vaas, en dat notities zijn gevonden die ambtshalve door de politie werden herkend als gewichten met betrekking tot het verpakken van een grote verpakking en een kleine verpakking cocaïne. In de bestuurlijke rapportage van 19 maart 2026 staat dat de indicatieve test die is gedaan op de aangetroffen middelen in de richting wijzen van cocaïne. Weliswaar wordt dat door verzoeker betwist, maar niet-aannemelijk is gemaakt dat het gaat om een ander middel dan cocaïne. Naar voorlopig oordeel is niet van belang of dergelijke handel al dan niet heeft plaatsgevonden met een winstoogmerk bij verzoeker. Artikel 13b van de Opiumwet maakt een dergelijk onderscheid niet. Hierom kon de burgemeester naar voorlopig oordeel de sluiting van de woning kwalificeren als een noodzakelijk middel, in de zin van rechtsoverweging 10.2. van de overzichtsuitspraak. De voorzieningenrechter zal daarom de evenwichtigheid van de sluiting beoordelen.
Is de sluiting naar voorlopig oordeel evenwichtig?
9. Ter zitting is ook gesproken over de evenwichtigheid van de maatregel. In dat verband is van belang dat niet is gebleken van een bijzondere binding van [verzoeker] met de woning. Weliswaar is hij vader van drie kinderen, maar die kinderen wonen momenteel niet bij hem in de woning. Evenmin heeft hij momenteel het gezag over de drie kinderen. Dat [verzoeker] de woning verliest is inherent aan de sluitingsmaatregel en onder deze omstandigheden niet zodanig onevenredig dat de burgemeester, in afwijking van zijn beleid, niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor een sluiting van de woning voor de duur van zes maanden. De burgemeester heeft daarbij kunnen betrekken dat de woning ligt in een wijk die kwetsbaar is voor drugscriminaliteit. Daarnaast kan [verzoeker] zijn kinderen ontmoeten op een andere locatie dan in de woning.
Conclusie en gevolgen
10. Naar voorlopig oordeel heeft het bezwaar tegen het primaire besluit geen redelijke kans van slagen, zodat hierin geen reden is gelegen voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarom zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.
11. Griffierecht en proceskosten hoeven niet te worden vergoed.
12. Het voorgaande betekent dat de maatregel van sluiting voor de duur van zes maanden in stand blijft. Niet kan worden uitgesloten dat de woning rechtmatig in gebruik is ten tijde van deze uitspraak, gelet op de toezegging van de burgemeester om de sluiting van de woning op te schorten in afwachting van deze uitspraak. Daarom zal de voorzieningenrechter bepalen dat de sluiting ingaat op maandag 1 juni 2026 om 11.00 uur en eindigt op dinsdag 1 december 2026 om 11.00 uur, zodat aan verzoeker een korte periode wordt geboden om de woning te verlaten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.A. Bekking, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bijlage: de voor deze uitspraak belangrijke wetgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Opiumwet
Artikel 13b
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, artikel 10c, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
2. […]
Lijst I