[naam uit plaats] , verzoeker
en
Gedeputeerde Staten van Groningen
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker gedateerd 16 januari 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Onder “kennelijk” wordt verstaan dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is.
Bij besluit van 17 maart 2026 ( [nummer ] ) heeft Gedeputeerde Staten aan verzoeker het volgende meegedeeld.
“Uw Woo-verzoek
Op 16 januari 2026 hebben wij uw verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ontvangen. In uw verzoek vraagt u om het volgende:
“Ten einde de komende onderzoeksvragen [van] mr. L. Wijnbergen van Trip Advocaten [van] antwoord te kunnen voorzien verzoekt ondergetekende als belanghebbende de provincie Groningen om het overzicht van omslagen [van] ingediende gemeentelijke aanvragen met bijlagen als grondslag ingevolge het Kanalenreglement Groningen voor de periode 1983 tot en met 2018. Indien noodzakelijk voor het uit te voeren onderzoek behoudt ondergetekende zich het recht voor om in tweede instantie tevens inzage te vragen in zowel de gemeentelijke aanvragen als de verstrekte provinciale vergunningsadviezen, vergunningen en ontheffingen, hierna ook te noemen te verstrekken provinciale vergunningsadviezen.”
[…]
Besluit
De Woo geeft recht op toegang tot informatie voor zover die informatie [is] neergelegd in documenten die berusten bij een bestuursorgaan (of onder zijn verantwoordelijkheid) (artikelen 1.1, 2.1 en 4.1 Woo). Wanneer documenten niet bij het bestuursorgaan berusten, kan het Woo‑verzoek niet worden ingewilligd.
Wij wijzen uw Woo-verzoek daarom af op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Woo, omdat de gevraagde documenten niet bij de provincie aanwezig zijn.”
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Verzoeker is bij brief van 7 mei 2026 verzocht om uiterlijk maandag 11 mei 2026, 12.00 per e-mailbericht, onder meer, te onderbouwen (zo mogelijk met stukken) welke spoedeisende belangen het treffen van een voorlopige voorziening vereisen.
3. Verzoeker heeft niet onderbouwd welke spoedeisende belangen het treffen van een voorlopige voorziening vereisen. De conclusie is dat van een spoedeisend belang in de zin van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb niet is gebleken. Daarover is redelijerwijs geen twijfel mogelijk.
4. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift ook verzocht om aanhouding van de beroepszaak die is ingeschreven onder zaaknummer LEE 25/2597 BESLU. Daarover zal verzoeker een aparte brief ontvangen van de griffier van de rechtbank.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: