ECLI:NL:RBNNE:2026:2158

ECLI:NL:RBNNE:2026:2158

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 29-05-2026
Datum publicatie 03-06-2026
Zaaknummer C/18/252951 / JE RK 26-267
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Schending meldingsplicht inspectie bij ernstige veiligheidsincidenten in accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Vaststaat dat van de herhaalde ontvluchtingen én van het door de sprong uit het raam opgelopen letsel géén melding is gedaan bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Dit had, gelet op de ernst van het incident, het opgelopen lichamelijk letsel en het herhaaldelijk falen van de beveiliging in een gesloten setting, wél behoren te gebeuren, omdat dergelijke voorvallen kwalificeren als (ernstige) calamiteiten dan wel geweldsincidenten in de zorg die onder het wettelijk meldregime bij de IGJ vallen. Het uitblijven van een dergelijke melding wordt door de kinderrechter als een relevante omstandigheid betrokken bij de beoordeling van de veiligheid en de kwaliteit van de geboden hulpverlening. Door het ontbreken van onderzoek naar de wegloopincidenten ontbreekt ook het inzicht dat mogelijk de instelling kampt met een structureel ontoereikend toezicht wat een risico met zich brengt voor de veiligheid van kwetsbare jongeren die gesloten zijn geplaatst. De jeugdbeschermers van de GI hebben toegezegd de incidenten en ook het niet melden door Elker en het eigen verzuim te melden, alsnog te melden bij de IGJ.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rekestnummer: C/18/252951 / JE RK 26-267

Beschikking van 29 mei 2026 over de machtiging gesloten jeugdhulp

in de zaak van

de gecertificeerde instelling

Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

die is gevestigd in Groningen,

en die hierna "de GI" wordt genoemd.

over

[naam kind] ,

die hierna "[naam kind]" wordt genoemd,

advocaat: mr. J. Klopstra, die kantoor houdt in Stadskanaal.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

die woont in [woonplaats moeder],

en die hierna "de moeder" wordt genoemd,

advocaat: mr. M.J. Flach, die kantoor houdt in Groningen,

en

[naam vader] ,

die woont in [woonplaats vader] (Frankrijk),

en die hierna "de vader" wordt genoemd,

advocaat: mr. M.J. Flach, die kantoor houdt in Groningen.

1. Het (verdere) procesverloop

Op 3 maart 2026 heeft de kinderrechter een beschikking gegeven. De kinderrechter heeft een machtiging gesloten jeugdhulp verleend ten aanzien van [naam kind] voor de duur van drie maanden, met ingang van 3 maart 2026 tot 3 juni 2026. De kinderrechter heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

Op zowel 16 maart als 27 maart 2026 heeft de rechtbank een brief ontvangen van de GI.

Op 22 mei 2026 heeft de rechtbank stukken ontvangen van de GI.

Op 29 mei 2026 heeft de kinderrechter het verzoek verder mondeling behandeld. Hij heeft toen gesproken met [naam kind], haar advocaat, de ouders, hun advocaat en [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] die de GI vertegenwoordigen.

De kinderrechter heeft direct na de mondelinge behandeling uitspraak gedaan en aangekondigd dat de gronden waarop de uitspraak rust schriftelijk zullen worden uitgewerkt in deze beschikking.

2. De (verdere) beoordeling

Ten aanzien van [naam kind] is op 3 maart 2026 een machtiging gesloten jeugdhulp verleend. Die machtiging is verleend omdat [naam kind] zich stelselmatig onttrok of werd onttrokken aan de jeugdhulp die zij dringend nodig heeft om tot een voor haar zo gezond en optimaal mogelijke ontwikkeling te komen. Ook een aannemelijk gemaakt risico op loverboyproblematiek maakte een dergelijke machtiging noodzakelijk. Vanwege het ingrijpende karakter van een machtiging gesloten jeugdhulp en de wil om [naam kind] perspectief te geven op een plaatsing in een open accommodatie, heeft de kinderrechter de machtiging eerst verleend voor een kortere duur dan door de GI is verzocht. De kinderrechter dient nu een beslissing te nemen op die resterende duur van het verzoek. Hij zal de machtiging verlenen voor de resterende duur. De kinderrechter neemt die beslissing op grond van de navolgende feiten en omstandigheden die blijken uit wat na de vorige beschikking is gerapporteerd en wat tijdens de mondelinge behandeling op 29 mei 2026 is verteld.

[naam kind] is op 18 februari geplaatst in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp van de hulpverlenende instantie Elker. Kort na haar plaatsing is zij voor het eerst weggelopen; zij werd na ongeveer een half uur in de directe omgeving van het gebouw aangetroffen. Op 15 maart 2026 is [naam kind] opnieuw weggelopen. Zij is daarbij vanuit de tweede verdieping naar beneden gesprongen en heeft haar telefoon meegenomen. Door deze sprong heeft [naam kind] haar voet gebroken. Nadat zij als vermist was opgegeven, is zij op 19 maart in [plaatsnaam in Duitsland] (Duitsland) aangetroffen en vervolgens door GGZ‑vervoer teruggebracht naar Nederland.

Op 20 april 2026 ontstonden ernstige zorgen rond een verlofmoment. [naam kind] gaf vooraf aan dat zij van plan was weg te lopen. Zij heeft zich gedurende ongeveer vier uur opgemaakt en klaargemaakt, waarbij zij zelf het tijdstip bepaalde waarop zij wilde vertrekken. Zij is door de begeleiding op een bankje aangetroffen en keerde ruim na afloop van haar verloftijd terug naar de groep. Op 22 april 2026 is [naam kind] opnieuw weggelopen. Zij is samen met een groepsgenoot achter monteurs aan naar buiten gelopen en later in een bus aangetroffen, waarna de politie beiden heeft teruggebracht naar Elker. Op 24 april 2026 is [naam kind] tijdens een begeleid verlof opnieuw, samen met een groepsgenoot, weggelopen; zij is door de politie uit de trein gehaald en teruggebracht naar Elker. Op 9 mei 2026 was [naam kind] betrokken bij ongeregeldheden op de groep; in de nacht is zij door de politie aangehouden en is aangifte gedaan van vernieling.

Sinds haar plaatsing in de gesloten instelling heeft [naam kind] meerdere keren geprobeerd weg te lopen, waaronder eenmaal tot in Duitsland. Zij vindt steeds nieuwe manieren om zich aan de jeugdbeschermingsmaatregel te onttrekken, zoals uit een raam springen, gebruikmaken van een gestolen toegangspas, tijdens verlof plotseling wegrennen, samen met een groepsgenoot ongezien vertrekken en achter monteurs aan naar buiten lopen. Door dit gedrag is het voor de jeugdbeschermers van de GI niet mogelijk gebleken haar voldoende te beschermen en stabiele begeleiding te bieden. Iedere keer dat [naam kind] wegloopt, brengt zij zichzelf mogelijk in gevaar en wordt haar mogelijkheid tot een gezonde en voor haar optimale ontwikkeling onderbroken. Omdat de jeugdbeschermers van de GI bovendien onvoldoende zicht hebben op haar netwerk en de contacten die zij onderhoudt, kunnen zij niet goed inschatten aan welke risico’s en negatieve invloeden [naam kind] zich buiten de instelling blootstelt.

Vaststaat dat van de herhaalde ontvluchtingen én van het door de sprong uit het raam opgelopen letsel géén melding is gedaan bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Dit had, gelet op de ernst van het incident, het opgelopen lichamelijk letsel en het herhaaldelijk falen van de beveiliging in een gesloten setting, wél behoren te gebeuren, omdat dergelijke voorvallen kwalificeren als (ernstige) calamiteiten dan wel geweldsincidenten in de zorg die onder het wettelijk meldregime bij de IGJ vallen. Het uitblijven van een dergelijke melding wordt door de kinderrechter als een relevante omstandigheid betrokken bij de beoordeling van de veiligheid en de kwaliteit van de geboden hulpverlening. Door het ontbreken van onderzoek naar de wegloopincidenten ontbreekt ook het inzicht dat mogelijk de instelling kampt met een structureel ontoereikend toezicht wat een risico met zich brengt voor de veiligheid van kwetsbare jongeren die gesloten zijn geplaatst. De jeugdbeschermers van de GI hebben toegezegd de incidenten en ook het niet melden door Elker en het eigen verzuim te melden, alsnog te melden bij de IGJ.

In verband met de geschetste risico’s is door de jeugdbeschermers van de GI contact gelegd met de afdeling Mensenhandel van de politie en met het Zorg‑ en Veiligheidshuis. Inmiddels is er een vaste contactpersoon bij de politie die de casus van [naam kind] in behandeling heeft. Via Europol is informatie binnengekomen dat [naam kind] in Duitsland is aangetroffen bij een, zoals de GI dat benoemd zonder daarover verdere duiding te geven, jongen met (seksuele) antecedenten. Europol heeft daarop een informatieverzoek uitgezet bij de politie in [plaatsnaam in Duitsland]. Ook heeft overleg plaatsgevonden met de officier van justitie, onder meer over de mogelijkheid om de telefoon van [naam kind] in beslag te nemen teneinde meer inzicht te verkrijgen in haar contacten. De officier van justitie heeft vooralsnog aangegeven de verdere stappen af te laten hangen van de uitkomst van het onderzoek in [plaatsnaam in Duitsland] en de vraag of daar een strafrechtelijk onderzoek loopt. Op dit moment blijft het zicht op [naam kind] sociale netwerk beperkt en is het risico op weglopen groot, waardoor haar veiligheid onvoldoende kan worden gewaarborgd en de rust ontbreekt die nodig is voor haar behandeling en ontwikkeling.

Ten aanzien van de leeftijd van [naam kind] bestaat veel onduidelijkheid. In de laatste beschikking van 3 maart 2026 wordt haar geboortedatum ([maand] 2010) niet langer vermeld. In rechtsoverweging 2.2 is opgenomen dat het een minderjarig [naam kind] betreft van wie de leeftijd niet met zekerheid kan worden vastgesteld, terwijl onder 2.6 de uitkomsten van het Duitse politieonderzoek zijn weergegeven. Volgens de informatie uit dat Duitse onderzoek is [naam kind] ten tijde van de zitting reeds zeventien jaar. De GI gaat ervan uit dat de rechtbank bij de uitvoering eveneens zal aansluiten bij de leeftijd zoals vastgesteld in het Duitse onderzoek, nu dit directe gevolgen heeft voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, onder meer ten aanzien van haar mogelijkheden om zelfstandig (medische) beslissingen te nemen, haar privacyrechten en de duur van de maatregel. De GI verzoekt de rechtbank daarom in de beschikking duidelijk aan te geven van welke geboortedatum en leeftijd wordt uitgegaan. De advocaat van de ouders heeft daarentegen de kinderrechter verzocht uit te gaan van de eerst opgegeven datum van geboorte, omdat niet blijkt hoe het forensische onderzoek van de Duitse autoriteiten tot vaststelling van [naam kind] haar minimale leeftijd is gekomen.

De kinderrechter kan bij gebrek aan duidelijkheid daarover de leeftijd van [naam kind] niet vaststellen. Wel kan en moet hij, zoals in eerdere beschikkingen uiteen is gezet, ervan uitgaan dat zij nog steeds en in ieder geval voor de duur van de te verlenen machtiging minderjarig is.

Wat het verloop bij Elker betreft, wordt door de groepsleiding ondanks de genoemde incidenten gerapporteerd dat het contact met [naam kind] overwegend positief verloopt. Zij is goed aanspreekbaar, vriendelijk in het contact met de begeleiding en functioneert op school naar behoren. Zij is op school steeds aanwezig, behaalt goede cijfers en presteert ook bij de praktijkvakken goed. [naam kind] heeft daarnaast regelmatig gesprekken in het kader van haar ontwikkeling.

Ten aanzien van diagnostiek merken de jeugdbeschermers van de GI op dat [naam kind] is aangemeld bij drie verschillende instanties die op dit moment de kortste wachttijden hanteren. Desondanks bestaan er twijfels of het diagnostisch traject op dit moment daadwerkelijk van de grond zal komen. Elker signaleert dat [naam kind] nog in de overlevingsstand staat en verwacht dat zij daardoor mogelijk niet voldoende openheid zal geven in het diagnostisch onderzoek. Daarnaast wordt geconstateerd dat reguliere diagnostiek vermoedelijk niet toereikend is voor de complexiteit van haar problematiek. De jeugdbeschermers van de GI achten het daarom wenselijk dat de kinderrechter een onderzoek via het NIFP in overweging neemt.

[naam kind] zelf heeft de kinderrechter verzocht de machtiging te verlenen, omdat zij zich goed en veilig voelt in de instelling waar zij nu verblijft.

De voorgaande feiten, omstandigheden en overwegingen maken duidelijk dat de machtiging voor de resterende duur op de wet kan worden gegrond en op dit moment ook in het belang van [naam kind] noodzakelijk is. De kinderrechter neemt daarom de volgende beslissing.

3. De beslissing

De kinderrechter:

verleent een machtiging gesloten jeugdhulp ten aanzien van [naam kind] tot 3 september 2026.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, bijgestaan door M.C. Boskma LLM., griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 3 juni 2026.

Als u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet meestal binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand