RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] en [eiseres] , uit [woonplaats] , eisers
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/5111
(gemachtigde: P. Meles),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Fryske Marren, het college
(gemachtigde: W.A. Jonker).
1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van een last onder dwangsom aan eisers omdat zij hun recreatiewoning permanent bewoond hebben. Deze uitspraak gaat ook over de invordering van een dwangsom bij [eiser] (eiser). Eisers zijn het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom en de invordering van een dwangsom. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de last onder dwangsom op deze wijze op heeft kunnen leggen en of het college over kon gaan tot invordering van de verbeurde dwangsom.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de hoogte van de dwangsom in strijd met het eigen beleid heeft vastgesteld. De rechtbank komt verder tot het oordeel dat het college de feiten en omstandigheden waaruit de overtreding van de last door eiser blijkt, niet deugdelijk vastgesteld heeft. Het besluit tot invordering is daarom niet zorgvuldig voorbereid. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank voorziet (deels) zelf in de zaak door de hoogte van de dwangsom vast te stellen op € 1.500,- per week met een maximum van € 15.000,-. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen:
- Heeft het college deugdelijk gemotiveerd waarom een dwangsom van € 15.000,- ineens is opgelegd?
- Heeft het college de overtreding vast kunnen stellen op basis van de door het college gebruikte gegevens en omstandigheden?
Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Het college heeft eisers bij besluit van 18 maart 2024 een last onder dwangsom opgelegd vanwege de illegale bewoning van hun recreatiewoning. Met het bestreden besluit van 19 november 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.
Het college heeft bij besluit van 29 juli 2024 de verbeurde dwangsom ingevorderd. Dit besluit is alleen gericht aan eiser.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het invorderingsbesluit. Het invorderingsbesluit is onderdeel van deze beroepsprocedure. Het college heeft het bezwaar daarom aan de rechtbank doorgezonden.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Toepasselijk recht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Het oude recht blijft van toepassing als het bestuursorgaan voor 1 januari 2024 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom heeft verstuurd en de betrokkene in de gelegenheid heeft gesteld daarop een zienswijze te geven.
Omdat het college het voornemen heeft verstuurd voor 1 januari 2024 met de mogelijkheid tot het geven van een zienswijze (en er ook onder het nieuwe recht sprake zou zijn van een overtreding), blijft in dit geval het oude recht van toepassing.
Het oude recht is in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het college heeft het bestreden besluit daarom ten onrechte gebaseerd op de Ow. Omdat de materiële normen echter gelijk zijn en de overtreden regel van het bestemmingsplan zowel in de nieuwe situatie als in de oude situatie geldt, is de rechtbank van oordeel dat eisers hierdoor niet zijn benadeeld. De rechtbank zal het gebrek passeren.
Feiten en omstandigheden
4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eisers zijn eigenaar van een recreatiewoning op het perceel [adres] in [plaats] (het perceel). Op 14 november 2023 hebben eisers zich in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het perceel.
Ter plaatse gold het bestemmingsplan ‘Rohel’ (bestemmingsplan). Op grond van dit bestemmingsplan had het perceel een recreatiebestemming. Op grond van de specifieke gebruiksregels van het bestemmingsplan was het gebruik van de gronden en bouwwerken voor permanente bewoning in strijd met de recreatiebestemming.
Het college heeft eisers een last onder dwangsom opgelegd. Eisers zijn gelast om voor 1 juli 2024 de strijdigheid op het perceel te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kunnen eisers doen door te verhuizen en ergens anders te gaan wonen, dus daar hun woonverblijf te nemen. Als eisers niet aan de last voldoen, dan verbeuren zij een dwangsom van € 15.000,- ineens.
Op 1 juli 2024 heeft [eiseres] (eiseres) zich in de BRP ingeschreven op een ander adres.
In het besluit van 29 juli 2024 heeft het college de verbeurde dwangsom van €15.000.- bij eiser ingevorderd.
Op 30 augustus 2024 heeft eiser zich in de BRP ingeschreven op hetzelfde adres als eiseres.
Besluit last onder dwangsom
Overtreding
5. Het staat tussen partijen niet ter discussie dat sprake is van een overtreding, omdat bewoning van een recreatiewoning in strijd is met de regels van het bestemmingsplan en eisers geen vergunning hadden voor dit ‘strijdige gebruik’.
Hoogte dwangsom
6. Eisers stellen dat het college de hoogte van de dwangsom ten onrechte vastgesteld heeft op € 15.000,- ineens. De ‘Beleidsnotitie onrechtmatige bewoning recreatiewoningen’ (beleidsnotitie), die het college daarbij als uitgangspunt neemt, wijkt af van de landelijke ‘Leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen’ (leidraad) en het eigen ‘Vergunningen, toezicht en handhavingsbeleid 2024-2027’ (VTH-beleid) van de gemeente. Daarin is het uitgangspunt een dwangsom van € 1.500,- per week voor maximaal tien weken. Het college wijkt hiervan af, terwijl in de beleidsnotitie staat dat het college aansluit bij de leidraad voor het vaststellen van de hoogte van de dwangsom.
Het college stelt zich op het standpunt dat het eigen beleid gevolgd is bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom. Het college verwijst naar de beleidsnotitie, waar een dwangsom wordt genoemd van € 15.000,- ineens. Dit komt ook overeen met het maximaal te verbeuren bedrag uit de leidraad en het VTH-beleid. Verder geeft een dwangsom van € 1.500,- per week een onvoldoende prikkel om de overtreding te beëindigen, omdat de kosten van het huren van een vakantiewoning, met name in het hoogseizoen, hoger dan € 1.500,- per week zijn. Het college heeft bovendien niet de capaciteit om wekelijks te controleren of de overtreding beëindigd is. Ter zitting heeft het college nog aangegeven dat het de leidraad, voor zover wordt uitgegaan van een bedrag van € 1.500,- per week, ziet als een verschrijving.
De rechtbank geeft eisers gelijk en overweegt het volgende.
Het bedrag van de dwangsom moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Een bestuursorgaan komt daarom bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom en het maximum van het te verbeuren bedrag een ruime mate van beleidsruimte toe. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft als doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
De rechtbank is van oordeel dat het college niet deugdelijk gemotiveerd heeft waarom aan de last een dwangsom van € 15.000,- ineens is verbonden. Het college verwijst daarvoor naar de beleidsnotitie waar een dwangsom van € 15.000,- ineens wordt genoemd. De beleidsnotitie is echter in werking getreden op 29 september 2017, terwijl het VTH-beleid van de gemeente op 25 augustus 2023 in werking getreden is. In dit nieuwere VTH-beleid wordt expliciet aangesloten bij de leidraad. De leidraad is ook als bijlage C bij het VTH-beleid opgenomen. In de leidraad is ‘Permanente bewoning recreatiewoningen’ als een overtreding met beperkte gevolgen opgenomen. Als passende sanctie noemt de leidraad een dwangsom van € 1.500,- per week, die maximaal tien keer verbeurd kan worden.
Het college heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom de beleidsnotitie gevolgd wordt en niet het later vastgestelde VTH-beleid en de leidraad. Het college heeft niet duidelijk kunnen maken waaruit de verschrijving in de leidraad bestaat. De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat sprake is van een verschrijving, omdat de gevolgen van de overtreding concreet als ‘beperkt’ zijn vastgesteld en daarbij past - gelet op de inhoud van de tabel in de leidraad - een dwangsom van € 1.500,- per week. De verschrijving zou in dat geval op drie punten gemaakt moeten zijn, namelijk op het punt van de gevolgen van de overtreding, de hoogte van de dwangsom en de tijdseenheid. Dit acht de rechtbank onaannemelijk.
In het VTH-beleid staat dat het college in beginsel gebruik maakt van standaard hersteltermijnen en standaard sanctiebedragen en daarvoor aansluit bij de leidraad. Als het gaat om een specifieke of uitzonderlijke situatie, kan het college gemotiveerd afwijken van de termijnen en bedragen die zijn benoemd in de leidraad.
Het college heeft in deze zaak onvoldoende gemotiveerd waarom het is afgeweken van de leidraad en waarom een dwangsom van € 15.000,- ineens in dit geval noodzakelijk is. De algemene stelling dat een vakantiewoning in het hoogseizoen meer dan € 1.500,- per week kost en dat een dwangsom van € 1.500,- per week dus een onvoldoende prikkel geeft om de overtreding te beëindigen, is daarvoor onvoldoende. In het VTH-beleid en de leidraad is namelijk als uitgangspunt opgenomen dat een dwangsom een prikkel moet vormen om aan de overtreding te voldoen. In dat licht is voor permanente bewoning van een vakantiewoning een dwangsom van € 1.500,- per week gekozen.
Het college heeft ook niet onderbouwd waarom een prikkel van € 1.500,- per week
in het specifieke geval van eisers, niet afdoende zou zijn geweest om eisers te bewegen om de overtreding te beëindigen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de vakantiewoning die eisers permanent hebben bewoond, van eisers is. Van een huursom van € 1.500,- per week is daarom geen sprake.
Dat het college onvoldoende capaciteit heeft om wekelijks op overtredingen te controleren, betekent niet dat het college niet aan zijn eigen beleidsregels hoeft te voldoen.
Voor zover het college heeft willen betogen dat het beleid al beoordeeld en goed bevonden is door deze rechtbank, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Uit de door het college genoemde uitspraak van 4 oktober 2024 volgt namelijk dat, anders dan in deze zaak, het beleid niet betwist en dus niet beoordeeld is.
Het beroep tegen de last onder dwangsom is om deze reden gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het gaat om de hoogte van de dwangsom en zelf in de zaak voorzien. Het college heeft namelijk op de zitting geen specifieke of uitzonderlijke feiten en omstandigheden kunnen noemen op grond waarvan volgens het eigen VTH-beleid kan worden afgeweken van de standaardhoogte van de dwangsom, zoals die volgt uit het VTH-beleid en de leidraad, en die zijn de rechtbank ook niet gebleken. De rechtbank zal ook het primaire besluit herroepen voor wat betreft de hoogte van de dwangsom. De rechtbank zal de hoogte van de dwangsom bepalen op € 1.500,- per week, maximaal tien keer te verbeuren.
Begunstigingstermijn
7. Eisers voeren aan dat het college de begunstigingstermijn had moeten verlengen, gelet op de wooncrisis en de persoonlijke (medische) omstandigheden van eisers. Het college heeft onevenredig en/of willekeurig gehandeld.
Het college stelt zich op het standpunt dat de begunstigingstermijn redelijk is, omdat het eiseres is gelukt om aan de last te voldoen.
De rechtbank volgt eisers niet. Bij het bepalen van de begunstigingstermijn geldt als uitgangspunt dat die termijn niet wezenlijk langer mag zijn dan nodig is om de overtreding te kunnen beëindigen. Een begunstigingstermijn mag ook niet korter zijn dan nodig is om de overtreding te kunnen beëindigen.
Het staat vast dat eisers sinds 20 december 2023 (de datum van het voornemen) wisten dat het college voornemens was om tegen de permanente bewoning van de recreatiewoning handhavend op te treden. In het primaire besluit van 18 maart 2024 heeft het college eisers de gelegenheid gegeven om de overtreding per 1 juli 2024 te beëindigen. Die termijn is in overeenstemming met het VTH-beleid, waarin een begunstigingstermijn van minimaal zes weken is opgenomen. De termijn is ook in overeenstemming met de beleidsnotitie waarin een begunstigingstermijn van drie maanden is opgenomen. Van onevenredig en/of willekeurig handelen door het college is de rechtbank niet gebleken. Bovendien staat vast dat eiseres zich per 1 juli 2024 op een ander adres heeft ingeschreven en daarmee volgens het college binnen de begunstigingstermijn de overtreding heeft beëindigd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Besluit invordering dwangsom
Ontvankelijkheid
8. Het college stelt in het verweerschrift, overigens anders dan in het verweerschrift gericht aan de bezwaarschriftencommissie, dat het bezwaarschrift tegen het invorderingsbesluit te laat is ingediend en dat het bezwaar daarom niet-ontvankelijk is.
De rechtbank volgt het college niet. De rechtbank stelt vast dat het college het invorderingsbesluit van 29 juli 2024 aan eiser heeft verzonden op 31 juli 2024. Dat betekent dat uiterlijk op 11 september 2024 bezwaar moest worden gemaakt. Het bezwaarschrift van 11 september 2024 is op 12 september 2024 door het college ontvangen. Dat is buiten de bezwaartermijn.
Als een bezwaarschrift echter per post is verstuurd, dan is het tijdig ingediend als het voor het einde van de bezwaartermijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn door het college is ontvangen. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat een verzonden poststuk in ieder geval wordt geacht tijdig op de post te zijn gedaan als het de eerste of tweede werkdag na de laatste dag van de bezwaartermijn is ontvangen.
Het college heeft niet weersproken dat het bezwaarschrift per aangetekende post aan het college is gestuurd. Het college heeft het bezwaarschrift op 12 september 2024, de eerste werkdag na de laatste dag van de bezwaartermijn, ontvangen. Verder is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan moeten worden aangenomen dat het bezwaarschrift later dan de laatste dag van de bezwaartermijn op de post is gedaan. Het bezwaarschrift wordt daarom geacht tijdig op de post te zijn gedaan. Dat betekent dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend en dat het bezwaar ontvankelijk is.
Omschrijving last
9. Eiser voert aan dat de last onduidelijk is over de strijd met het bestemmingsplan. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat de last wel duidelijk is, maar dat het college de last onjuist heeft uitgelegd, omdat de inschrijving in de BRP voor het college bepalend is. De rechtbank zal hierna beoordelen of het college de overtreding van de last zorgvuldig heeft vastgesteld.
Vaststellen overtreding
10. Eiser stelt dat het college ten onrechte een overtreding heeft vastgesteld en tot invordering van de dwangsom is overgegaan. Het college heeft de inschrijving in de BRP gecontroleerd, maar dat is niet bepalend voor de vraag waar iemand het hoofdverblijf heeft. Bepalend is waar feitelijk het hoofdverblijf was. Eisers hebben op 1 juli 2024 de sleutel gekregen van een andere (huur)woning en zijn toen begonnen met verhuizen. Eiser stelt in zijn bezwaar tegen het invorderingsbesluit dat zijn hoofdverblijf op 4 juli 2024 is verplaatst naar het nieuwe adres. In de aanvullende gronden van bezwaar heeft eiser gesteld dat zijn hoofdverblijf op 1 juli 2024 naar het nieuwe adres is verplaatst. Het centrum van sociale en maatschappelijke activiteiten van eisers lag sinds die datum namelijk niet meer op het recreatiepark. Eiser heeft daarmee aan de last voldaan.
Het college stelt zich op het standpunt dat eiser op 1 en 29 juli 2024 nog in de BRP stond ingeschreven op het adres van de recreatiewoning. Verder hebben eisers op de hoorzitting bevestigd dat zij sinds 4 juli 2024 permanent op het nieuwe adres wonen. Daarmee staat de overtreding vast en was er geen aanleiding om nadere controles uit te voeren. Eiser heeft zich pas per 30 augustus 2024 uitgeschreven van het recreatieadres.
De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank stelt voorop dat een dwangsom van rechtswege wordt verbeurd als niet aan de last onder dwangsom wordt voldaan. Verder moet bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een last onder dwangsom. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
Aan een invorderingsbesluit moet een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag liggen. Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom moet worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden moeten op een duidelijke wijze worden vastgelegd. Dat kan in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd. Voor zover de vastgestelde feiten en omstandigheden in een geschrift zijn vastgelegd, moet een inzichtelijke beschrijving worden gegeven van hetgeen is vastgesteld of waargenomen. Een schriftelijke rapportage moet voorts in beginsel zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening.
Partijen verschillen van mening over de vraag of eiser tijdig aan de last heeft voldaan.
Volgens het bestemmingsplan wordt onder permanente bewoning verstaan:
‘Bewoning als hoofdverblijf binnen de vaste woonplaats’.
Het bestemmingsplan definieert het hoofdverblijf als:
‘Het adres/de plaats die fungeert als het centrum van de sociale en maatschappelijke activiteiten van betrokkene, waarbij betrokkene moet zijn ingeschreven in de Gemeente Basisadministratie Persoonsgegevens op dat adres en/of betrokkene het adres heeft opgegeven bij de Belastingdienst als hoofdadres en/of uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat het adres als hoofdverblijf moet worden aangemerkt’.
De rechtbank leidt uit het invorderingsbesluit af dat het besluit alleen gebaseerd is op controles van de inschrijving in de BRP. Uit de definitie van hoofdverblijf in het bestemmingsplan blijkt echter dat de inschrijving in de BRP niet bepalend is voor de vaststelling van het hoofdverblijf. Ook uit vaste rechtspraak volgt dat de inschrijving in de BRP in het algemeen een aanwijzing oplevert dat het hoofdverblijf de plaats van inschrijving in de BRP is. Zijn er feiten of omstandigheden die erop wijzen dat het hoofdverblijf ergens anders is, dan moet het college deze omstandigheden onderzoeken en deze omstandigheden ook meenemen in de besluitvorming.
Het staat vast dat eiseres zich op 1 juli 2024 heeft ingeschreven op een ander adres. Verder volgt uit het (enige) controlerapport van 2 juli 2024 dat de recreatiewoning geen bewoonde indruk maakt. Weliswaar heeft het college op de zitting gesteld dat in dat rapport sprake is van een verschrijving, maar het college heeft dit niet onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om uit te gaan van een verschrijving in het rapport. Hoewel het college op de zitting heeft gesteld dat de inschrijving in de BRP niet bepalend, maar leidend is, heeft het college ten onrechte geen nader onderzoek gedaan naar deze omstandigheden.
De gronden van bezwaar van 17 oktober 2024 en 21 januari 2025 en de verklaring van eiser op de hoorzitting van 22 januari 2025 waar het college naar verwijst, zijn van ná het invorderingsbesluit. Deze verklaringen heeft het college dus niet ten grondslag kunnen leggen aan het invorderingsbesluit. Die verklaringen waren dus ook niet redengevend voor het college om geen nader onderzoek/nadere controles te hoeven doen.
De rechtbank is van oordeel dat het college door alleen de BRP te controleren de verbeurte van een dwangsom niet heeft kunnen vaststellen. Het invorderingsbesluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
Op grond van eisers eigen verklaringen kan echter worden vastgesteld dat eiser van rechtswege één dwangsom heeft verbeurd. Het college heeft in het verweerschrift terecht verwezen naar de gronden van bezwaar van 17 oktober 2024 en de verklaring van eiser tijdens de hoorzitting van 22 januari 2025. Namens eiser is in de gronden van bezwaar van 17 oktober 2024 ondubbelzinnig gesteld dat het hoofdverblijf van eiser op 4 juli 2024 is verplaatst naar het nieuwe adres en dat het recreatieadres per die datum niet meer als hoofdverblijf is aan te merken. De bezwaarschriftencommissie heeft opgemerkt dat de datum van 4 juli 2024 niet meer wordt genoemd in de aanvullende gronden van bezwaar van 21 januari 2025 en heeft eiser tijdens de hoorzitting van 22 januari 2025 gevraagd wat de juiste datum is waarop het hoofdverblijf is verplaatst. Eiser heeft daarop geantwoord dat het hoofdverblijf op 4 juli 2024 is verplaatst naar het nieuwe adres. Dit komt overeen met de verklaring van eiser op de zitting dat hij sinds 4 juli 2024 op het nieuwe adres slaapt.
Het beroep is gegrond, omdat het college het invorderingsbesluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Naar het oordeel van de rechtbank staat echter wel vast dat eiser niet op tijd aan de last onder dwangsom heeft voldaan en van rechtswege één dwangsom heeft verbeurd. Het gaat daarbij om een overtreding van de last van één week. Overtreding van een langere duur kan niet (meer) worden vastgesteld. Zoals hiervoor overwogen, is de enkele omstandigheid dat eiser per 30 augustus 2024 is uitgeschreven van het recreatieadres, gelet op de omstandigheden in dit geval, onvoldoende om aan te kunnen nemen dat eiser tot die datum zijn hoofdverblijf in de recreatiewoning had.
De rechtbank zal het invorderingsbesluit vernietigen. Met het oog op het rechtszekerheidsbeginsel acht de rechtbank het van belang dat het college voor eiser een nieuw invorderingsbesluit neemt. Het college moet daarbij ex nunc beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn om van invordering af te zien, mede in het licht van de gebreken in de besluiten. Het college zal eiser opnieuw in de gelegenheid moeten stellen om zijn zienswijze op een eventueel voornemen tot invordering te geven.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Het beroep is ook gegrond omdat het invorderingsbesluit onzorgvuldig is voorbereid. Dit betekent dat het bestreden besluit en het invorderingsbesluit niet in stand kunnen blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het gaat om de hoogte van de dwangsom. De rechtbank vernietigt ook het invorderingsbesluit.
De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak over de last onder dwangsom te voorzien, in die zin dat de rechtbank het primaire besluit van 18 maart 2024 zal herroepen voor zover het gaat om de hoogte van de dwangsom. De rechtbank zal ook bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit en bepaalt de dwangsom op € 1.500,- per week met een maximum van € 15.000,-.
De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien ten aanzien van de invordering, omdat het college nog moet beoordelen of er ten aanzien van eiser sprake is van bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien. Hoewel op de zitting enkele omstandigheden besproken zijn, acht de rechtbank het aangewezen - ook gezien de gebreken in beide besluiten - dat het college hier opnieuw een afweging in maakt. De rechtbank draagt het college daarom op om een nieuw besluit over eventuele invordering van een verbeurde dwangsom te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor acht weken.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt voor de kosten in beroep € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Het college moet ook de kosten die eisers in bezwaar tegen het invorderingsbesluit gemaakt hebben vergoeden. De gemachtigde van eisers heeft een bezwaarschrift ingediend en heeft deelgenomen aan de hoorzitting. De vergoeding voor de kosten in bezwaar bedraagt € 1.332,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 19 november 2024 (bestreden besluit) voor zover de hoogte van de dwangsom gesteld is op € 15.000,- ineens;
- herroept het besluit van 18 maart 2024 voor zover de hoogte van de dwangsom gesteld is op € 15.000,- ineens;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit en bepaalt de dwangsom op € 1.500,- per week tot een maximum van € 15.000,-;
- vernietigt het besluit van 31 juli 2024 (invorderingsbesluit);
- bepaalt dat het college binnen acht weken na verzending van deze uitspraak ten aanzien van eiser een nieuw besluit over de invordering neemt, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Lok, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
De griffier is verhinderd
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.