ECLI:NL:RBNNE:2026:2167

ECLI:NL:RBNNE:2026:2167

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 29-05-2026
Datum publicatie 03-06-2026
Zaaknummer LEE 26/1548
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen omgevingsvergunning voor aanleggen uitweg. Vrees verzoekers ziet niet op uitweg maar op (gevolgen van) grondwerkzaamheden op golfbaan. Geen onverwijlde spoed. Verzoek is kennelijk ongegrond.

Uitspraak

[verzoekers], uit [plaats 1], verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen, het college

(gemachtigde: M. Ruessink).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats 2], de vergunninghouder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitrit op het perceel ten zuiden van [perceel] in [plaats 1]. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 12 mei 2026 verleend. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De vergunninghouder heeft op het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.

Verzoekers betogen dat de uitweg het mogelijk gaat maken dat de vergunninghouder kan beginnen met de aanleg van grootschalige bodemtoepassing op naast hun perceel gelegen golfbaan. Volgens verzoekers komen er zes meter hoge bergen direct naast hun perceel, door het storten van meer dan 40.000 kuub vervuilde industriegrond en baggerslip. Verzoekers stellen dat het weggetje waarover de grond wordt aangevoerd de enige toegangsweg tot hun huis is. Het weggetje is niet berekend op dergelijke zware transporten en zal drie jaren daarvoor worden gebruikt. Volgens verzoekers geeft de vergunninghouder in de vergunningaanvraag geen juiste weergave van de werkelijke situatie van de weg en het mogelijke vrachtverkeer. Het college heeft de vergunningverlening onvoldoende zorgvuldig voorbereid, heeft een ondeugdelijke feitelijke onderbouwing van de ontsluitingsroute gegeven, heeft een onjuiste planologische beoordeling gemaakt en heeft onjuiste belangenafweging gemaakt, aldus verzoekers.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het betoog van verzoekers onvoldoende grond oplevert voor het oordeel dat sprake is van de in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bedoelde ‘onverwijlde spoed’. In de door verzoekers gestelde vrees voor gebruik van de weg en het gebruik van de golfbaan ziet de voorzieningenrechter geen acute, onomkeerbare noodsituatie, waarvoor de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld. Daarbij is van belang dat die vrees niet ziet op het aanleggen van de uitrit zelf. Verzoekers zijn het niet oneens met de uitrit, maar met de mogelijke gevolgen van (de uitvoering van) grondwerkzaamheden op de golfbaan. De omgevingsvergunning van 12 mei 2026 gaat echter niet over die grondwerkzaamheden. Die vergunning gaat ook niet over het gebruik van de weg waaraan verzoekers wonen. Niet gebleken is dat de werkzaamheden om de uitrit aan te leggen onomkeerbare gevolgen zullen hebben. Daarnaast geeft de vergunninghouder aan eerst in overleg met de naaste buren te willen treden om tot een goede uitvoering van het grondwerk te komen, voordat de wal op de golfbaan wordt aangelegd. Er is verder geen spoedeisend belang gelegen in de wens van verzoekers om juridische duidelijkheid te krijgen over het realiseren van de uitweg en mogelijke gevolgen daarvan. De onderhavige verzoekschriftprocedure is daarvoor niet bedoeld. Verzoekers kunnen die wens aan de orde stellen in de lopende bezwaarprocedure. In die procedure moet het college een volledige heroverweging maken, waarbij het college de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Niet valt in te zien dat de bezwaarprocedure in dit geval niet kan worden afgewacht.

Nu geen sprake is van onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist, dient het verzoek om voorlopige voorziening te worden afgewezen.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.A. Schaapsmeerders

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand