RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 12118491 CV EXPL 26-1185
Verstekvonnis van 12 mei 2026
in de zaak van
Liquandum Capital GmbH,
te Berlijn,
eisende partij,
gemachtigde: Rosmalen Gerechtsdeurwaarders B.V.,
kenmerk gemachtigde: 25029734,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet in het geding verschenen.
1. De procedure
De eisende partij heeft bij dagvaarding, op de daarin geformuleerde gronden, gevorderd dat de gedaagde partij veroordeeld wordt om aan de eisende partij te betalen
€ 172,89, vermeerderd met rente en kosten.
Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
2. De beoordeling
Bevoegdheid en toepasselijk recht
De kantonrechter stelt vast dat het geschil een internationaal karakter heeft, omdat de eisende partij in Duitsland is gevestigd. Allereerst dient daarom ambtshalve te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht op het voorliggende geschil van toepassing is.
De kantonrechter overweegt daartoe het volgende. Artikel 18 lid 2 van de Brussel I bis Verordening bepaalt dat de rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld door de wederpartij bij de overeenkomst slechts kan worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft. De gedaagde partij is woonachtig in Nederland waardoor de Nederlandse kantonrechter bevoegd is om over de vordering te beslissen.
Over het toepasselijke recht overweegt de kantonrechter het volgende. Artikel 14 lid 1 van de Rome I verordening bepaalt dat de betrekkingen tussen cedent en cessionaris of tussen subrogant en gesubrogeerde uit hoofde van een contractuele subrogatie van een vordering op een andere persoon („de schuldenaar”) worden beheerst door het recht dat door deze verordening op de tussen hen bestaande overeenkomst van toepassing is. Door partijen is een keuze gemaakt ten aanzien van het toepasselijke recht. In artikel 17 van de algemene voorwaarden van de eisende partij staat dat op de overeenkomsten tussen een consument en de eisende partij het Nederlandse recht van toepassing is.
Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter toe aan de inhoudelijke beoordeling van het onderhavige geschil naar Nederlands recht.
De kantonrechter zal, nu zij heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is en het Nederlands recht van toepassing is in een procedure tussen de eisende partij en een Nederlandse consument, in volgende procedures van de eisende partij de bevoegdheid van de rechter en het toepasselijk recht niet meer uitdrukkelijk overwegen.
Inhoudelijke beoordeling
De onderhavige vordering ziet op een overeenkomst op afstand tussen een consument en een handelaar. Bij dat soort overeenkomsten moet de kantonrechter ambtshalve controleren of aan de informatieplichten als bedoeld in artikel 6:230m en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan. Bij een schending van de informatieplichten past de kantonrechter een sanctie toe. De onderhavige vordering op de gedaagde partij is uiteindelijk aan de eisende partij overgedragen.
De kantonrechter stelt vast dat aan de essentiële (pre)contractuele informatieverplichtingen is voldaan. De vordering komt de kantonrechter verder niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, met inachtneming van het volgende.
De veertiendagenbrief is verzonden naar een e-mailadres, maar het desbetreffende
e-mailadres wordt niet genoemd. De kantonrechter kan er niet vanuit gaan dat de betreffende e-mail de gedaagde partij heeft bereikt en dat er adequate incassomaatregelen hebben plaatsgevonden. De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten zal dan ook worden afgewezen.
De gedaagde partij zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen € 132,89, vermeerderd met de wettelijke rente over € 127,95 vanaf 20 januari 2026 tot de dag van betaling;
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten (inclusief nakosten), tot op heden aan de zijde van de eisende partij vastgesteld op: dagvaarding € 127,08, griffierecht
€ 139,00, salaris gemachtigde € 43,00 en nakosten € 21,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis - tot zover - uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af - voor zover nodig - het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.T. de Jonge en in het openbaar uitgesproken op
12 mei 2026.
typ: 64527
coll: