ECLI:NL:RBNNE:2026:2185

ECLI:NL:RBNNE:2026:2185

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 06-01-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer 11948332 \ AR VERZ 25-88
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Is sprake van een opzegging door werkgever? De kantonrechter oordeelt van wel en vernietigt de opzegging. Is ook sprake van een opzegging door werknemer? Opzegging van werknemer vereist een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring, die erop is gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. De kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van een opzegging door de werknemer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Groningen

Zaaknummer / rekestnummer: 11948332 \ AR VERZ 25-88

Beschikking van 6 januari 2026

in de zaak van

[verzoeker] ,

te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

gemachtigde: mr. R.M. van der Horn,

tegen

[verweerder] B.V.,

te [vestigingsplaats],

verwerende partij,

hierna te noemen: [verweerder],

gemachtigde: mr. D.Y. Li.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- de aanvullende producties en wijziging van de verzoeken van de zijde van [verzoeker] ;

- het verweerschrift;

- de aanvullende producties van de zijde van [verzoeker] ;

- de mondelinge behandeling van 4 december 2025, waar [verzoeker] is verschenen tezamen met [tolk] als tolk (tolknummer [nummer] ), bijgestaan door mr. R.M. van der Horn. Namens [verweerder] is verschenen [bestuurder] (bestuurder), bijgestaan door mrs. D.Y. Li en [naam] .

De beschikking is bepaald op vandaag.

2. De feiten

[verweerder] exploiteert een restaurant onder de naam [naam restaurant].

[verzoeker] is met ingang van 19 november 2019 in dienst getreden bij [verweerder] als [functie] . Op de arbeidsovereenkomst is de Horeca CAO (hierna: de cao) van toepassing verklaard. Per 1 juli 2025 betaalt [verweerder] aan [verzoeker] een bedrag van € 2.443,95 bruto per maand op basis van functiegroep 5 van de cao.

Vanaf de indiensttreding woonde [verzoeker] in een pand dat toebehoorde aan [verweerder] (hierna: het pand). Na enige tijd zijn de vrouw van [verzoeker] en hun dochters bij hem in komen wonen in het pand. In het pand wonen ook andere medewerkers van [verweerder].

Rond 21 augustus 2025 ontdekte [verzoeker] dat een van zijn dochters door een van de medewerkers van [verweerder] die ook in het pand woonde zou zijn misbruikt.

[verzoeker] heeft nadien verlof opgenomen.

Op 31 augustus 2025 heeft de heer [bestuurder] , die het restaurant runt en tevens de vader van de bestuurder is, [verzoeker] bezocht in de middag. In een van de zijde van [verzoeker] ingediende vertaalde transcriptie van het gesprek staat onder meer dat de heer [bestuurder] het volgende heeft gezegd:

“Als je niet komt, moet ik iemand anders aannemen. Als ik iemand anders aanneem, is deze plek weg.

(…)

Maar om iemand vinden om jou korte tijd te vervangen kan niet. Er hebben al mensen gebeld, snapje? Als je zeker weet dat je niet komt, dan moet ik iemand anders aannemen, begrijp je? Waarom Kom ik dan nog langs om het te vragen? Omdat ik weet hoe zwaar het is om met je hele gezin te verhuizen. Zeg niet dat het makkelijk is, toch? Ik weet dat het niet makkelijk is. Je hebt een gezin, geen huis... Soms vind je niets, snap je? Denk er goed over na. Maar vanavond heb ik iemand nodig.

Vanavond moet ik iemand een antwoord geven, snap je? Daarom heb ik met mijn dochter gesproken om het nog één keer te vragen. Bel me als jullie beslist hebben. Als jij niet kunt komen,moet ik iemand anders aannemen.

(…)

Bel me voor 10 uur vanavond. Ik moet die andere kandidaat nog antwoorden. Als die plek eenmaal bezet is dan heeft geen plek meer. Dan kan ik jullie niet meer helpen, ook al zou ik het willen. Zo gaat dat nu eenmaal in de horeca, toch? Goed, denk erover na. Ik ben hier alleen maar omdat we zo lang hebben samengewerkt.”

Op 31 augustus 2025 om 20:04 uur heeft [verzoeker] aan de heer [bestuurder] een WhatsApp-bericht verzonden. Een vertaling van dit e-mailbericht is door [verzoeker] ingediend, waarin staat opgenomen dat [verzoeker] heeft aangegeven dat hij geen manier ziet om te komen werken en hij verlof vraagt voor een tijdje.

Op 4 september 2025 is de heer [bestuurder] in het pand aanwezig geweest. De heer [bestuurder] heeft toen richting [verzoeker] aangegeven dat hij geen werk meer had.

[verzoeker] heeft op 8 oktober 2025 een e-mail verzonden aan [verweerder] waarin hij zichzelf aanduidt met: “Ik ben [verzoeker] , een voormalig werknemer die per 31 augustus 2025 uit dienst is getreden.” In deze e-mail heeft hij aangegeven dat er bij het UWV geregistreerd stond dat er in september 2025 nog inkomsten waren ontvangen, terwijl hij niets heeft ontvangen. Hij heeft daarbij gevraagd of er voor de maand september 2025 inkomsten zijn geregistreerd bij de Belastingdienst.

Op 8 oktober 2025 heeft [verweerder] onder meer het volgende per e-mail gereageerd:

“Op uw verzoek heb ik u uit dienst gemeld per 31-08-2025. Zie bijlage voor de nieuwe loonstrook van augustus.”

Op 8 oktober 2025 heeft [verzoeker] per e-mail gereageerd richting [verweerder]. In de email staat onder meer het volgende:

“Mijn ontslag was het gevolg van dwang en dreigementen van uw kant, en is derhalve onwettig.”

Op 23 oktober 2025 heeft [verzoeker] een e-mail verzonden naar [verweerder] waarin onder meer het volgende staat vermeld:

“Vanaf 8 oktober 2025 benadrukt u herhaaldelijk dat ik per 31 augustus 2025 ontslagen zou zijn. Heb ik ooit een schriftelijk ontslagaanvraag bij u ingediend? Op welke gronden heeft u dan mijn arbeidsovereenkomst eenzijdig beëindigd?”

3. Het geschil

[verzoeker] verzoekt – na wijziging van zijn verzoeken – om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de opzegging door [verweerder] per 31 augustus dan wel 1 september 2025 te vernietigen, primair wegens een ontslagverbod en subsidiair wegens het ontbreken van een geldige reden, subsidiair voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst niet op 31 augustus 2025 is geëindigd door een (vermeende) opzegging van [verzoeker] ;

II. [verweerder] te veroordelen de loonbetaling per 1 september 2025 te hervatten, tot 31 december 2025 € 2.645,41 bruto per maand exclusief vakantiegeld en vanaf 1 januari 2026 € 2.765,77, bruto per maand exclusief vakantiegeld;

III. [verweerder] te veroordelen tot het inschakelen van de bedrijfsarts om de (gedeeltelijke) arbeids(on)geschiktheid en (on)mogelijkheden (voor aangepast werk) te laten beoordelen;

IV. [verweerder] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.776,12 bruto aan achterstallig salaris over de periode 1 januari 2023 tot en met 30 november 2025, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente, te verminderen met de onverschuldigd betaalde eindafrekeningen in augustus 2025;

V. [verweerder] te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, het salaris van gemachtigde van [verzoeker] en het griffierecht daaronder begrepen, te voldoen binnen een week na dagtekening van de beschikking, en – voor het geval dat voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, te rekenen vanaf de termijn van voldoening, alsmede tot betaling van de nakosten ad € 131,00 zonder betekening en € 199,00 ingeval van betekening indien [verweerder] niet binnen een week na betekening heeft voldaan aan de beschikking.

Aan de verzoeken heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. [verzoeker] stelt dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd terwijl [verzoeker] arbeidsongeschikt was en er geen geldige reden voor de opzegging bestond. Primair verzoekt [verzoeker] daarom vernietiging van het ontslag. Subsidiair stelt [verzoeker] zich op het standpunt dat hij de arbeidsovereenkomst niet zelf heeft opgezegd en verzoekt hij om voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd door een opzegging van zijn zijde. Verder stelt [verzoeker] dat hij recht heeft op loon vanaf 1 september 2025 conform de cao en dat hij nog recht heeft op achterstallig salaris over de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 november 2025. [verzoeker] stelt daarnaast dat [verweerder] gehouden is om een bedrijfsarts in te schakelen.

[verweerder] verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken en voert daartoe het volgende aan. [verweerder] betwist dat zij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en stelt dat [verzoeker] de arbeidsovereenkomst zelf heeft opgezegd waardoor de arbeidsovereenkomst tot een einde is gekomen. Daarnaast voert zij aan dat zij geen loon verschuldigd is vanaf 1 september 2025, omdat [verzoeker] nadien geen arbeid heeft verricht en zich niet beschikbaar heeft gesteld en dit niet voor rekening van [verweerder] dient te komen. Verder doet zij een beroep op verrekening van het achterstallige loon met de vordering tot betaling van een gebruiksvergoeding voor de kosten van inwoning in het pand.

4. De beoordeling

Opzegging door [verweerder]

[verzoeker] verzoekt primair om vernietiging van de opzegging die door [verweerder] is gedaan en subsidiair om voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd door een (vermeende) opzegging van [verzoeker] . [verweerder] betwist dat zij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en stelt dat [verzoeker] de arbeidsovereenkomst zelf heeft opgezegd. [verzoeker] heeft dit betwist. De kantonrechter zal eerst ingaan op de vraag of [verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.

[verzoeker] stelt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verweerder] uit de volgende gedragingen en verklaringen valt af te leiden. Op 31 augustus 2025 had de heer [bestuurder] volgens hem aangegeven dat als hij de daaropvolgende dag niet op het werk zou verschijnen, de heer [bestuurder] iemand anders voor de functie zou aannemen en hij geen baan en huisvesting meer zou hebben. Daarna heeft [verzoeker] via WhatsApp om verlof gevraagd en is hij niet aan het werk gegaan. Hij heeft op dat WhatsApp-bericht geen reactie ontvangen. Vervolgens heeft de heer [bestuurder] op 4 september 2025 aan [verzoeker] medegedeeld dat hij geen werk meer had.

De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] er op basis van de gedragingen en verklaringen van de heer [bestuurder] gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd (artikelen 3:33 en 3:35 BW). In de vertaalde transcriptie van het gesprek van 31 augustus 2025 staat vermeld dat de heer [bestuurder] heeft aangegeven: “Als je zeker weet dat je niet komt, dan moet ik iemand anders aannemen, begrijp je? Waarom Kom ik dan nog langs om het te vragen? Omdat ik weet hoe zwaar het is om met je hele gezin te verhuizen” alsmede “Bel me voor 10 uur vanavond. Ik moet die andere kandidaat nog antwoorden. Als die plek eenmaal bezet is dan heeft geen plek meer. Dan kan ik jullie niet meer helpen, ook al zou ik het willen”. Dat dit door de heer [bestuurder] is gezegd is niet betwist. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] daaruit mocht afleiden dat hij zijn baan zou verliezen als hij de volgende dag niet op het werk zou verschijnen. Vervolgens heeft [verzoeker] verlof gevraagd, waarop hij geen reactie heeft ontvangen, en is hij de volgende dag niet op zijn werk verschenen. Niet weersproken is dat de heer [bestuurder] nadien op 4 september 2025 aan [verzoeker] heeft aangegeven dat [verzoeker] geen werk meer had. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] uit deze gedragingen en verklaringen mocht afleiden dat de arbeidsovereenkomst door [verweerder] was opgezegd.

Op grond van artikel 7:671 lid 1 BW kan een werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van één van de in dat artikel genoemde situaties. Door [verweerder] is niet gesteld dat sprake is van één van de in dat artikel genoemde situaties en daar is ook niet van gebleken. [verweerder] heeft ook geen reden aangevoerd voor de opzegging. Gelet daarop zal de kantonrechter de opzegging vernietigen op grond van artikel 7:681 lid 1 BW. Vanwege een gebrek aan belang zal niet nader worden gespecificeerd om welke reden de opzegging wordt vernietigd.

Opzegging door [verzoeker]

Hoewel niet wordt toegekomen aan het subsidiair verzochte, aangezien het primair verzochte wordt toegewezen, dient alsnog te worden beoordeeld of er een opzegging door [verzoeker] heeft plaatsgevonden gelet op de overige verzoeken die zijn ingesteld. Indien vast zou komen te staan dat [verzoeker] de arbeidsovereenkomst (ook) heeft opgezegd, zou de arbeidsovereenkomst daardoor tot een einde kunnen zijn gekomen.

[verweerder] stelt dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd door een opzegging van [verzoeker] . Daartoe voert zij aan dat [verzoeker] op 31 augustus 2025 aan [verweerder] heeft medegedeeld dat hij er niet langer meer wilde werken en ontslag nam. Ter zitting is door haar toegelicht dat tijdens het gesprek met de heer [bestuurder] door [verzoeker] is aangegeven dat hij er niet meer wilde werken. Verder blijkt volgens [verweerder] uit de gedragingen daarna ook dat [verzoeker] ontslag wilde nemen. [verzoeker] heeft na 31 augustus 2025 geen arbeid meer verricht, geen beschikbaarheid doorgegeven en zich op geen enkele wijze bij [verweerder] gemeld. Op 8 oktober 2025 heeft [verzoeker] vervolgens een e-mail gestuurd waarin hij zichzelf aanduidt als “een voormalig werknemer die per 31 augustus 2025 uit dienst is getreden”, waaruit volgens [verweerder] kan worden afgeleid dat hij uit dienst is getreden op zijn eigen verzoek. Ook heeft [verzoeker] een WW-uitkering aangevraagd hetgeen er volgens haar ook op duidt dat [verzoeker] er bewust van was dat het dienstverband was geëindigd en dat hij er niet van uitging dat hij nog verlof genoot. [verweerder] heeft ook naar voren gebracht dat zij het goed kon begrijpen dat [verzoeker] er gelet op de situatie niet meer wilde werken.

[verzoeker] betwist dat hij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, dat hij heeft aangegeven dat hij niet meer wilde werken bij [verweerder] en ontslag wilde nemen. [verzoeker] voert aan dat hij er juist van uitging dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst had beëindigd, zoals hiervoor reeds is besproken. [verzoeker] voert aan dat de gedragingen achteraf daardoor ook verklaard kunnen worden.

Volgens vaste rechtspraak vereist een opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring, die erop is gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem of haar kan hebben, zoals het mogelijk verlies van aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving, met name een werkloosheidsuitkering. In verband met die ernstige gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking. Onder omstandigheden kan op de werkgever een onderzoeksplicht rusten om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk wilde opzeggen en een verplichting om de werknemer over de gevolgen van de opzegging voor te lichten.

[verweerder] stelt dat zij de opzegging van [verzoeker] heeft mogen begrijpen uit de verklaring in het gesprek van 31 augustus 2025 van [verzoeker] dat hij er niet meer wilde werken en de gedragingen van [verzoeker] nadien. Door [verzoeker] is evenwel betwist dat hij dit heeft verklaard. In de vertaalde transcriptie van dit gesprek staat dit ook niet vermeld en de juistheid van deze transcriptie is door [verweerder] niet ter discussie gesteld. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat dit niet is vast komen te staan, nu elke verdere onderbouwing van de zijde van [verweerder] ontbreekt. De kantonrechter is gelet daarop van oordeel dat niet is gebleken van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de zijde van [verzoeker] die erop gericht was de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstellingen. [verzoeker] heeft ook naar voren gebracht dat hij via WhatsApp om verlof heeft gevraagd, hetgeen niet is betwist, en dit duidt ook niet op een ontslagname. Daarbij komt dat door [verzoeker] naar voren is gebracht dat zijn gedragingen nadien verklaard kunnen worden doordat hij ervan uitging dat de arbeidsovereenkomst door [verweerder] was beëindigd. Verder valt naar het oordeel van de kantonrechter uit de e-mail van 8 oktober 2025 ook niet af te leiden dat [verzoeker] van mening was dat hij op eigen initiatief uit dienst was getreden en blijkt uit de emails daarna die afkomstig zijn van [verzoeker] ook dat hij van mening is dat hij niet zelf ontslag heeft genomen en dat volgens hem sprake is van een ‘onwettig’ ontslag. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat er geen opzegging van de zijde van [verzoeker] heeft plaatsgevonden.

Hervatting loonbetaling

Dit voorgaande leidt ertoe dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog steeds van kracht is. [verzoeker] verzoekt om hervatting van de loonbetaling per 1 september 2025. Door [verweerder] is aangevoerd dat zij het loon vanaf 1 september 2025 niet verschuldigd is, omdat [verzoeker] vanaf dat moment geen arbeid heeft verricht, zich niet beschikbaar heeft gesteld en het niet verrichten van de arbeid in de risicosfeer van [verzoeker] ligt. Zij doet daarbij een beroep op artikel 7:628 lid 1 BW in welk artikellid is bepaald dat de werkgever verplicht is om het loon te voldoen indien de werknemer geen arbeid heeft verricht, tenzij het niet verrichten van de arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. [verzoeker] betwist dat het niet verrichten van de arbeid voor zijn rekening komt.

De kantonrechter is, zoals reeds is overwogen, van oordeel dat [verzoeker] uit de gedragingen van de heer [bestuurder] heeft mogen afleiden dat de arbeidsovereenkomst (ten onrechte) door [verweerder] werd opgezegd. Dat er vanaf 1 september 2025 geen werkzaamheden meer hebben plaatsgevonden dient daardoor niet voor rekening van [verzoeker] te komen, maar voor rekening van [verweerder]. [verweerder] is dan ook het loon verschuldigd vanaf 1 september 2025. Door [verweerder] is de juistheid van de hoogte van de door [verzoeker] vermelde bedragen aan loon niet betwist, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.

Inschakelen bedrijfsarts

[verzoeker] verzoekt verder om [verweerder] te veroordelen tot het inschakelen van een bedrijfsarts om de (gedeeltelijke) arbeids(on)geschiktheid en (on)mogelijkheden voor (aangepast werk) te laten beoordelen. Door [verweerder] is aangevoerd dat [verzoeker] zich niet heeft ziekgemeld. De kantonrechter begrijpt deze stelling aldus dat zij van mening is dat zij gelet daarop niet kan worden gehouden tot het inschakelen van een bedrijfsarts. [verzoeker] heeft echter in het verzoekschrift gesteld dat hij psychisch ontregeld is geraakt en dat hij niet in staat is zijn werkzaamheden te hervatten. Daarnaast is volgens hem sprake van een belemmering om weer aan het werk te gaan aangezien de medewerker waartegen aangifte is gedaan ook nog werkzaam is bij [verweerder]. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] deze stelling dient op te vatten als een ziekmelding en dat zij gelet daarop gehouden is om een bedrijfsarts in te schakelen. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.

Achterstallig salaris

[verzoeker] verzoekt verder om betaling van een bedrag van € 10.776,12 bruto aan achterstallig salaris over de periode 1 januari 2023 tot en met 30 november 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente en te verminderen met de onverschuldigd betaalde eindafrekeningen.

[verweerder] heeft ten aanzien hiervan een beroep gedaan op verrekening. [verweerder] stelt dat haar een beroep op verrekening toekomt met het aan haar verschuldigde bedrag voor de kosten voor inwoning in de personeelswoning. [verweerder] meent dat een gebruiksvergoeding van een bedrag van € 500,00 per maand redelijk is vanaf het moment dat [verzoeker] alleen in de personeelswoning woonde en € 1.000,00 per maand vanaf het moment dat zijn vrouw en dochter(s) er ook woonden. [verzoeker] heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij voert aan dat partijen niet zijn overeengekomen dat er een vergoeding verschuldigd zou zijn voor het gebruik van het pand en dat de andere medewerkers die in het pand hebben gewoond ook geen vergoeding hebben betaald. Hij voert ook aan dat hij met [verweerder] als tegenprestaties voor het gebruik van het pand was overeengekomen dat de vrouw van [verzoeker] in het pand schoonmaakte en [verzoeker] meer keukentaken verrichtte en in pauzes doorwerkte.

De kantonrechter is van oordeel dat de gegrondheid van het verweer van [verweerder] dat zij recht heeft op een gebruiksvergoeding niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. Door [verweerder] is niet weersproken dat partijen niet zijn overeengekomen dat een vergoeding verschuldigd zou zijn voor het gebruik van het pand, waardoor niet is komen vast te staan dat partijen dit zijn overeengekomen. Verder is ook niet gesteld of onderbouwd op basis waarvan recht zou bestaan op een gebruiksvergoeding en is op basis van de summier onderbouwde stellingen van [verweerder] ook niet gebleken van een rechtsgrond. Het beroep op verrekening zal aldus op grond van artikel 6:136 BW worden gepasseerd.

Aangezien er verder geen verweer is gevoerd tegen het verzoek tot betaling van het bedrag van € 10.776,12 bruto zal dit worden toegewezen, met dien verstande dat de onverschuldigd betaalde eindafrekening op dit bedrag in mindering dient te strekken, aangezien dit bedrag reeds is betaald en niet is gesteld wanneer deze betaling heeft plaatsgevonden. De wettelijke rente over het resterende bedrag zal worden toegewezen vanaf 31 oktober 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift. Verder wordt volledigheidshalve opgemerkt dat het verzoek tot hervatting van de loonbetaling en het verzoek tot betaling van het achterstallige salaris dezelfde periode van 1 september 2025 tot 30 november 2025 bestrijken en het loon over die periode eenmalig verschuldigd is.

[verzoeker] verzoekt tevens om [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging over het betreffende bedrag. [verweerder] heeft daartegen geen verweer gevoerd. De kantonrechter acht het aan [verweerder] toe te rekenen dat er over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 augustus 2025 te weinig salaris is betaald, nu van haar verwacht had mogen worden dat zij de loonsverhogingen conform de cao zou toepassen. De kantonrechter is ook van oordeel dat het aan [verweerder] is toe te rekenen dat het salaris over de periode van 1 september 2025 tot en met 30 november 2025 niet tijdig is betaald gelet op de onterechte opzegging door [verweerder] en gezien niet is gebleken van een opzegging van de zijde van [verzoeker] . De kantonrechter is van oordeel dat een wettelijke verhoging van 50% verschuldigd is over het resterende bedrag aan achterstallig salaris en zal dit toewijzen.

Proceskosten

[verweerder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen, vermeerderd met de kosten van betekening indien [verweerder] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordelingen voldoet. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op:

- griffierecht € 90,00

- salaris gemachtigde € 814,00

- nakosten € 135,00 +

totaal € 1.039,00.

De wettelijke rente over de proceskosten is eveneens toewijsbaar. Omdat er sprake moet zijn van een redelijke termijn voor betaling, is de ingangsdatum veertien dagen na de datum van deze beschikking.

5. De beslissing

De kantonrechter

vernietigt de opzegging door [verweerder];

veroordeelt [verweerder] de loonbetaling per 1 september 2025 te hervatten, tot 31 december 2025 € 2.645,41 bruto per maand exclusief vakantiegeld en vanaf 1 januari 2026 € 2.765,77, bruto per maand exclusief vakantiegeld;

veroordeelt [verweerder] tot het inschakelen van de bedrijfsarts om de (gedeeltelijke) arbeids(on)geschiktheid en (on)mogelijkheden (voor aangepast werk) te laten beoordelen;

veroordeelt [verweerder] tot betaling van een bedrag aan € 10.776,12 bruto aan achterstallig salaris over de periode 1 januari 2023 tot en met 30 november 2025, te verminderen met de onverschuldigd betaalde eindafrekeningen in augustus 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van maximaal 50% en de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2025;

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.039,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;

veroordeelt [verweerder] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking zijn voldaan;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. Bootsma en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026.

52952

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand