ECLI:NL:RBNNE:2026:2186

ECLI:NL:RBNNE:2026:2186

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 05-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer 18-342858-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Veroordeling voor openlijke geweldpleging, diefstal met geweld en bedreiging tot 92 dagen jeugddetentie waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, dadelijke uitvoerbaar. Daarnaast een werkstraf van 60 uren. Vorderingen benadeelde partijen deels toegewezen ten laste van moeder omdat verdachte ten tijde van de feiten jonger dan 14 jaar was.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

[verdachte] ,

Tenlastelegging

Beoordeling van het bewijs

Bewezenverklaring

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Strafbaarheid van verdachte

Strafmotivering

Benadeelde partij

Toepassing van wetsartikelen

Uitspraak

De rechtbank

een jeugddetentie voor de duur van 92 dagen.

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18-342858-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 mei 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.J. de Bruin, advocaat te Westerbork.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. de Vroome.

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 1 december 2025 te Vries, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een bromfiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld bestond(en) uit het:

2.

hij op of omstreeks 18 oktober 2025 te Delfzijl, althans in Nederland,

ter hoogte van [adres] (Jumbo supermarkt), in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit

terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had;

3.

hij op of omstreeks 18 december 2025 te Delfzijl, althans in Nederland,

[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen “Als wij jou pakken heb je geen gebit meer in jouw mond”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor alle ten laste gelegde feiten gevorderd. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van enig lichamelijk letsel. Dit deel van de tenlastelegging kan niet worden bewezen en verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over het bewijs.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder feit 1 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder feit 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

De rechtbank past ten aanzien van feit 3 de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 mei 2026, inhoudende:

Het Snapchataccount [gebruikersnaam 1] is van mij. Ik heb via dat account [slachtoffer 2] een bericht gestuurd op 18 december 2025.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 23 december 2025, opgenomen op pagina 150 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025346314 d.d. 6 februari 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

Op 18 december 2025 was ik op mijn school, [school] aan [adres] . Ik was op dat moment met [naam] . Hij zat naast mij. Ik had op mijn laptop de applicatie Snapchat open staan en zag een melding binnenkomen van ' [gebruikersnaam 1] *'. Ik was ingelogd op mijn account ' [gebruikersnaam 2] '. Ik opende vervolgens de chat met deze [gebruikersnaam 1] . Ik zag dat de gebruiksnaam van het account ' [gebruikersnaam 3] ' betrof. Ik weet dat dit het account van [verdachte] is, omdat ik wel vaker contact heb gehad met hem via Snapchat. Ik zag dat hij mij een bericht stuurde waarin stond dat ik zou hebben gelogen in mijn aangifte en zijn vrienden al mijn tanden uit mijn mond slaan;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 december 2025, opgenomen op pagina 56 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025283807

d.d. 6 februari 2026, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Op 22 december 2025 heb ik telefonisch contact gezocht met [naam] . Ik hoorde dat hij zei dat hij ten tijde van het ontvangen van het bericht aan het gamen was, samen met [slachtoffer 2] . Hij heeft het bericht inderdaad gezien. Hij kon zich nog herinneren dat er bij [slachtoffer 2] de tanden uit de mond geslagen zouden worden. Hij weet de naam niet van de jongen die dit bericht gestuurd heeft, behalve dat zijn voornaam met een [letter] begint.

De rechtbank acht het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1

hij op 1 december 2025 te Vries, tezamen en in vereniging met een ander, een bromfiets, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader(s) toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld bestond uit het:

2.

hij op 18 oktober 2025 te Delfzijl, op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] ,

welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit

3.

hij op 18 december 2025 te Delfzijl [slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen “Als wij jou pakken heb je geen gebit meer in jouw mond”.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het bewezen verklaarde levert op:

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot 92 dagen jeugddetentie met aftrek waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Hieraan dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), met uitzondering van de contactverboden. De officier van justitie heeft verzocht om de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden. Voorts heeft de officier van justitie verzocht om oplegging van 60 uren werkstraf.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een werkstraf, waarvan een fors voorwaardelijk deel.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het rapport van de Raad van 19 mei 2026, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 april 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich binnen een periode van twee maanden schuldig gemaakt aan twee geweldsfeiten en een bedreiging.

Op 18 oktober 2025 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een schoolgenoot. Het kwam verdachte ter ore dat aangever een vriend van hem had geslagen. Verdachte heeft gemeend dit te moeten oplossen door aangever met een groep in te sluiten waarna hij hem meermalen heeft geslagen en gestompt. Groepsgenoten filmden dit geweld met hun telefoons. Door het plegen van dit geweld heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van

het slachtoffer. Verdachte heeft het feit gepleegd op de openbare weg, wat gevoelens van onveiligheid op straat en in de samenleving teweeg brengt. Ook heeft verdachte op 18 december 2025 via Snapchat dezelfde aangever bedreigd met zware mishandeling.

Op 1 december 2025 heeft verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Aangever had een scooter te koop aangeboden op Marktplaats. Verdachte heeft met medeverdachte een plan beraamd om de scooter te stelen. Er is contact gezocht met aangever en het contact is ook onderhouden door verdachte om tot een afspraak te komen. Aangever en verdachten hebben elkaar s avonds bij een bushalte getroffen. Aangever is direct van zijn scooter getrokken door de medeverdachte waarna verdachte een mes heeft gepakt waarmee hij aangever in zijn been heeft geraakt. Hij is vervolgens bij medeverdachte achterop de scooter gesprongen en zij zijn samen weggereden.

Verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever en op het eigendomsrecht. Het behoeft geen uitleg dat een diefstal met dusdanig heftig geweld een grote impact heeft op een ieder die dat heeft te verduren. De rechtbank neemt in overweging dat er meerdere momenten zijn geweest waarop verdachte zich heeft kunnen terugtrekken, maar een andere keuze heeft gemaakt. In beginsel is voor dit soort feiten een onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats.

Persoon van verdachte

Uit het rapport van de Raad volgt dat het herhalingsgevaar wordt ingeschat als gemiddeld. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit. Volgens de Raad is het meest belangrijke in deze zaak dat er diagnostiek en daaruit (mogelijke) voortvloeiende behandeling wordt opgestart voor verdachte. De Raad heeft geadviseerd om verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich moet houden aan voorschriften en aanwijzingen van de jeugdreclasseringmeewerkt aan diagnostiek en behandeling, dat hij onderwijs of dagbesteding volgt, dat hij inzicht geeft in zijn sociale contacten en dat hij zich houdt aan een contactverbod met medeverdachten en aangevers. De Raad heeft tevens geadviseerd tot dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht.

Ter terechtzitting heeft de jeugdreclassering naar voren gebracht dat er reeds een intake bij [instelling] heeft plaatsgevonden. Het is belangrijk dat er een grondige delictanalyse gedaan zal worden om inzicht te krijgen hoe verdachte tot zijn daden is gekomen. De jeugdreclassering heeft geadviseerd om verdachte voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met daaraan gekoppeld de voorwaarden zoals geformuleerd door de Raad.

Straf

Bij de oplegging van de straf houdt de rechtbank rekening met de LOVS-oriëntatiepunten en de straffen die doorgaans worden opgelegd voor soortgelijke feiten. Zoals gezegd is voor dit soort feiten in beginsel jeugddetentie op zijn plaats. De rechtbank zal echter geen onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen. Dit heeft te maken met de zeer jonge leeftijd van verdachte hij was 13 jaar toen hij de feiten pleegde en het feit dat hij voor het eerst voor de rechter staat. Gelet op de hoeveelheid feiten en de ernst van de feiten is, naar het oordeel van de rechtbank, een forse voorwaardelijke jeugddetentie onontkoombaar, alsmede een onvoorwaardelijke werkstraf.

Alles afwegende vindt de rechtbank 92 dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Enerzijds wordt hierdoor de ernst van het bewezenverklaarde

benadrukt en anderzijds fungeert de forse voorwaardelijke straf als stok achter de deur om hem er van te weerhouden in de toekomst weer strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen zoals geadviseerd door de Raad, met uitzondering van een contactverbod met de medeverdachten nu onbekend is gebleven wie dat zijn. De rechtbank zal daarnaast aan verdachte een werkstraf opleggen van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie. De rechtbank volgt daarmee de eis van de officier van justitie.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan een misdrijf gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon vanwege het door hem gepleegde geweld tegen twee slachtoffers, waarbij hij één slachtoffer heeft gestoken met een mes. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging. De rechtbank is van oordeel dat er, zolang er nog geen diagnostiek en gerichte behandeling heeft plaatsgevonden, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Ten aanzien van feit 1

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.609,95 ter vergoeding van materiële schade en 2.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om het hoofdelijk toe te wijzen bedrag voor de materiële schade te schatten. Het immateriële deel kan volgens de officier van justitie volledig, hoofdelijk worden toegewezen, met daarbij de wettelijke rente.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële deel onvoldoende onderbouwd is en afgewezen dient te worden. De raadsman heeft zich gerefereerd ten aanzien van de immateriële schadepost.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 bewezen verklaarde. Bij het vaststellen van de hoogte van de schade maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. De waarde van de scooter is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank gaat daarom uit van het bedrag dat was afgesproken voor de verkoop van de scooter, te weten een bedrag van 1.300,00. Daarnaast is de spijkerbroek van het slachtoffer beschadigd, waarvoor een bedrag van 39,95 wordt toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat de schadeposten ten aanzien van de twee joggingbroeken onvoldoende zijn onderbouwd en zal dit deel van de materiële vordering afwijzen. De hoogte van de toe te wijzen materiële vordering wordt geschat op 1.339,95.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten een steekwond in het rechterbovenbeen. Ter onderbouwing heeft de benadeelde partij een huisartsverklaring aan het dossier gevoegd.

Gelet hierop zal de rechtbank een bedrag voor de immateriële schade toekennen. De rechtbank zal het gevorderde bedrag, van 2.000,00. welk bedrag onweersproken is gebleven, toewijzen.

Gelet op het voorgaande zal de vordering worden toegewezen tot een bedrag van 3.339,95 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 december 2025.

De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit de leeftijd van veertien jaren nog niet had bereikt, wordt de vordering op grond van artikel 51g lid 4 van het Wetboek van Strafvordering geacht te zijn gericht tegen zijn moeder, Jacqueline Deyanira Gonzalez.

De moeder van verdachte is daarom aansprakelijk voor betaling van het toegewezen bedrag.

Ten aanzien van feit 2

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 50,00 ter vergoeding van materiële schade en 200,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het immateriële deel dient te worden toegewezen met daarbij de wettelijke rente.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het immateriële deel van de vordering.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde geen rechtstreekse materiële schade toegebracht door verdachte. De fiets is door een ander dan verdachte vernield. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk is ten aanzien van het materiële deel van de vordering.

Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering overweegt de rechtbank dat voldoende aannemelijk geworden is dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van 200,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 oktober 2025.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit de leeftijd van veertien jaren nog niet had bereikt, wordt de vordering op grond van artikel 51g lid 4 van het Wetboek van Strafvordering geacht te zijn gericht tegen zijn ouder, Jacqueline Deyanira Gonzalez.

De moeder van verdachte is daarom aansprakelijk voor betaling van het toegewezen bedrag.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 285, 312, van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Verklaart het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 90 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich houdt aan de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de gecertificeerde instelling,

te weten William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te [plaats] , en aan de afspraken die door of namens voorgenoemde instelling met hem worden gemaakt;

door de jeugdreclassering nodig wordt geacht;

jeugdreclassering dit nodig acht:

[slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2009; [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2011.

Geeft aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Benadeelde partij

Ten aanzien van feit 1

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe ten laste van Jacqueline Deyanira Gonzalez, de gezaghebbende ouder van verdachte en veroordeelt haar hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 1] te betalen:

Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van feit 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe ten laste van Jacqueline Deyanira Gonzalez, de gezaghebbende ouder van verdachte en veroordeelt haar hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 2] te betalen:

Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. A. de Jong en mr. M.B.W. Venema, kinderrechters, bijgestaan door J. Kunst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 juni 2026.

Mr. A. de Jong is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.A.M. Wolters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand