ECLI:NL:RBNNE:2026:2188

ECLI:NL:RBNNE:2026:2188

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 05-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer 18/030570-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Assen

Samenvatting

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de kunstroof in het Drents Museum door de gouden helm van Coțofenești en drie gouden armbanden weg te nemen. Voorts heeft verdachte zich voorafgaand aan en in voorbereiding op de kunstroof schuldig gemaakt aan het stelen van een auto, het veroorzaken van een ontploffing en het beschadigen van het Drents Museum. Door de rechtbank zijn verweren ten aanzien van de urgente veiligheidsverhoren, opsporingsberichtgeving, het pressieverbod en het undercovertraject beoordeelt. De rechtbank heeft overwegingen gewijd aan de procesafspraken in de zaken van de medeverdachten in verhouding tot de aan de verdachte op te leggen straf. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 47 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/030570-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , nu gedetineerd te [instelling] .

1. Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 en 16 april 2026 (inhoudelijke behandeling) en 5 juni 2026 (sluiting onderzoek). Verdachte is op 14 en 16 april 2026 verschenen, bijgestaan door mr. M.C. Jonge Vos en mr. S. Plas, advocaten te Amsterdam. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.M. von Bartheld en mr. L. Lubbers, officieren van justitie.

2. Tenlastelegging

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de volledige tekst van de tenlastelegging verwezen naar de inhoud daarvan zoals opgenomen in de bijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier ingelast te worden beschouwd.

De verdenking komt er, na nadere omschrijving, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 25 januari 2025 te Assen, al dan niet samen met anderen, Dacische kunstschatten, namelijk een gouden helm van Co□ofene□ti en drie gouden armbanden, uit het Drents Museum heeft gestolen door middel van braak en verbreking;

Feit 2: op 25 januari 2025 te Assen, al dan niet samen met anderen, een ontploffing heeft veroorzaakt met gebruikmaking van een flashbanger Ti-Rex, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest;

Feit 3: op 25 januari 2025 te Assen, al dan niet samen met anderen, een gebouw, te weten het Drents Museum, heeft beschadigd door een flashbanger Ti-Rex tot ontploffing te brengen nabij de deur van het voornoemde museum, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest;

Feit 4: in de periode van 22 tot en met 23 januari 2025 te Alkmaar, al dan niet samen met anderen, een Volkswagen Golf heeft gestolen, dan wel deze Volkswagen Golf heeft verworven, overgedragen en/of voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde daarvan wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

3. Leeswijzer

De rechtbank oordeelt in dit vonnis over de op 25 januari 2025 gepleegde kunstroof bij het Drents Museum te Assen. Bij deze kunstroof zijn de gouden helm van Co□ofene□ti en drie Dacische gouden armbanden gestolen. De kunstobjecten zijn belangrijk Roemeens cultureel erfgoed met een enorme artistieke en symbolische waarde.

Allereerst bespreekt de rechtbank in hoofdstuk vier van het vonnis mogelijke vormverzuimen, omdat de verdediging van mening is dat door het Openbaar Ministerie fouten zijn gemaakt bij de inzet van opsporingsmiddelen. Vervolgens wordt in hoofdstuk vijf besproken óf en waarom verdachte [verdachte] samen met anderen verantwoordelijk kan worden gehouden voor de kunstroof. In hoofdstuk zes staat de bewezenverklaring centraal en in hoofdstuk zeven is omschreven wat het bewezen verklaarde voor strafbare feiten oplevert. Daarna wordt in hoofdstuk acht vastgesteld of verdachte daadwerkelijk aansprakelijk is voor de gepleegde feiten. Tot slot is in hoofdstuk negen de strafmotivering opgenomen.

Hierin motiveert de rechtbank de aard en ernst van de feiten en wordt ingegaan op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de uiteindelijk op te leggen straf.

4. Vormverzuimen

Standpunt van de verdediging

Urgent veiligheidsverhoor

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte op 29 januari 2025 en op 30 januari 2025 onderworpen is aan een urgent veiligheidsverhoor. Het enkele feit dat de verdediging de gelegenheid is geboden om verdachte vijf minuten voorafgaand aan het verhoor op 30 januari 2025 telefonisch te spreken en hem vervolgens telefonisch bij te staan maakt niet dat alsnog gesproken kan worden van een regulier verhoor. Deze situatie kan niet gelijk gesteld worden aan consultatie- en verhoorbijstand onder normale omstandigheden. De verdediging stelt zich op het standpunt dat voor het afnemen van urgente veiligheidsverhoren geen noodzaak heeft bestaan. Er bestonden geen objectieve aanwijzingen dat verdachte op het moment van verhoor wetenschap had van de vindplaats van de kunstschatten of erover kon beschikken.

Pressieverbod

In de urgente veiligheidsverhoren is aan verdachte bovendien een keuze voorgelegd: óf aangeven waar de kunstschatten zich bevonden, óf - als hij dat niet zou doen - accepteren dat zijn naam en foto in de landelijke media verspreid zouden worden. Deze gang van zaken levert strijd op met het pressieverbod als bedoeld in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), nu door de recherche druk is uitgeoefend die de grens van toelaatbare verhoorsdruk heeft overschreden.

Verdachte heeft zich weliswaar op zijn zwijgrecht beroepen, maar tegelijkertijd duidelijk aangegeven dat hij de gevraagde informatie niet kon verstrekken omdat hij niet wist waar de kunstschatten zich bevonden.

Opsporingsberichtgeving

De verdediging heeft voorts betoogd dat de wijze waarop opsporingsberichtgeving door het Openbaar Ministerie is ingezet niet in overeenstemming is met de Aanwijzing opsporingsberichtgeving (hierna: de Aanwijzing). Op grond van de Aanwijzing mag de identiteit van een verdachte met het oog op waarheidsvinding alleen worden prijsgegeven bij een strafbaar feit waarvoor een gevangenisstraf van acht jaar of meer kan worden opgelegd en indien dat noodzakelijk is voor de opsporing. Dit laatste ziet op de opsporing van de verdachte zelf en niet op het traceren van de goederen. Tevens is de inzet van dit middel gebaseerd op de diefstal van de kunstschatten en niet zozeer op de ontploffing die daarvoor heeft plaatsgevonden, terwijl voor een diefstal de maximale gevangenisstaf zes jaar bedraagt.

Daarnaast is niet voldaan aan de in de Aanwijzing genoemde proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Het is de vraag of het publiceren van de foto en de naam van een aangehouden verdachte in het licht van een verdenking van vermogensfeiten proportioneel is. De feitelijke basis waarop gebaseerd werd dat verdachte op dat moment de beschikking had over (één van) de kunstschatten was beperkt. Ook is de doelmatigheid in het geheel niet onderbouwd. Het publiceren van de identiteit kan daarnaast niet los worden gezien van de opmerkingen in de media van de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid. Daarmee heeft hij zich publiekelijk uitgelaten over de schuld van een verdachte in een nog lopende zaak, wat expliciet verboden is in richtlijn 2016/343/EU. Het heeft er gelet op de timing alle schijn van dat dit interview in samenspraak met het Openbaar Ministerie is geweest. De opmerkingen van de minister moeten dan ook voor rekening komen van het Openbaar Ministerie. Het verspreiden van de identiteit van verdachte en de daaropvolgende uitlatingen van de minister maakt dat niet alleen het recht op eerbiediging van het privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM is geschonden, maar tevens dat de waarborgen van artikel 6 EVRM, in het bijzonder de onschuldpresumptie, wezenlijk zijn aangetast. Tevens is sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Hoewel het nadeel voor verdachte groot is, heeft de verdediging mede gelet op de

huidige lijn van de Hoge Raad enkel verzocht om bij een bewezenverklaring een zeer forse strafkorting toe te passen.

Standpunt van de officieren van justitie

Urgent veiligheidsverhoor

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een rechtmatige inzet van de urgente veiligheidsverhoren. Bij verdachte is sprake geweest van één urgent veiligheidsverhoor, namelijk op 29 januari 2025. Voorafgaand aan het verhoor op 30 januari 2025 heeft verdachte overleg gevoerd met zijn raadsman en is zijn raadsman telefonisch aanwezig geweest bij het verhoor. Ondanks dat het verhoor door de politie is aangeduid als een urgent veiligheidsverhoor gelet op de gebruikte methode van vraagstelling, is het recht van verdachte op bijstand en consultatie gerespecteerd. Daarom is op 30 januari geen sprake geweest van een urgent veiligheidsverhoor als bedoeld in artikel 28e Sv. Aan de criteria voor inzet van het urgente veiligheidsverhoor is voldaan: het verhoor was dringend noodzakelijk om aanzienlijke schade aan het onderzoek te voorkomen. Ook zijn de verhoren voorzien van waarborgen. Onderdeel daarvan was het pogen contact te leggen met de voorkeursadvocaten om hun (telefonische) aanwezigheid te faciliteren. Tijdens de verhoren is de cautie gegeven, is geen druk gezet en is geen geweld aangewend. Evenmin zijn ongeoorloofde middelen ingezet.

Opsporingsberichtgeving

De officieren van justitie hebben onder verwijzing naar de Aanwijzing en het proces-verbaal van bevindingen van de persofficier van justitie het volgende aangevoerd. In deze zaak is sprake geweest van een groot belang bij het in de oorspronkelijke staat terugbrengen van de kunstschatten, maar ook om de waarheid te achterhalen over wie er bij de kunstroof betrokken waren. Gelet op de overwegingen van de persofficier van justitie is aan de vereisten zoals die zijn opgenomen in de Aanwijzing voldaan en is sprake geweest van een rechtmatige inzet. Bovendien heeft voorafgaand aan het inzetten van de opsporingsberichtgeving een zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden. Zo zijn er in de beginfase van het onderzoek een groot aantal bijzondere opsporingsmiddelen ingezet zonder dat deze hebben geresulteerd in de vindplaats van kunstschatten. Dat de inzet van opsporingsberichtgeving effectief is gebleken volgt uit het aantreffen van kleding door een getuige in haar container. Zij heeft de kleding herkend naar aanleiding van een verspreide video van de inbrekers in het Drents Museum. Ook is aan de verdachten de gelegenheid gegeven om te voorkomen dat hun namen en fotos in de media zouden verschijnen als zij zouden vertellen waar de kunstschatten zich bevonden. Een dergelijke getrapte inzet van het middel is gebruikelijk. De ernst en de impact van het feitencomplex in deze zaak staan daarom in verhouding tot het ingezette middel en het doel kon niet op een andere minder ingrijpende - manier bereikt worden. Daarmee is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal zowel bij de bespreking van de urgente veiligheidsverhoren als de opsporingsberichtgeving beginnen met een uiteenzetting van het juridisch kader om vervolgens dat kader toe te passen op deze zaak.

Urgente veiligheidsverhoren

4.3.1.1 Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat de verdachte van een strafbaar feit recht heeft op consultatie- en verhoorbijstand van een advocaat. Het recht op toegang tot een advocaat is door het EHRM1 aangemerkt als een fundamentele waarborg voor een eerlijk proces.2 Alleen in zeer uitzonderlijke en strikt omschreven situaties kan van het recht op toegang tot een raadsman worden afgeweken. Artikel 28e Sv regelt dit zogenaamde urgente veiligheidsverhoor. Dit artikel is ingevoerd als onderdeel van de Nederlandse implementatiewetgeving van Richtlijn 2013/48/EU betreffende het recht op toegang tot een raadsman.

Van het recht op toegang tot een raadsman kan op grond van artikel 28e Sv alleen worden afgeweken voor zover en voor zolang die afwijking gerechtvaardigd kan worden door een dringende noodzaak om ernstige gevolgen voor personen of aanzienlijke schade aan het onderzoek te voorkomen. De wetgever heeft als voorbeelden van deze uitzonderlijke situaties genoemd het achterhalen van de locatie van een gegijzelde persoon of van essentieel bewijsmateriaal dat dreigt te worden weggemaakt of veranderd.3Door het onmiddellijk verhoren van verdachte zonder de komst van de raadsman af te wachten kan dit worden (geprobeerd te) voorkomen. Het enkele feit dat een persoon ervan wordt verdacht een ernstig misdrijf te hebben begaan dat tot grote verontwaardiging of onrust in de samenleving heeft geleid, kan nimmer een zelfstandige grond opleveren om een verdachte de toegang tot zijn raadsman te onthouden.4 Ook de omstandigheid dat de opsporing onder maatschappelijke druk staat om een ernstig misdrijf op te helderen, is geen grond om de verdachte de toegang tot een raadsman te weigeren. Juist bij verdenking van zeer ernstige misdrijven, en wanneer de druk om het misdrijf op te helderen groot is, is rechtsbijstand essentieel.

Bij het beoordelen van de inzet van het urgente veiligheidsverhoor is voorts van belang dat in artikel 8 lid 1 van de Richtlijn 2013/48/EU nadere voorwaarden zijn omschreven voor de beperking van het recht op toegang tot een raadsman. Artikel 8 bepaalt dat iedere tijdelijke afwijking van het recht op toegang tot een raadsman a) een evenredig karakter moet hebben en niet verder mag gaan dan noodzakelijk; b) een strikt beperkte geldigheidsduur moet hebben; c) niet uitsluitend kan worden gebaseerd op de soort of de ernst van het vermeende strafbare feit; en d) geen afbreuk mag doen aan het globale eerlijke verloop van de procedure.

Hieruit volgt dat ook in het geval er sprake is van een dringende noodzaak om een verdachte (tijdelijk) te horen zonder consultatie- of verhoorbijstand, beoordeelt moet worden wat de impact is geweest van het beperking van het recht op toegang tot een advocaat en of over het geheel genomen sprake is geweest van een eerlijk proces.5

4.3.1.2 Verantwoording officier van justitie

Naar aanleiding van onderzoekswensen van de verdediging heeft de zaaksofficier van justitie mr. Von Bartheld een proces-verbaal opgesteld met betrekking tot de inzet van de urgente veiligheidsverhoren. Hieruit volgt dat na de aanhouding van de verdachte door deze officier van justitie toestemming is gegeven om de verhoren te laten beginnen zonder voorafgaand overleg met een raadsman en buiten aanwezigheid van een raadsman. De beslissing tot het inzetten van deze urgente veiligheidsverhoren was gebaseerd op de, volgens de officier, dringende noodzaak om te voorkomen dat aanzienlijke schade aan het onderzoek zou worden toegebracht, namelijk het laten verdwijnen of vernietigen van de kunstschatten. De dringende noodzaak was mede ingegeven door de tijdsdruk in relatie tot het risico van het verdwijnen of vernietigen van de kunstschatten, wat versneld zou kunnen worden door de aanhouding van de verdachten, terwijl geen van de tot op dat moment uitgevoerde onderzoekshandelingen zicht had gegeven op de verblijfplaats van de kunstschatten.

4.3.1.3 De inzet van de urgente veiligheidsverhoren

Verdachte is op 29 januari 2025 om 15:58 uur, buiten aanwezigheid van een advocaat, voor het eerst door de politie verhoord. In dit urgente veiligheidsverhoor is bij aanvang aan verdachte medegedeeld dat hij het recht heeft om te zwijgen. Het verhoor is om 16:29 uur onderbroken zodat verdachte telefonisch kon overleggen met zijn raadsman. Om 16:58 uur is het verhoor hervat waarbij de raadsman van verdachte vanaf dat moment telefonische bijstand heeft verleend. Het verhoor is beëindigd om 17:13 uur. Het tweede verhoor is gestart op 30 januari 2025 om 19:39 uur en beëindigd om 20:04 uur. Verdachte is gedurende dit verhoor telefonisch bijgestaan door zijn raadsman. Ook is verdachte bij aanvang van dit verhoor medegedeeld dat hij het recht heeft om te zwijgen. Beide verhoren zijn audiovisueel opgenomen en letterlijk uitgewerkt.

Anders dan de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat ook het tweede verhoor op 30 januari 2025 moet worden aangemerkt als urgent veiligheidsverhoor. De raadsman is pas vijf minuten voor aanvang van het tweede verhoor geïnformeerd over het feit dat er een verhoor zou plaatsvinden. Hierbij is aan hem medegedeeld dat hij telefonisch aanwezig zou kunnen zijn bij het verhoor. Daarmee is de verdediging geen keuze gelaten op welke wijze zij consultatie- en verhoorbijstand zou willen leveren en heeft de verdediging haar rechten op dit punt onvoldoende effectief kunnen uitoefenen.

4.3.1.4 Rechtmatigheid inzet urgente veiligheidsverhoren

Naar het oordeel van de rechtbank is aan de voorwaarden voor inzet van een urgent veiligheidsverhoor voldaan. Uit het procesdossier en aanvullend proces-verbaal inzet urgente veiligheidsverhoren van 10 december 2025 volgt dat ten tijde van de aanhouding van verdachte nog geen zicht was op de vindplaats van de kunstschatten, ondanks de inzet van verschillende opsporingsmiddelen. Het risico dat de kunstschatten, die een enorme kunsthistorische en culturele waarde vertegenwoordigen, zouden worden weggemaakt of vernietigd, zou mogelijk vergroot worden door de aanhouding van (mede)verdachten. De rechtbank betrekt daarbij dat het onderzoek zich op dat moment richtte op in ieder geval drie personen die in het museum gezien waren en dat ook betrokkenheid van andere personen niet kon worden uitgesloten. Het beginnen van het verhoor zonder dat een advocaat beschikbaar is en het zodoende beperken van de toegang tot een advocaat was onder deze omstandigheden gerechtvaardigd door de dringende noodzaak om aanzienlijke schade aan het onderzoek te voorkomen.

De rechtbank concludeert daarnaast dat de beperking van de toegang tot een advocaat niet verder is gegaan dan noodzakelijk. De voorkeursadvocaat van verdachte is op de hoogte gesteld van zijn aanhouding en de voorgenomen verhoren en er is gelegenheid gegeven om (weliswaar kort) overleg te voeren. De verhoren zijn bovendien alleen ingezet vlak na de inbraak in het museum en in de eerste twee dagen na de arrestatie van verdachte, waarmee de beperking van de toegang tot een advocaat ook in duur beperkt is gebleven.

Naar het oordeel van de rechtbank is de inzet van de urgente veiligheidsverhoren rechtmatig geweest en is daarbij voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Van een schending van een recht op een eerlijk proces is geen sprake.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat verdachte voorafgaand aan de urgente veiligheidsverhoren is gewezen op zijn recht om te zwijgen en dat de verhoren niet hebben geleid tot een inhoudelijke verklaring van verdachte die door de rechtbank gebruikt zal worden voor het bewijs. Van enig nadeel in de strafzaak zoals bedoeld in artikel 359a Sv is dan ook geen sprake geweest.

Opsporingsberichtgeving

4.3.2.1 Toetsing inzet opsporingsberichtgeving

Het Openbaar Ministerie heeft in het onderzoek naar de kunstroof in het Drents museum opsporingsberichtgeving ingezet. De foto, naam en woonplaats van de op dat moment reeds aangehouden en in beperkingen bevindende verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] is in de media getoond. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of daarmee een (on)gerechtvaardigde inbreuk is gemaakt op het, onder meer in artikel 8 EVRM gewaarborgde, recht op eerbiediging van het privéleven van de verdachte. Daarbij komt het aan op een weging van de omstandigheden van het geval.6 Van belang zijn onder meer de vraag of het beeldmateriaal is verkregen en verspreid in overeenstemming met toepasselijke regelgeving; de mate van herkenbaarheid van de betrokkene op het beeldmateriaal en de aard en indringendheid van de informatie die door of in samenhang met het beeldmateriaal wordt verstrekt omtrent de identiteit, uiterlijke kenmerken of gedragingen van de betrokkene; en het doel waarmee het beeldmateriaal is vergaard en geopenbaard, waarbij aan de orde kan komen of het gaat om opsporing of identificatie van verdachten van (ernstige) strafbare feiten en of voorzienbaar is dat

het beeldmateriaal wordt gebruikt op een wijze die verder gaat dan hetgeen redelijkerwijze nodig is voor het te bereiken doel.

De rechtbank acht in het geval van verdachte [verdachte] van belang dat het beeldmateriaal in overeenstemming met de toepasselijke Aanwijzing Opsporingsberichtgeving van het Openbaar Ministerie (hierna: Aanwijzing) is verspreid.

De Aanwijzing schrijft meerdere situaties voor op basis waarvan opsporingsberichtgeving kan worden ingezet. De persofficier heeft de waarheidsvinding ten grondslag gelegd aan haar beslissing. In de Aanwijzing is vastgelegd dat in het kader van waarheidsvinding opsporingsberichtgeving kan worden ingezet voor het doen van onderzoek naar een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Bovendien kan de identiteit van de verdachte na toestemming van de hoofdofficier worden vrijgegeven. In dat geval moet sprake zijn van ernstige bezwaren voor een misdrijf met een strafbedreiging van acht jaar of meer en moet dit dringend noodzakelijk zijn voor de opsporing. Anders dan de verdediging overweegt de rechtbank dat het feit dat in de Aanwijzing naast de waarheidsvinding ook het traceren van vermogensbestanddelen of goederen als grond wordt genoemd, niet in de weg staat aan de rechtmatigheid van de beslissing om de inzet van de opsporingsberichtgeving langs een andere grond te legitimeren. De beslissing van de persofficier voldoet dan ook aan de eisen die daaraan worden gesteld in de Aanwijzing. De opsporingsberichtgeving is ingezet in het kader van de waarheidsvinding waarbij sprake is geweest van onderzoek naar een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Ook heeft de hoofdofficier toestemming gegeven voor het vrijgeven van de identiteit van de verdachten en was sprake van een dringende noodzakelijkheid, zoals door de rechtbank hierboven reeds is overwogen bij de bespreking van de urgente veiligheidsverhoren. Daarnaast waren ernstige bezwaren aanwezig voor een misdrijf met een strafbedreiging van acht jaar of meer. Het gaat daarbij om het feitencomplex in zijn geheel, waarvan zowel de gekwalificeerde diefstal als het teweeg brengen van een ontploffing deel uit maken. Daarom betreft het, in tegenstelling tot wat de verdediging heeft aangevoerd, wel degelijk een strafbaar feit met een strafbedreiging van acht jaren of meer. Bij de inzet van de opsporingsberichtgeving heeft het Openbaar Ministerie aldus de eigen Aanwijzing Opsporingsberichtgeving in acht genomen.

Verder overweegt de rechtbank dat de inzet van opsporingsberichtgeving op de wijze zoals in deze zaak heeft plaatsgevonden, namelijk het tonen van een foto en de volledige voor- en achternaam, een zeer grote impact heeft op de persoonlijke levenssfeer van de verdachten. Het publiceren van de identiteit van verdachte in het huidige digitale tijdperk brengt met zich mee dat zijn foto en naam in beginsel voor altijd online zullen blijven circuleren. Kenmerkend voor deze zaak is verder dat de identiteit van verdachte is verspreid op het moment dat hij al was aangehouden. In veruit de meeste zaken wordt opsporingsberichtgeving ingezet om tips te ontvangen voor de identificatie van verdachten.

Op het moment van het vrijgeven van de identiteit van de verdachten waren tevergeefs al andere bijzondere opsporingsmiddelen ingezet die een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer hadden gemaakt, waaronder de hiervoor besproken urgente veiligheidsverhoren maar ook het opnemen van (vertrouwelijke) communicatie en doorzoekingen. De rechtbank sluit zich in zoverre aan bij de overwegingen van de persofficier dat er op korte termijn weinig andere tactische middelen konden worden ingezet om het doel, het vinden van de kunstschatten, te bereiken. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie meegewogen dat de verdachten niet hebben willen verklaren. Tevens is van belang dat sprake is van een verdenking van ernstige strafbare feiten. Het gaat weliswaar in de kern om een verdenking van vermogenscriminaliteit, maar wel met een impact op de maatschappij die veel verder strekt dan in andere voorkomende zaken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bij de inzet van de opsporingsberichtgeving is voldaan aan de vereisten van doelmatigheid en proportionaliteit.

In tegenstelling tot vele andere strafzaken is in deze zaak niet gekozen om eerst geblurde fotos van de verdachte te tonen of gebruik te maken van een zwarte balk voor de ogen. Ook is besloten om meteen de volledige naam van de verdachten te noemen in plaats van bijvoorbeeld alleen de voor- of achternaam in combinatie met een eventuele woonplaats. Blijkens het proces-verbaal van de persofficier zijn deze mogelijkheden ook niet expliciet afgewogen alvorens tot de beslissing te komen om de volledige identiteit van verdachte in de media te verspreiden.

Daardoor heeft het Openbaar Ministerie in strijd met het subsidiariteitsvereiste minder ingrijpende alternatieven niet benut.

De rechtbank merkt nog op dat het door de officieren van justitie in dit kader aangehaalde voorbeeld, namelijk dat eerdere opsporingsberichtgeving in deze zaak succesvol is gebleken omdat naar aanleiding daarvan aangetroffen kleding gekoppeld is aan de diefstal bij het Drents Museum, niet opgaat. De opsporingsberichtgeving in dat voorbeeld was van een andere orde omdat enkel niet tot de persoon herleidbare beelden zijn getoond waarop de inbrekers bij het Drents Museum te zien waren en staat los van de beslissing om de identiteit van de verdachten in de media te verspreiden.

Alles overziend stelt de rechtbank vast dat met het vertonen van de foto en de naam van verdachte in de media, niet is voldaan aan de eisen die daaraan worden gesteld, zodat om die reden sprake is van een schending van artikel 8 EVRM.

4.3.2.2 Pressieverbod

De rechtbank stelt vast dat in het tweede verhoor aan verdachte is medegedeeld dat die avond een nieuwsitem verspreid zou gaan worden waarin zijn naam en foto te zien zouden zijn. Het nieuwsitem is vervolgens aan verdachte getoond en tegen hem is gezegd dat als hij informatie zou verstrekken die de politie verder zou kunnen brengen in het onderzoek, hij door het delen daarvan ervoor kon zorgen dat het nieuwsitem niet uitgezonden zou worden. Verdachte heeft in navolging van deze mededeling opnieuw een beroep gedaan op zijn zwijgrecht en het nieuwsitem is diezelfde avond ook daadwerkelijk uitgezonden.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het pressieverbod in de zin van artikel 29 Sv is overschreden en overweegt daartoe als volgt. Het pressieverbod betekent dat in alle gevallen waarin iemand als verdachte wordt gehoord de verhorende verbalisant zich onthoudt van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid is afgelegd. Het besluit om het nieuwsitem te verspreiden was al genomen en kon door de verdachte enkel worden tegengehouden indien hij relevante informatie zou verstrekken over het onderzoek. Op dat moment was weliswaar sprake van een redelijk vermoeden van schuld voor de betrokkenheid van verdachte bij de kunstroof, maar door de zwaarte van het opsporingsmiddel en de redelijkerwijs te verwachten impact daarvan heeft de mogelijkheid bestaan dat verdachte een verklaring zou afleggen waarvan niet kan worden gezegd dat die in vrijheid is afgelegd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat er slechts zeer korte tijd zat tussen de mededeling dat opsporingsberichtgeving zou worden ingezet en de daadwerkelijke uitzending daarvan. Daarmee is grote druk op de verdachte gelegd. Bovendien bestond voor de verdachte slechts de mogelijkheid uitzending van de opsporingsberichtgeving te voorkomen door zijn betrokkenheid bij de kunstroof kenbaar te maken. De vergelijking die door het Openbaar Ministerie is gemaakt, over de getrapte inzet van de opsporingsberichtgeving, gaat hier daarom niet op. De verdachte die zich op vrije voeten bevindt en die zich naar aanleiding van opsporingsberichtgeving meldt bij de politie, geeft met die loutere melding immers nog geen betrokkenheid bij een strafbaar feit prijs.

4.3.2.3 Uitlatingen Minister van Justitie en Veiligheid

De verdediging heeft aangevoerd dat de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: minister) zich in de media heeft uitgelaten over de schuld van verdachte en dat het er schijn van heeft dat er in samenspraak met het Openbaar Ministerie is gehandeld. De rechtbank stelt vast dat de

minister politiek gezien eindverantwoordelijk is voor het Openbaar Ministerie en hij in dat kader ook door het Openbaar Ministerie wordt geïnformeerd over lopende strafzaken.7 Naar aanleiding van onderzoekswensen zijn door zowel de persofficier als de zaaksofficier processen-verbaal opgemaakt over inzet van de opsporingsberichtgeving en de urgente veiligheidsverhoren. Beide officieren geven daarin aan dat er geen enkele betrokkenheid of inmenging van de minister is geweest bij de besluitvorming omtrent deze bijzondere opsporingsmiddelen. Het dossier bevat verder ook geen aanwijzingen om aan te kunnen nemen dat sprake is geweest van enige samenspraak tussen de minister en het Openbaar Ministerie. Op grond van deze vaststellingen is de rechtbank van oordeel dat de uitlatingen van de minister niet voor rekening kunnen komen van het Openbaar Ministerie. Deze uitspraken kunnen in deze strafzaak daarom ook niet kunnen leiden tot een schending van artikel 6 of 8 EVRM of een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.

4.3.2.4 Rechtsgevolgen schendingen

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat schendingen hebben plaatsgevonden van artikel 8 EVRM en artikel 29 Sv.

Deze geconstateerde schendingen kunnen niet hersteld worden. Zij leiden evenwel noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang bezien tot de conclusie dat de strafprocedure als geheel niet langer eerlijk is. De inbreuken hebben uiteindelijk geen invloed gehad op de omvang en de inhoud van het strafdossier en het daarin opgenomen bewijs, noch zijn die vormverzuimen van wezenlijke invloed geweest op de effectiviteit waarmee de verdediging in de strafprocedure heeft kunnen worden gevoerd.

De rechtbank overweegt dat ten gevolge van de inzet van de opsporingsberichtgeving de verdachte nadeel heeft geleden. Dat nadeel bestaat uit de enorme media-aandacht in zowel binnen- als buitenland voor deze strafzaak en ten gevolge daarvan ook voor verdachte en zijn directe omgeving. Zoals eerder aangegeven is voorstelbaar dat zijn foto en naam voor altijd online te vinden zullen zijn. Voorstelbaar is dat dit ook na deze strafzaak gevolgen voor verdachte met zich zal brengen. Daarmee samenhangend is ook in strijd gehandeld met het pressieverbod. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met de enkele vaststelling van de schendingen, maar dat die schendingen gecompenseerd moeten worden door strafvermindering. De hoogte van de strafvermindering zal door de rechtbank worden besproken bij de aan verdachte op te leggen straf.

5. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben veroordeling gevorderd voor het onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich voor wat betreft de onder 4 primair ten laste gelegde diefstal van een Volkswagen Golf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft de verdediging vrijspraak bepleit en daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft verklaard dat hij een (zeer) beperkte rol heeft gehad in de voorfase door op verzoek een auto en kentekenplaten te regelen en een tas bij de Decathlon aan te schaffen. Hij heeft ontkend dat hij zelf in het Drents Museum is geweest en dus enige rol heeft gehad bij de uitvoering van de kunstroof. Verdachte heeft dit al in zijn eerste verhoor bij de politie aangegeven. De door verdachte uitgevoerde handelingen in de voorfase kunnen, zonder enige vast te stellen betrokkenheid bij de uitvoering van de inbraak en handelingen achteraf, geen

medeplegen opleveren bij de kunstroof in het Drents Museum. Er is geen DNA of enig (ander) forensisch bewijs aangetroffen op basis waarvan verdachte in het museum kan worden geplaatst. Ook kan aan de hand van de camerabeelden van het Drents Museum niet worden vastgesteld dat verdachte één van de drie daders in en bij het museum is geweest.

Op de jas die na de kunstroof is gevonden is DNA aangetroffen dat afkomstig kan zijn van minimaal vier personen, waarvan een groot gedeelte afkomstig is van medeverdachte [medeverdachte 1] .

Daarnaast is een relatief kleine hoeveelheid DNA aangetroffen van verdachte alsmede van nog minimaal twee andere personen. Op de door verdachte aangeschafte Decathlon tas is ook DNA van hem aangetroffen. De enige conclusie die hieruit getrokken kan worden is dat door contaminatie het DNA van verdachte dat zich op de tas bevond, op de jas is terechtgekomen. Ook zijn op de in de container gevonden broek DNA-sporen aangetroffen van [medeverdachte 1] , [naam 1] en drie onbekenden. Deze vaststelling biedt ruimte voor een scenario dat een andere persoon dan verdachte bij de roof in het museum aanwezig is geweest.

Tevens kan niet worden vastgesteld dat verdachte voor of na de kunstroof aanwezig is geweest in het huisje op het vakantiepark [naam vakantiepark] . Uit het gebruik van de burner telefoons kan niet worden afgeleid dat verdachte één van deze telefoons in gebruik zou hebben gehad op het moment van aanstralen in [naam vakantiepark] of tijdens de gereden vluchtroute. Het proces-verbaal laat ruimte voor de eventuele betrokkenheid van (een) andere, tot op heden onbekend gebleven, persoon of personen dan de drie verdachten die worden vervolgd. Dat met het Marktplaats-account van verdachte een afspraak is gemaakt voor het aanschaffen van telefoons zegt hoogstens iets over een bepaalde rol in de voorbereiding maar niet over enige betrokkenheid bij de kunstroof zelf.

Ten aanzien van het undercovertraject heeft de verdediging aangevoerd dat de uitlatingen van medeverdachte [medeverdachte 2] geen details bevatten, geen steun in objectief bewijs vinden en innerlijk tegenstrijdig zijn. Bovendien heeft [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris verklaard dat hij veel heeft gelogen en dat hij de informatie uit andere bronnen heeft gehaald. Verder is van belang dat hij mogelijk angst had voor anderen en het dus een makkelijke optie is geweest om naar verdachte te wijzen die al met zijn foto en naam in de media was verschenen. Zijn verklaringen ten overstaan van de undercovers kunnen daarom niet gebruikt worden voor het bewijs. Ook heeft de verdediging aangevoerd dat zij haar ondervragingsrecht niet heeft kunnen effectueren nu [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris een beroep heeft gedaan op zijn verschoningsrecht.

Het dossier bevat bovendien aanwijzingen voor andere betrokkenen dan verdachte bij de kunstroof. In het dossier is onderzoek gedaan naar [naam 2] , die kort voor de kunstroof in het Drents Museum aanwezig is geweest. Door Roemeense autoriteiten is informatie overlegd over [naam 2] , waaruit is gebleken dat hij zich begaf in kringen van personen die zich bezighouden met het stelen van kunst.

Naast deze [naam 2] komen in het dossier ook andere namen naar voren in relatie tot de kunstroof. Ook om die redenen ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs voor een rol van verdachte in de uitvoering.

Oordeel van de rechtbank 8

De rechtbank zal allereerst beoordelen of de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] in het undercovertraject kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Daarna worden de overige bewijsmiddelen in het dossier besproken. De rechtbank zal bij die bespreking op meerdere punten tussenconclusies trekken over de betrokkenheid van de verdachte en de medeverdachten. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de juridische kwalificatie van de gepleegde handelingen.

Effectief ondervragingsrecht

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat zij het ondervragingsrecht op grond van artikel 6 lid 3 onder d EVRM niet heeft kunnen effectueren. Naar aanleiding van onderzoekswensen van de verdediging heeft de rechtbank beslist dat medeverdachte [medeverdachte 2] als getuige gehoord zou worden in de zaak van verdachte. Bij de rechter-

commissaris heeft [medeverdachte 2] een schriftelijke verklaring overlegd en verder een beroep gedaan op zijn verschoningsrecht. De rechtbank stelt daarmee vast dat geen sprake is geweest van een effectieve ondervragingsmogelijkheid voor de verdediging.

Dit betekent evenwel niet dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Nu het aan effectieve ondervragingsmogelijkheden heeft ontbroken moet de rechtbank beoordelen of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.9 Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan.

Gelet op dit toetsingskader overweegt de rechtbank als volgt. Aan de hand van de in jurisprudentie ontwikkelde “sole or decisive-rule” moet worden beoordeeld of het bewijs voor het ten laste gelegde uitsluitend of in beslissende mate berust op de verklaringen van [medeverdachte 2] . De rechtbank stelt in het algemeen vast dat de verklaringen van [medeverdachte 2] weliswaar een belangrijk onderdeel vormen van het gehele dossier, maar dat daarnaast ook sprake is van ander (steun)bewijs dat betrekking heeft op de aanwezigheid van verdachte bij de kunstroof in het museum. De rechtbank verwijst op dit punt naar de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen in hoofdstuk 5.3.3 van dit vonnis. Het bewijs is dan ook niet uitsluitend of in beslissende mate gebaseerd op de verklaringen van [medeverdachte 2] .

De rechtbank overweegt voorts dat, gelet op het hierboven weergegeven toetsingskader, het gebrek aan voldoende ondervragingsgelegenheid, gecompenseerd kan worden. Daarvoor is nodig dat de verdediging voldoende mogelijkheid krijgt om de betrouwbaarheid van de belastende verklaringen te toetsen, anders dan door rechtstreekse ondervraging. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de niet effectieve ondervraging van de belastende getuige voldoende is gecompenseerd doordat de verdediging in de gelegenheid is gesteld om de undercovers en hun begeleiders te horen. Deze verhoren hebben vervolgens ook plaatsgevonden, waarbij aan deze getuigen vragen konden worden gesteld over het undercovertraject. Daarnaast zijn de OVC-gesprekken die onderdeel zijn van het undercovertraject woordelijk uitgewerkt en aan het dossier toegevoegd. Gelet hierop kan de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 2] getoetst worden. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.

Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 2] in undercovertraject

5.3.2.1 Toetsingskader

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [medeverdachte 2] in het undercovertraject niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Aangevoerd is dat de verklaringen van [medeverdachte 2] geen steun vinden in objectieve bewijsmiddelen en weinig specifiek zijn. Tevens heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij in zijn verklaringen heeft gelogen en dat hij informatie over het onderzoek van het internet heeft gehaald en gedeeld met de undercovers.

Ook zou hij op een dreigende en intimiderende wijze zijn benaderd.

Voor het beantwoorden van vraag of de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] voor het bewijs kunnen worden gebruikt komt het aan op de verklaringsvrijheid van de medeverdachte. In onder meer het arrest van 17 december 2019 heeft de Hoge Raad uiteengezet welke factoren van belang zijn bij de beoordeling van die verklaringsvrijheid.10 In

het bijzonder van belang zijn het verloop van het opsporingstraject, de eventueel reeds door verdachte ingenomen proceshouding met betrekking tot de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht, de mate van (psychische) druk die in dat traject op verdachte is uitgeoefend, de mate en wijze van binnen dat traject toegepaste misleiding van verdachte en de bemoeienis die opsporingsambtenaren hebben gehad met inhoud van (wezenlijke onderdelen van) door verdachte afgelegde verklaring. Bij deze beoordeling is voorts van belang duur en intensiteit van dat traject, strekking en frequentie van contacten met verdachte zelf en in het vooruitzicht gestelde consequenties als verdachte wel of juist geen opheldering geeft over bepaalde zaken. Bij deze beoordeling dient, naast het feitelijke optreden van de opsporingsambtenaren jegens verdachte, tevens acht geslagen te worden op de wettelijke grondslag waarop het optreden van opsporingsambtenaren heeft plaatsgevonden, en in het geval dat optreden is gebaseerd op een bevel tot stelselmatig inwinnen van informatie als bedoeld in art. 126j Sv, in het bijzonder op de inhoud van dat bevel waar het gaat om wijze waarop aan dat bevel uitvoering wordt gegeven, alsmede de eventueel nader aan dat bevel verbonden voorwaarden die verband houden met het verkrijgen van verklaring van verdachte.

5.3.2.2 De inhoud van de verklaring

Door de officier van justitie is op 27 februari 2025 een bevel afgegeven voor het stelselmatig inwinnen van informatie op grond van artikel 126j Sv. Het bevel is afgegeven voor de periode van 26 februari 2025 tot en met 26 mei 2025. Gedurende dit undercovertraject zijn de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ingezet als undercovers en hebben zij zich voorgedaan als burgers die als bemiddelaar optreden voor een geïnteresseerde partij die de kunstobjecten wilde kopen. De undercovers zijn begeleid door de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] . Blijkens de daartoe opgemaakte processen-verbaal waren er twee onderzoeksdoelstellingen: het achterhalen van de locatie en status van de gestolen Roemeense kunstschatten en het in kaart brengen van de personen die betrokken zijn bij de diefstal van deze kunstschatten.

In deze zaak is nagenoeg het hele undercovertraject opgenomen en woordelijk uitgewerkt. Daarnaast heeft de verdediging de gelegenheid gehad om de opgenomen gesprekken uit te luisteren en de betreffende undercoveragenten en begeleiders te horen bij de rechter-commissaris. Het undercovertraject is daarom transparant en controleerbaar.

Op 5 maart 2025 hebben de undercovers met [medeverdachte 2] gesproken in de auto. In dat gesprek zegt hij dat medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte de inbraak bij het Drents Museum hebben gepleegd. Hij ontkent dat hij de derde persoon is geweest bij de kunstroof. [medeverdachte 2] zegt wel dat hij in opdracht van [medeverdachte 1] hamers, een vluchthuisje en een vluchtauto heeft geregeld. Zoals uit de hierna te bespreken bewijsmiddelen zal volgen, blijkt dat bij de kunstroof gebruik is gemaakt van voorhamers en mokers die hoogstwaarschijnlijk zijn aangeschaft bij de Praxis in [plaats] . Na de inbraak in het Drents Museum is nabij Rolde een auto uitgebrand die betrokken lijkt te zijn geweest bij deze inbraak. De vermoedelijke daders zijn met een andere auto gevlucht. Verder is op naam van [medeverdachte 2] een huisje gehuurd op het vakantiepark [naam vakantiepark] . Dit betreft informatie die op dat moment nog niet in de media was verschenen en is daarom aan te merken als daderinformatie. Dat betekent dat het gaat om een specifiek detail over de kunstroof die alleen de personen die hierbij betrokken zijn geweest kunnen weten.

[medeverdachte 2] zegt op 9 maart 2025 tegen de undercovers dat hij de derde persoon is geweest bij de kunstroof in het Drents Museum. Hij vertelt dat hij na de inbraak samen met verdachte is weggereden. En dat die kleine alleen is weggegaan en de spullen heeft meegenomen en gestasht. Tijdens eerdere ontmoetingen heeft [medeverdachte 2] verwezen naar [medeverdachte 1] als kleine. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat de verdachten na de kunstroof zijn vertrokken in een grijze Volkswagen Golf. Die auto is uitgebrand aangetroffen en de vermoedelijke daders zijn om 03:43 uur in een andere auto vertrokken. De Ford Transit op

naam van [medeverdachte 1] is na de kunstroof op 25 januari 2025 omstreeks 10:00 uur langs Groningen en Oosterzee naar de Afsluitdijk gereden. Deze informatie die door [medeverdachte 2] is gegeven betreft naar het oordeel van de rechtbank daarom opnieuw daderinformatie.

Om toegang te krijgen tot het museum is volgens [medeverdachte 2] gebruik gemaakt van zwaar vuurwerk. Het zou geen semtex betreffen en ook geen Cobra. Deze verklaring is minder gedetailleerd maar vindt desondanks wel bevestiging in het onderzoek. Hieruit blijkt namelijk dat gebruik is gemaakt van een flashbanger Ti-Rex, aan te merken als professioneel vuurwerk met een grote explosieve massa. In datzelfde gesprek geeft [medeverdachte 2] aan dat ze dachten dat de deur open geblazen zou worden, maar dat dat niet het geval was. Ze moesten nog een deur inslaan. Op de vraag of hij hard heeft moeten slaan zegt hij dat achter het glas nog een plastic laag zat maar hij daar wel doorheen is gekomen. Het dossier bevat informatie dat de nooddeur van het Drents Museum heeft bestaan uit een houten frame met betongaas en twee platen multiplex die met een dubbel hangslot aan de bestaande constructie waren verankerd. De verklaring van [medeverdachte 2] is gedetailleerd, bevat informatie die niet in de media is geweest en wordt bevestigd door onderzoeksbevindingen.

5.3.2.3. De mate van misleiding, druk en dreiging tijdens het undercovertraject

De rechtbank stelt voorop dat undercovertrajecten zich kenmerken door het verkrijgen van informatie door het misleiden van een verdachte. Dit is tot op zekere hoogte noodzakelijk om het vertrouwen van een verdachte te winnen en te kunnen behouden. In deze zaak heeft de misleiding hierin bestaan dat de undercovers zich hebben voorgedaan als een bemiddelende partij die de kunstschatten van [medeverdachte 2] wilde kopen. Daarbij werd voorgewend dat de undercovers in contact stonden met dan wel onderdeel uitmaakten van een crimineel samenwerkingsverband afkomstig uit Oost-Europa.

Hoewel van misleiding in deze zaak sprake is geweest, is de rechtbank niet gebleken dat deze misleiding op enigerlei wijze van invloed is geweest op de uitlatingen die [medeverdachte 2] tegenover de undercovers heeft gedaan over de inbraak in het Drents Museum of dat de grenzen van het toelaatbare daarbij zijn overschreden. De processen-verbaal geven hier op geen enkele manier blijk van.

Wel staat vast dat undercover [verbalisant 2] op 9 maart 2025 meermalen tegen [medeverdachte 2] heeft gezegd dat hij het gewoon eerlijk moet zeggen als hij de derde persoon is geweest bij de inbraak in het Drents Museum. Hij zegt ook dat ze niet achteraf willen horen dat hij wel de derde persoon in het museum was. Hij kan eerlijk zijn, zodat ze geen energie meer hoeven te steken om de derde persoon te zoeken. Ondertussen stapt een andere undercoveragent uit en even later weer in de auto. De undercover [verbalisant 2] probeert [medeverdachte 2] vervolgens gerust te stellen door te zeggen dat hij niet bang hoeft te zijn, de baas niet boos zou worden als hij de derde was en de undercover wel een goed moment zou vinden om het aan de baas te vertellen. Hierop heeft [medeverdachte 2] bevestigend geknikt.

Op de vraag waarom [medeverdachte 2] het niet eerder heeft verteld antwoordt hij lachend dat hij niet gelijk al zijn troeven wilden laten zien. [medeverdachte 2] wordt vervolgens thuis afgezet maar belt kort daarna naar de andere undercover omdat hij nog wat wil vertellen. Hij vertelt vervolgens ook aan deze undercover dat hij de derde persoon is die erbij was. [medeverdachte 2] belt hier uit eigen beweging één van de undercovers op, zonder daartoe concrete noodzaak bestaat. Daaruit blijkt volgens de rechtbank ook dat [medeverdachte 2] zijn eigen keuzes kon maken in het contact met de undercovers en daar ook gebruik van durfde te maken. Dit komt in het undercovertraject naar voren op meerdere momenten. Zo belt [medeverdachte 2] op 5 maart uit zichzelf, een paar uur na de eerste fysieke ontmoeting, naar de undercovers met de vraag of ze nog even kunnen praten. Na afloop van het etentje dat hierop volgt spreekt [medeverdachte 2] zijn waardering uit voor het respect dat hem wordt getoond. Nadat [medeverdachte 2] op 9 maart heeft gezegd dat hij de derde persoon is geweest in het museum, belt hij op 12 maart met één van de undercovers en vraagt hij of de undercover in de buurt is

omdat hij een briefje van 500 euro wil wisselen om boodschappen te doen.

Uit het stellen van vragen door de undercovers over wie betrokken is geweest bij de inbraak in het museum en of [medeverdachte 2] de derde man is, zoals onder meer op 9 maart 2025 en hierboven weergegeven, kan evenmin de conclusie getrokken worden dat sprake is geweest van een verhoorsituatie. Het stellen van vragen is vanzelfsprekend in een gesprek. Belangrijk is dat de vragen die gesteld zijn passen binnen de onderzoeksdoelstellingen én bij het narratief van het undercovertraject. De undercovers hebben belangstelling voor de kunstobjecten en zijn bereid daarvoor flink te betalen, zo laten ze merken. [medeverdachte 2] heeft tijdens fysieke ontmoetingen op 5 maart gesteld dat hij niet de derde man is, maar wel [medeverdachte 1] en verdachte aangewezen als betrokkenen en verteld dat contact met hen moeilijk is vanwege de beperkingen. Om de kunstobjecten te achterhalen is het logisch dat de undercovers als zijnde geïnteresseerde kopers dan de derde man willen achterhalen. Dat de undercovers ook [medeverdachte 2] meermaals op de man af vragen of hij de derde man is, past ook bij het narratief van de undercoveroperatie en de informatie die in het traject al naar voren is gekomen: [medeverdachte 2] heeft immers in het eerste telefoongesprek op 5 maart zelf op eigen initiatief gezegd dat we het als één team gedaan hebben. Eén van de undercovers geeft aan dat dit eerste telefoongesprek ook de reden is dat [medeverdachte 2] op 9 maart opnieuw wordt gevraagd naar zijn eigen rol. Over het geheel genomen is niet gebleken dat [medeverdachte 2] louter vragen zijn gesteld over zijn eigen rol. De vragen zijn (tevens) dienstig geweest aan de onderzoeksdoelstellingen: achterhalen of [medeverdachte 2] de kunstobjecten zou kunnen terug leveren of dat er nog iemand anders verantwoordelijk was en over de kunstobjecten zou kunnen beschikken.

Evenmin is gebleken dat [medeverdachte 2] tijdens de gesprekken en ontmoetingen onder buitensporig grote druk heeft gestaan. De hiervoor aangehaalde voorbeelden vallen volgens de rechtbank moeilijk te rijmen met iemand die onder zware druk staat of heeft gestaan. [medeverdachte 2] heeft echter aan de hand van een schriftelijke verklaring bij de rechter-commissaris verklaard dat hij zich wel bedreigd en onder druk gezet voelde. Tijdens de eerste fysieke ontmoeting met de undercovers op 5 maart is hij bij zijn schouder gegrepen en is zijn arm vastgepakt. Hij moest tegen zijn wil in de auto plaatsnemen, die hij niet kon verlaten vanwege het kinderslot dat actief zou zijn. Ook stelt hij door de undercovers bedreigd te zijn met de dood.

De undercovers en hun begeleiders hebben ook verklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris en daaruit blijkt het volgende. Anders dan [medeverdachte 2] heeft gesuggereerd hebben de undercovers verklaard dat zij tijdens het traject geen vuurwapens hebben gedragen. Ook hebben zij uitgelegd dat [medeverdachte 2] tijdens de eerste ontmoeting is aangelopen en hij op dat moment zijn handen in zijn zakken had. Bij het aftasten van [medeverdachte 2] zijn broekrand en jaszakken heeft [verbalisant 3] iets hards gevoeld. Vanwege de informatie omtrent de mogelijke aanwezigheid van een vuurwapen is tegen [medeverdachte 2] gezegd dat hij zijn handen uit zijn zakken moest halen en is hij gefouilleerd op de aanwezigheid van een wapen.

Hierna is aan [medeverdachte 2] verteld dat hij zijn jas moest uittrekken en is tegen hem gezegd dat hij de auto in moest stappen om even te praten. Eenmaal in de auto wordt op een indringende wijze met [medeverdachte 2] gesproken waarbij geschreeuwd zou zijn om aan hem duidelijk te maken dat hij hun, de undercovers, serieus moet nemen. Daarna is een gesprek gevoerd om [medeverdachte 2] weer rustig te krijgen. Dat de portier op het kinderslot zou zitten vindt geen bevestiging in de verklaringen van de undercovers. Zij verklaren allemaal dat [medeverdachte 2] vrij was om te gaan en te staan waar hij wilde, maar dat hij nooit heeft gezegd of laten merken dat hij weg wilde. In het geval [medeverdachte 2] zou zijn weggerend waren de undercovers geïnstrueerd om niet achter hem aan te gaan. Voor wat betreft de dreiging hebben zij verklaard dat zij optraden als bemiddelende partij en geen dreigende situatie voor [medeverdachte 2] wilden creëren, eerder het tegenovergestelde. De undercovers hebben verklaard dat zij [medeverdachte 2] niet hebben bedreigd met de dood.

De rechtbank ziet dat er stevige taal is gebruikt door de undercovers, vooral toen [medeverdachte 2] hun cover in twijfel trok, maar vindt voor een bedreiging met de dood geen bevestiging in de opgemaakte processen-verbaal en de uitwerking van de opnames (OVC-gesprekken) van de ontmoetingen. Vaststaat dat er op momenten wel degelijk druk is uitgeoefend, maar deze druk is naar het oordeel van de rechtbank niet ontoelaatbaar geweest en heeft niet een dusdanige invloed gehad op de uitlatingen van [medeverdachte 2] dat die moeten worden aangemerkt als onbetrouwbaar.

Verder wordt door de rechtbank meegewogen dat de duur en intensiteit van het traject relatief beperkt is gebleven. Het undercovertraject heeft in totaal zes weken geduurd. Op 3 maart 2025 is het broertje van medeverdachte [medeverdachte 2] aangelopen, het eerste fysieke gesprek met [medeverdachte 2] heeft plaatsgevonden op 5 maart. In totaal zijn er vijf fysieke ontmoetingen geweest, die bestonden uit autoritten en een etentje in een restaurant, waarmee de contactmomenten relatief beperkt zijn gebleven. De buitenlandse undercover die zich heeft voorgedaan als de baas is tweemaal aanwezig geweest bij de ontmoetingen met [medeverdachte 2] , beide keren op 5 maart 2025. Het contact buiten de fysieke ontmoetingen om bestond uit telefonisch contact en enkele app-gesprekken.

5.3.2.4. Conclusie

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 2] tijdens het undercovertraject verklaringen heeft afgelegd waarin hij zichzelf, [medeverdachte 1] en verdachte heeft belast. Deze verklaringen vinden op diverse punten bevestiging in onderzoeksresultaten. Hij heeft deze verklaringen afgelegd, terwijl hij niet wist dat hij met opsporingsambtenaren te maken had. Niet is gebleken dat hij deze verklaringen onder druk of dreiging heeft afgelegd en ook kan niet worden gesteld dat zijn verklaringsvrijheid is aangetast. De rechtbank ziet overigens ook geen reden waarom [medeverdachte 2] zichzelf, [medeverdachte 1] en verdachte ten onrechte zou belasten.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 2] betrouwbaar zijn en niet alleen steun vinden in objectieve bewijsmiddelen maar ook specifieke daderinformatie bevatten. De verklaringen van [medeverdachte 2] binnen het undercovertraject kunnen dus voor het bewijs worden gebruikt.

Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen Inbraak Drents Museum

In de nacht van 25 januari 2025 omstreeks 03.42 uur ontvangen twee verbalisanten een melding van een inbraakalarm bij het Drents Museum. Aanrijdend krijgen de verbalisanten te horen dat er vlakbij het museum een explosie is geweest.11 Uit de aangifte namens het Drents Museum volgt dat verdachten de expositieruimte zijn binnengedrongen via de tuin van het museum. Met werktuigen en een explosief hebben zij de nooddeur van de expositieruimte geforceerd en opengebroken. Bij de inbraak zijn de gouden helm van Co□ofene□ti en drie Dacische gouden armbanden weggenomen.12 Op de camerabeelden rondom en in het Drents Museum is te zien dat drie verdachten de nooduitgang openbreken met gereedschap. Kort daarna is een lichtflits, vermoedelijk de explosie, zichtbaar. Door een getuige is beschreven dat het een gigantische explosie is geweest waardoor een ruit aan de overkant van de straat kapot is gegaan.13Vervolgens betreden alle drie de verdachten het museum. Het gaat om twee verdachten van ongeveer dezelfde lengte en één kleinere verdachte. Laatstgenoemde draagt een donkere broek met een lichte streep en heeft een sporttas over zijn rechterschouder. De kleinere verdachte gaat als eerste het museum in. Hij loopt rechtstreeks op de vitrine af waar zich de gouden helm van Co□ofene□ti bevindt. Na drie keer te slaan met een voorhamer raakt de voorzijde van de vitrine los. Hij pakt vervolgens de gouden helm en stopt deze in zijn tas. De verdachte die als tweede het museum binnenkomt loopt een andere kant op. Hij slaat in totaal acht keer op een glazen vitrine. Deze verdachte heeft zijn handen meermalen in de vitrine gestoken en de drie Dacische gouden armbanden weggenomen. De verdachte die als derde het museum heeft betreden slaat zeven keer tegen een vitrine aan, maar slaagt er niet in om door

het glas heen te slaan. De verdachten zijn ongeveer vijftig seconden binnen en verlaten vervolgens het museum op dezelfde wijze als zij binnen zijn gekomen.14

Zowel binnen als buiten het museum heeft forensisch onderzoek plaatsgevonden. Verbalisanten die ter plaatse komen bij de plek waar de inbrekers binnen zijn gedrongen, treffen een ravage aan. Een hekwerk is vernield en een kozijn ontzet.15 Bij de nooduitgang is een moker aangetroffen en nabij de vitrines in het museum een breekijzer.16 De moker vertoont veel overeenkomsten met de mokers die door de Praxis worden verkocht van het merk Sencys.17 Ook zijn in de sloot rondom de tuin van het museum twee voorhamers aangetroffen van het merk Sencys.18 Bij de nooduitgang zijn snippers aangetroffen.19 Deze snippers zijn door een materiedeskundige vuurwerk aan de hand van afbeeldingen onderzocht. Hij heeft vastgesteld dat de fragmenten hebben toebehoord aan een flashbanger (knalvuurwerk) dat bekend is onder de naam Ti-Rex. Dit vuurwerk heeft een netto explosieve massa van 275 gram, is aan te merken als professioneel vuurwerk en zowel het voorhanden hebben als het afsteken daarvan door particulieren is strafbaar.20

5.3.3.1 Tussenconclusie rechtbank

Op basis van de hiervoor besproken van deze bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de kunstroof in het Drents Museum is gepleegd door drie personen. Deze personen hebben de nooduitgang van de expositieruimte geforceerd door met gereedschap een eerste deur open te breken. Vervolgens hebben zij voor de tweede deur professioneel vuurwerk, een flasbanger Ti-Rex, tot ontploffing gebracht. De rechtbank is van oordeel dat door de ontploffing sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen voor het pand van het Drents Museum, de in dat pand aanwezige goederen en de naastgelegen panden. Dit gevaar is niet enkel en alleen te duchten geweest maar heeft zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt.

Aangekochte werktuigen

Naar aanleiding van het aangetroffen gereedschap van het merk Sencys bij het Drents Museum is nader onderzoek ingesteld. Hieruit blijkt dat op 23 januari 2025 om 13:14 uur door de Praxis in [plaats] op hetzelfde moment twee mokers en twee voorhamers van het merk Sencys en twee veiligheidsbrillen zijn verkocht.21 [medeverdachte 2] wordt herkend als de persoon die deze artikelen koopt en naar buiten loopt richting het parkeerterrein.22 Bovendien draagt deze persoon een bril die grote gelijkenissen vertoont met een vanaf de rekening van [medeverdachte 2] aangekochte bril in Heerhugowaard.23 Op camerabeelden in de omgeving van de Praxis is te zien dat om 13:26 uur een Ford Transit Custom het parkeerterrein verlaat. Deze Ford Transit is voorzien van het kenteken [kenteken 1] op naam van [medeverdachte 1] .24

Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is onderzoek verricht naar de bij het museum aangetroffen gereedschap. Op het kromme uiteinde van het breekijzer is een DNA-profiel aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van [medeverdachte 2] , met een bewijskracht van meer dan één miljard. Dat betekent dat het DNA-profiel meer dan één miljard keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van [medeverdachte 2] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA in de bemonstering afkomstig is van drie willekeurige onbekende personen.25

Vluchtauto

Getuige [getuige 1] heeft tegenover het Drents Museum gestaan ten tijde van de inbraak. Door haar is beschreven dat er een grijze Volkswagen Golf parkeerde aan de [adres ] , er drie personen in het zwart gekleed uitstapten en richting het museum renden met grote voorwerpen in hun handen. Kort na de harde knal kwamen deze personen vanuit dezelfde richting terugrennen en verlieten zij in de eerder genoemde auto de parkeerplaats.26 Getuige [getuige 2] heeft in aanvulling daarop een kenteken gelijkend op [kenteken 2] van de Volkswagen Golf aan de politie doorgegeven.27 Rond 04:10 uur komt er een melding binnen van een autobrand onder het viaduct van de N33 nabij Rolde. Op camerabeelden is te zien dat een auto om 03:42

uur komt aanrijden, remt en vervolgens stopt onder het viaduct. Een aantal seconden later komt er een tweede auto aangereden, vermoedelijk geel van kleur, die stopt naast de eerste auto. De tweede auto rijdt na amper zeven seconden te hebben stilgestaan weg en bij het wegrijden licht de eerste auto op. Een aantal seconden later staat de auto volledig in brand.28 Verbalisanten hebben rond 03:45 uur bij de afslag Rolde nabij de rotonde een gele Peugeot, mogelijk type 208, langs de kant van de weg zien staan.29In de restanten van de uitgebrande Volkswagen Golf wordt een kentekenplaat gevonden voorzien van het kenteken [kenteken 3] .30 Op basis van Automatic Number Plate Recognition (hierna: ANPR) blijkt dat een voertuig met dit kenteken in de nacht 23 januari 2025 via Friesland naar Groningen is gereden.31 In de auto wordt ook een onderhoudsboekje gevonden met een daarin een chassisnummer van een gestolen Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken 4] .32

Kleding en sporttas

Een dag na de inbraak bij het Drents Museum wordt door getuige [getuige 3] , wonende aan [adres ] in Assen, melding gedaan van het aantreffen van verschillende kledingstukken in haar container. Zij heeft op donderdagavond 23 januari 2025 de container aan de weg gezet en is in de nacht van 25 januari 2025 na 03:15 uur wakker geworden van een containerdeksel die dicht werd gegooid. Op zondag 26 januari 2025 heeft zij bij het openen van de container een plastic Albert Heijn tas in de container gezien die niet van haar was. Getuige heeft vervolgens de plastic tas uit de container gepakt en gezien dat er in de tas verschillende voorwerpen zaten, waaronder een jas en een tas.33 De gevonden kleding zou volgens de getuige veel lijken op de kleding die door de inbrekers van het Drents Museum is gedragen. Bij de inbeslagname van de kleding, de sporttas en de Albert Heijn tas is gezien dat in het weefsel van de sporttas een stukje glas vastzat.34

Op de bovenkant van eerder genoemde Albert Heijn tas is een vingerafdruk aangetroffen die zeer grote mate van overeenkomst en geen verschillen van dactyloscopische aard vertoond met de vingerafdruk van [medeverdachte 1] . Twee dactyloscopische onderzoekers zijn er daarom van overtuigd dat de vingerafdruk door hem is geplaatst.35 Het NFI heeft vastgesteld dat het DNA in een bemonstering van de binnenzijde van de manchet van de rechterbroekspijp afkomstig kan zijn van [medeverdachte 1] , zijn partner [naam 1] (hierna [naam 1] ) en minimaal twee onbekende personen. De bewijskracht van de overeenkomst met [medeverdachte 1] is meer dan één miljard. Het NFI heeft daarnaast vastgesteld dat het DNA in een bemonstering van de binnenzijde van de kraag van de jas afkomstig kan zijn van [medeverdachte 1] en verdachte en minimaal twee onbekende personen. Er is een relatief grote hoeveelheid DNA aangetroffen van [medeverdachte 1] en een relatief kleine hoeveelheid DNA van verdachte. De bewijskracht van de overeenkomst met [medeverdachte 1] en verdachte is meer dan een miljard.36 Daarnaast is in de jaszak een glasdeeltje gevonden. Na vergelijkend glasonderzoek is geconcludeerd dat de resultaten van de vergelijking veel waarschijnlijker zijn wanneer dit glasdeeltje afkomstig is uit de sponning van de glazen deur van de nooduitgang in het Drents Museum dan wanneer dit glasdeeltje afkomstig is van een willekeurige andere ruit.37 Op de jas en broek zijn honderden glassporen aangetroffen waarvan tachtig zijn onderzocht. Na vergelijking bleken 35 glassporen overeen te komen met het referentieglas, te weten glas uit voornoemde nooduitgang, glas uit de vitrinekast van de gouden helm en glas uit de vitrinekast van de armbanden. De conclusie van het NFI is dat de resultaten van het vergelijkend glasonderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer de gevonden glassporen afkomstig zijn van het referentieglas dan wanneer deze afkomstig zijn van willekeurige andere ruiten.38

Onderzoek naar de in de container aangetroffen sporttas heeft uitgewezen dat het gaat om een travelbag van Decathlon van het merk Forclaz voorzien van een uniek serienummer. Aan de hand van deze gegevens is vastgesteld dat deze specifieke sporttas is gekocht op 21 januari 2025 bij Decathlon in [plaats] .39 Verdachte is herkend als de persoon die deze sporttas koopt.40 Op de schouderband van de sporttas is een DNA-mengprofiel aangetroffen die afkomstig kan zijn van verdachte en minimaal drie andere personen. De bewijskracht van de overeenkomst met

verdachte (en minimaal drie andere personen) is meer dan één miljard. Op het handvat van de tas is ook een DNA-mengprofiel aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [medeverdachte 1] (en minimaal twee andere personen) met een bewijskracht van ongeveer 30 miljoen.41 Verder zijn in de sporttas deeltjes goud veiliggesteld en aangetoond.42

5.3.3.2 Tussenconclusie rechtbank

De rechtbank concludeert op grond van de hoge bewijskrachten zoals die volgen uit de bewijsmiddelen met betrekking tot het DNA-onderzoek, met inachtneming van de rest van het dossier, steeds dat het DNA afkomstig is van de genoemde personen. Verder stelt de rechtbank op basis van de hiervoor besproken bewijsmiddelen vast dat [medeverdachte 2] op 23 januari 2025 voorhamers en mokers heeft gekocht bij de Praxis in [plaats] , waarbij kort daarna de Ford Transit van [medeverdachte 1] het parkeerterrein verlaat. Op het breekijzer dat voor de vitrines in het museum is aangetroffen wordt DNA van [medeverdachte 2] aangetroffen. Verder wordt in een container van getuige [getuige 3] kleding gevonden die grote gelijkenissen vertoont met de kleding die door de inbrekers van het Drents Museum is gedragen. De verklaring van getuige dat zij wakker is geworden van een container die hard wordt dichtgeslagen past ook bij het tijdstip van de inbraak in het museum. Op de binnenzijde van de broek is DNA aangetroffen van [medeverdachte 1] en op de Albert Heijn tas een vingerafdruk die afkomstig is van hem. Op de jas is DNA aangetroffen van [medeverdachte 1] en verdachte. Op de jas en broek zijn glassporen aangetroffen en door het NFI is geconcludeerd dat het extreem veel waarschijnlijker is dat de gevonden glassporen afkomstig zijn van het referentieglas uit het museum dan van willekeurige andere ruiten. De sporttas van Decathlon is door verdachte aangeschaft en op die sporttas is DNA aangetroffen van zowel verdachte als [medeverdachte 1] . Ook zijn er in die sporttas goud deeltjes aangetoond.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de broek en de jas gedragen door de personen die betrokken zijn bij de kunstroof in het Drents Museum en die in het museum zijn geweest. Gelet op de eerder besproken camerabeelden van het museum, de aangetoonde gouddeeltjes in de tas en het aantreffen daarvan in de container bij de overige kledingstukken, en het korte tijdsverloop tussen de inbraak en het aantreffen van de kledingstukken, is het aannemelijk dat de gouden helm van Co□ofene□ti in deze sporttas heeft gezeten. De rechtbank overweegt op basis van deze vaststellingen en de resultaten van het DNA-onderzoek dat [medeverdachte 1] , verdachte en [medeverdachte 2] op enigerlei wijze betrokken zijn geweest bij de kunstroof in het Drents Museum.

Ford Transit ANPR

Vanwege de mogelijke betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte 1] bij de kunstroof zijn de kentekens op naam van deze verdachten bevraagd. De Ford Transit met kenteken [kenteken 1] op naam van [medeverdachte 1] rijdt in de nacht van 23 januari 2025 via de Afsluitdijk vanuit Noord-Holland naar Friesland. Op 25 januari 2025 omstreeks 10:14 uur rijdt deze auto langs Groningen en gaat via de A6 langs Oosterzee om vervolgens via de Afsluitdijk naar Noord-Holland te rijden.43 Deze Ford Transit is die dag omstreeks 10:36 uur bij een tankstation in [plaats] (tussen Drachten en Heerenveen). Bij het tankstation stapt een persoon uit de Ford Transit die grote gelijkenissen vertoont met [medeverdachte 1] .44

Diefstal kentekenplaten en Volkswagen Golf

De kentekenplaten [kenteken 3] van de uitgebrande Volkswagen Golf zijn tussen woensdagavond 22 januari en donderdagochtend 23 januari 2025 gestolen.45 Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij de kentekenplaten in opdracht heeft gestolen en aan verdachte heeft overhandigd. Als hem wordt gevraagd of hij daar ook betaald voor heeft gekregen geeft hij aan dat verdachte zou hebben gezegd: Ik vergeet je niet.46

Ook de uitgebrande Volkswagen Golf blijkt gestolen te zijn, namelijk in Alkmaar aan [adres ] tussen woensdagavond 22 januari en donderdagmiddag 23 januari 2025. In de auto zat bijna

geen brandstof meer.47 In de onder verdachte inbeslaggenomen iPhone XR is op 23 januari 2025 om 02:06 uur via de applicatie Apple Maps een zoekslag gedaan naar [adres ] in Alkmaar. Op de camerabeelden van een Ring deurbel in die straat is te zien dat twee personen diezelfde nacht om 02:08 uur in beeld komen.48 De grijze Volkswagen Golf, op dat moment nog voorzien van het kenteken [kenteken 4] , komt daarna tussen 02:30 uur en 02:55 uur in beeld bij een tankstation in [plaats] . De passagier stapt uit, loopt om de auto heen en is bezig met de tankslang van de pomp. Kort daarna stapt ook de bestuurder uit de auto. Op meerdere momenten wordt de auto naar voren en naar achteren geduwd. Aan het verschil in felheid van de lampen lijkt het alsof geprobeerd wordt om de auto te starten. De bestuurder lijkt kort voor en na het duwen bezig te zijn met een telefoon. De auto rijdt vervolgens weg en geconstateerd wordt dat er in deze periode geen andere personen of voertuigen te zien zijn.49 In de eerdergenoemde iPhone XR zijn chats aangetroffen tussen verdachte en vermoedelijk medeverdachte [medeverdachte 3] waarin verdachte om 02:43 uur zegt: Waggie gaat niet meer aan.50 Vanaf de rekening op naam van verdachte wordt er die dag tussen 02:33 uur en 02:42 uur driemaal gepoogd om bij het tankstation in [plaats] te betalen en ook daadwerkelijk eenmaal

betaald.51 Op diezelfde dag om 02:43 uur wordt bij voornoemd tankstation 35,63 afgeschreven van de rekening op naam van [medeverdachte 2] .52 Ongeveer anderhalf uur later om 04:32 uur wordt er 107,74 afgeschreven van de rekening van [medeverdachte 2] bij een tankstation in Groningen. Op de camerabeelden is een grijze Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken 3] te zien. De passagier stapt uit, lijkt te betalen, pakt de tankslang en gaat tanken. De auto verlaat daarna het tankstation. In deze tijd zijn er geen andere personen of voertuigen waargenomen.53 [medeverdachte 2] is aan de hand van camerabeelden op meerdere momenten in het onderzoek herkend. Hij draagt steeds nagenoeg dezelfde kleding, gelijkend op de kleding die wordt gedragen door één van de personen op de beelden van de Ring deurbel in [adres ] en de camerabeelden van de tankstations in [plaats] en Groningen. Zo loopt een persoon met de kleding die op andere momenten door [medeverdachte 2] wordt gedragen op 22 januari 2025 samen met een persoon die is herkend als verdachte bij een supermarkt in [plaats] .54

5.3.3.3 Tussenconclusie rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen komen vast te staan dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 2] in Alkmaar een Volkswagen Golf heeft gestolen in de nacht van 22 op 23 januari 2025.

De rechtbank overweegt daartoe dat met de telefoon van verdachte op 23 januari 2025 om 02:06 uur is gezocht naar [adres ] , zijnde de straat waar de auto is weggenomen. Twee minuten later zijn er in die straat twee personen te zien op de beelden van een Ring deurbel. Bij het tankstation in [plaats] wordt nog geen half uur later getankt met de gestolen auto en vinden er afschrijvingen plaats van zowel de rekening van verdachte als [medeverdachte 2] . Ook past het heen en weer duwen van de auto bij de verklaring dat er in de auto bijna geen brandstof meer zat en het bericht van verdachte aan medeverdachte [medeverdachte 3] dat de waggie niet meer aangaat. De in opdracht van verdachte gestolen kentekenplaten [kenteken 3] zijn onderweg van [plaats] naar Groningen verwisseld met de originele kentekenplaten. In Groningen wordt opnieuw getankt en vindt er een afschrijving plaats van de rekening van [medeverdachte 2] . Op basis van de herkenning van [medeverdachte 2] aan zijn kleding en de afschrijvingen van zijn rekening op de momenten dat er door de passagier van de gestolen auto bij de tankstations in [plaats] en Groningen wordt getankt, de reisbeweging van de auto en het tijdsverloop tussen de diefstal van de auto en de tijdstippen waarop vervolgens door de passagier wordt gepind, stelt de rechtbank vast dat verdachte de bestuurder van de auto is geweest en [medeverdachte 2] de passagier. Deze auto voorzien van de gestolen kentekenplaten is kort na de kunstroof uitgebrand aangetroffen nabij Rolde.

Vakantiepark [naam vakantiepark]

Op 20 en 24 januari 2025 vinden er afschrijvingen plaats van de rekening van [medeverdachte 2] bij [bedrijf] B.V.55 [medeverdachte 2] is herkend als de persoon die in de ochtend van 24

januari 2025 de huur van het huisje met nummer [nummer] verlengt.56 Uit de loggegevens van het smartlocksysteem op de buitendeur van het huisje blijkt dat op 23 januari 2025 om 05:42 uur driemaal een foutieve pincode wordt ingevoerd en op 24 januari om 17:19 uur voor het eerst wordt ingecheckt met de juiste pincode. Het laatste moment waarop de juiste pincode wordt ingevoerd voor de inbraak in het Drents Museum is 01:22 uur. Daarna wordt om 02:52 uur nog tweemaal een foutieve pincode ingevoerd en wordt om 04:02 en 04:29 uur weer de juiste pincode gebruikt.57 Vanaf het IP-adres van het huisje is in de middag van 24 januari 2025 de website bezocht van het Drents Museum, meer specifiek de tentoonstelling “Dacia rijk van goud en zilver”. Ook is diezelfde dag de website Archidat bezocht door een IP-adres in een gebied waar ook het huisje met nummer [nummer] deel vanuit maakt. Op deze website staat onder meer de plattegrond van het Drents Museum.58 Bij de voordeur is glas aangetroffen.59 Het NFI heeft geconcludeerd dat de resultaten van het vergelijkend glasonderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer deze glassporen afkomstig zijn van één van de vitrines uit het museum dan wanneer deze afkomstig zijn van een willekeurige andere ruit.60

5.3.3.4 Tussenconclusie rechtbank

De rechtbank stelt vast dat medeverdachte [medeverdachte 2] dit huisje op vakantiepark [naam vakantiepark] heeft gehuurd en in de ochtend van 24 januari de huur heeft verlengd. Die middag wordt vanaf het IP-adres van dit huisje de site van het Drents Museum bezocht en vermoedelijk ook de website Archidat met daarop de plattegrond van dit museum. Daarnaast zijn bij de voordeur glassporen aangetroffen waarvan het NFI heeft geconcludeerd dat het veel waarschijnlijker is dat deze glassporen afkomstig zijn van één van de vitrines uit het museum dan van een willekeurige andere ruit. Gelet op die vaststellingen overweegt de rechtbank dat in ieder geval één van de daders na de inbraak in het Drents Museum bij het door [medeverdachte 2] gehuurde huisje is geweest. Dat scenario wordt bevestigd door de activiteiten op het smartlocksysteem om 04:02 en 04:29 uur, niet lang na de inbraak en kort na het in brand steken van de vluchtauto.

Gele Peugeot 208

Analyse van de bankrekening van [medeverdachte 2] toont aan dat op 23 januari 2025 om 22:11 uur een bedrag van 10,11 is gepind bij een tankstation aan [adres ] in Assen. Op dat moment is te zien dat een gele Peugeot 208 langs en ook op het terrein van het tankstation rijdt.61 In de periode van 23 januari tot en met 27 januari 2025 is in [geboorteplaats] een gele Peugeot 208 met kenteken [kenteken 5] gehuurd door [naam 3] (hierna: [naam 3] ).62 De ANPR gegevens laten zien dat deze Peugeot 208 op 23 januari 2025 vanuit Noord-Holland in de richting van Noord-Nederland beweegt. Het telefoonnummer van [naam 3] straalt die dag zendmasten aan in Beilen en heeft contact gehad met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] .63 De Peugeot 208 met voornoemd kenteken is op 23 januari 2025 tussen 15:50 en 16:07 uur te zien in de omgeving van het station Beilen evenals een zwarte Ford Transit.64 [naam 3] heeft verklaard dat hij op verzoek van anderen een auto heeft gehuurd, deze naar Beilen heeft gebracht en vervolgens met de trein is teruggegaan.65

Aanschaf en gebruik telefoons

Uit transactiegegevens van [medeverdachte 2] blijkt dat er op 25 januari 2025 om 19:25 uur is gepind bij een Albert Heijn in [plaats] . De aankoop betreft beltegoed en een simkaart van Lebara. Met het beltegoed is gepoogd om het telefoonnummer [telefoonnummer 2] op te waarderen.66 Op de camerabeelden van deze supermarkt is te zien dat op voornoemd tijdstip twee personen voor de winkel staan waarvan één persoon herkend wordt als verdachte. De tweede persoon heeft dezelfde kleren aan als de persoon die op andere momenten wordt gedragen door [medeverdachte 2] .67 De persoon die wordt herkend als verdachte loopt de winkel in, rekent iets af bij de infocounter, houdt in zijn rechterhand een bon vast en verlaat vervolgens de winkel.68Het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 2] heeft in de nacht van 25 januari 2025 tussen 04:34 en 05:10 uur en op 11:26 uur op meerdere momenten zendmasten aangestraald in [naam vakantiepark] . Het telefoonnummer was gekoppeld aan het

IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] behorend bij een iPhone 6S. Dit IMEI-nummer kwam op 24 januari al in beeld bij de zendmast van [naam vakantiepark] , maar toen met het telefoonnummer [telefoonnummer 3] .69 Op 23 januari 2025 om 03:06 uur wordt er met deze telefoon en het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 3] een zendmast aangestraald nabij [plaats] en om 04:24 uur een zendmast in Groningen, waar op dat moment is getankt met de gestolen Volkswagen Golf. Het laatstgenoemde telefoonnummer is tot 25 januari tot 04:04 uur in deze iPhone 6S gebruikt en vervolgens vervangen met het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 2] . Zoals eerder genoemd worden er op diezelfde dag met dit nummer zendmasten aangestraald in [naam vakantiepark] en in de avond om 19:27 uur een zendmast in [plaats] .70Ook is na het wisselen van de simkaart om 04:34 uur met dit telefoonnummer gebeld naar het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] heeft zendmasten aangestraald op 23 januari 2025 om 05:59 en 06:42 uur op het vakantiepark [naam vakantiepark] , omstreeks 13:00 uur bij de Praxis in Assen en op 25 januari 2025 tussen 03:56 en 04:59 op de route tussen Assen en Rolde. Dit telefoonnummer was gekoppeld aan het IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] behorend bij een iPhone 6.71 Vanaf deze telefoon worden in de nacht van 23 januari masten aangestraald in Noord-Holland en vervolgens om 03:37 uur in Hijken, een plaats in Drenthe vlakbij Assen. Uit de ANPR gegevens van het voertuig op naam van [medeverdachte 1] blijkt dat deze om 03:18 uur tussen Drachten en Oosterwolde rijdt. De reistijd vanaf deze locatie naar Hijken bedraagt een half uur. Later op die dag tussen 11:45 en 13:03 uur worden masten aangestraald in Assen. Daarna is te zien dat het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] om 16:06 uur zendmasten heeft aangestraald in Beilen en daarvoor contact heeft gehad met een telefoonnummer dat in gebruik was bij [naam 3] . In de periode van 23 januari tot en met 25 januari 2025 is er meerdere keren contact tussen de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 3] .72

Uit onderzoek naar de onder verdachte inbeslaggenomen iPhone XR volgt dat op 22 januari 2025 diverse Marktplaatsadvertenties zijn bezocht, waaronder twee advertenties van een verkoper van een iPhone 6 en iPhone 6S genaamd [naam 4] . Die avond vindt er een gesprek plaats tussen verdachte en getuige [naam 4] over de aankoop van een iPhone 6. Op de Ring deurbel beelden van deze getuige is te zien dat op 22 januari 2025 omstreeks 16:31 uur een persoon herkend als [medeverdachte 1] een iPhone 6S koopt. Diezelfde dag omstreeks 20:14 uur koopt een persoon herkend als [medeverdachte 2] een iPhone 6. De iPhone 6 heeft het IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] . Het is zeer aannemelijk dat de iPhone 6S gekoppeld is aan het IMEI-nummer

[IMEI-nummer 1] .73

5.3.3.5 Tussenconclusie rechtbank

Verdachte heeft drie dagen voor de kunstroof in het Drents Museum advertenties bezocht van een iPhone 6 en 6S en heeft contact gehad met de verkoper. Op de deurbelcamera van deze verkoper is te zien dat [medeverdachte 1] die dag een iPhone 6S koopt. Niet veel later komt [medeverdachte 2] aan de deur en koopt een iPhone 6. Beide iPhones maken in de periode van 22 januari tot en met 25 januari 2025 gebruik van verschillende telefoonnummers. Deze telefoonnummers zijn in beeld gekomen op belangrijke moment en plaatsen in het onderzoek. De iPhone 6S heeft in eerste instantie gebruik gemaakt van een telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 3] . Dit telefoonnummer straalt in de nacht van 23 januari 2025 zendmasten aan bij [plaats] en Groningen, overeenkomend met de momenten waarop verdachte en [medeverdachte 2] tanken met de gestolen Volkswagen Golf. Op 24 en 25 januari 2025 wordt een zendmast aangestraald in [naam vakantiepark] , nabij het vakantiepark. Na het wisselen van de simkaart kort na de kunstroof wordt gebruik gemaakt van het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 2] . Die avond worden met dit telefoonnummer masten aangestraald in [plaats] , waar op dat moment verdachte en [medeverdachte 2] aanwezig zijn en beltegoed en een simkaart aanschaffen. De iPhone 6 maakt gebruik van een telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] waarmee op 23 januari 2025 zendmasten worden aangestraald in Noord-Holland en Drenthe. De Ford Transit van [medeverdachte 1] lijkt op dat moment een soortgelijke route af te leggen. Daarna worden masten aangestraald in [naam vakantiepark] en bij de Praxis

in [plaats] omstreeks 13:00 uur, zijnde het moment waarop [medeverdachte 2] gereedschap koopt en [medeverdachte 1] zijn auto de parkeerplaats verlaat. In de middag is er met dit telefoonnummer contact geweest met [naam 3] . Ook worden om 16:06 uur masten aangestraald in Beilen, overeenkomend met het moment waarop er een zwarte Ford Transit wordt gezien bij het station in Beilen waar [naam 3] de gele Peugeot heeft afgeleverd. Ook straalt de telefoon zendmasten aan op de route tussen Assen en Rolde tussen 03:56 en 04:59 uur, kort na de inbraak bij het Drents Museum.

Op grond van de zendmastgegevens in combinatie met de andere onderzoeksbevindingen overweegt de rechtbank dat kan worden vastgesteld dat de iPhone 6 in het bezit is geweest van [medeverdachte 1] . De iPhone 6S bevindt zich op belangrijke momenten in het onderzoek op plekken waar [medeverdachte 2] en verdachte kunnen worden geplaatst. Hieruit concludeert de rechtbank ook dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] na het aanschaffen van de iPhones hebben geruild van telefoon. Bovendien hebben de telefoonnummers die in de beide iPhones zijn gebruikt zowel voorafgaand als kort na de kunstroof contact met elkaar gehad.

Undercovertraject

Undercover [verbalisant 3] heeft het broertje van medeverdachte [medeverdachte 2] , [naam 4] (hierna: [naam 4] ), op 3 maart 2025 buiten een supermarkt aangelopen. Door de undercover is aan [naam 4] verteld dat zij optreden als bemiddelaars en zijn broer willen spreken. [naam 4] zou wel weten waar dit over zou gaan. Uiteindelijk is aan [naam 4] een mobiele telefoon en

500,- overhandigd waarbij is gezegd dat [medeverdachte 2] contact moet opnemen.74 Ongeveer twee uur later belt [medeverdachte 2] naar de undercovers en wordt hem verteld dat hij contact heeft met een groep mensen die werken voor een persoon uit het Midden-Oosten. Zij willen het ding kopen en hem helpen. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij geen beslissingen kan maken voor andere mensen en eerst hun mening wil horen, maar dat het nog eventjes kan duren omdat zij nu in beperkingen zitten. Nadat een bedrag van vier ton wordt voorgesteld en [medeverdachte 2] aangeeft dat dit te weinig is, gaat het gesprek verder over dat de tori straks misschien weg is omdat mensen in de gevangenis gaan praten. Medeverdachte [medeverdachte 2] zegt: We hebben het als één team gedaan, dus het moet ook als één team worden opgelost.

Verder bevestigt hij dat de tori er nog is, alleen niet in zijn bereik.75

Anders dan afgesproken laat [medeverdachte 2] niks van zich horen en reageert hij niet op telefoonoproepen en smsjes. Op 5 maart 2025 wordt hij door de undercovers op straat gesignaleerd en stapt [verbalisant 3] uit de auto om hem aan te spreken. [verbalisant 3] is achter [medeverdachte 2] aangelopen en heeft hem aangeraakt bij zijn schouder. Zoals eerder besproken in het kader van de betrouwbaarheid van het undercovertraject wordt [medeverdachte 2] gefouilleerd en wordt tegen hem gezegd dat hij in moet stappen om te praten.76 In de auto wordt vervolgens onder meer het volgende gezegd:

[medeverdachte 2] : Ik ben nu gewoon eerlijk met je. Ik weet niet waar die dingen zijn. De enige die dat weet, die zit vast.

UC1: Wie is dat? Wie weet? [medeverdachte 2] : Dat is die kleine. UC1: Welke kleine?

[medeverdachte 2] : Die zonder baard. UC1: Welke kleine zonder baard?

[medeverdachte 2] : Die [medeverdachte 1] . UC1: [medeverdachte 1] , is die tori bij hem?

[medeverdachte 2] : Nee, niet bij hem. Ik weet niet waar die is. Hij is die enige die weet waar het is.

UC1: Je wil zeggen dat je er niet bij was?

[medeverdachte 2] : Nee, ik was daar niet bij. Ik heb die hamers gehaald. Ik heb die vluchthuisjes, zeg maar waar ze daarna heengingen, op mijn naam gezet.

UC1: En wie heeft die tori's gepleegd dan? [medeverdachte 2] : Gewoon die 2 boys UC1: 2 boys?

[medeverdachte 2] . Nee, er zijn 3 boys op die tori geweest. Ik ken alleen 2 boys op die tori. UC1: En dat is [medeverdachte 1] en?

[medeverdachte 2] : Die [verdachte] ook. UC1: Hoe veel doekoe kreeg je?

[medeverdachte 2] : Ik heb 3 kop gekregen man. UC1: Van wie?

[medeverdachte 2] : Van die [medeverdachte 1] . UC1: Om wat? Om een osso te fixen? [medeverdachte 2] : En die hamers en ja.

UC1: En wat?

[medeverdachte 2] : En nog een klein vluchtautootje voor daarna om weg te gaan.

UC1: Bradda, jullie zijn slim genoeg om die museum te klaren toch. Hoe zijn jullie, even 1 ding. Wie is de slimmerik om dat te doen? Wie heeft dat bedacht?

[medeverdachte 2] : Voor zover ik dat weet, is dat gewoon die [medeverdachte 1] . 77

In de auto is afgesproken dat er later die dag opnieuw een ontmoeting zou plaatsvinden tussen de undercovers en [medeverdachte 2] . Tijdens deze ontmoeting hebben zij samen gegeten in [plaats] en heeft [medeverdachte 2] opnieuw aangegeven dat hij niet in het museum is geweest en in opdracht van [medeverdachte 1] een huisje, hamers en een auto heeft geregeld voor drie duizend euro. Ook heeft hij gezegd dat hij die boys, [verdachte] en [medeverdachte 1] , kent van werk omdat zij samen hebben geschilderd. Het werk zou de enige link zijn die hij met hun heeft. Bovendien zegt hij dat die shit 5,8 waard is en hun toch niet akkoord gaan met een paar ton.78

Op 9 maart 2025 zijn de undercovers naar de afgesproken locatie toegereden en is [medeverdachte 2] in de auto gestapt. Eenmaal in de auto stelt [verbalisant 3] opnieuw de vraag aan [medeverdachte 2] of hij al meer weet over de derde persoon en geeft daarbij aan dat mensen zeggen dat hij dat is. [medeverdachte 2] antwoordt dat mensen te veel praten. Wanneer zij aankomen bij de locatie stappen [verbalisant 2] en [medeverdachte 2] uit de auto en volgt een sociaal gesprek. Vervolgens geeft [verbalisant 2] aan dat de baas zich afvraagt wie de derde persoon is en dat [medeverdachte 2] eerlijk kan zijn bij hem. Als hij de derde persoon is moet hij dat zeggen, waarbij wordt aangegeven dat zij nu familie zijn omdat zij samen hebben gegeten en er voor elkaar zijn. [verbalisant 2] zegt dat zij echt op zoek zijn naar de derde persoon en zij niet achteraf willen horen dat [medeverdachte 2] dit is geweest. Hij kan eerlijk zijn, zodat zij geen energie meer hoeven te steken in het vinden van de derde persoon. [verbalisant 2] zegt tegen [medeverdachte 2] dat hij eerlijk moet zijn, dat hij het moet zeggen als hij derde persoon was en hij niet bang hoeft te zijn. Door [verbalisant 2] is aangegeven dat hij het voor [medeverdachte 2] op een goed moment zal vertellen aan de baas, die niet boos zal worden en het wel zal begrijpen. Hierop knikt [medeverdachte 2] bevestigend. Hierop reageert [verbalisant 2] door te zeggen dat het goed is dat hij eerlijk is en niet hoeft te stressen. Zij hadden het vermoeden al dat [medeverdachte 2] de derde persoon was geweest mede omdat hij ook in het eerste telefoongesprek had gezegd dat ze het als een team hebben gedaan. Op de vraag waarom [medeverdachte 2] het niet eerder heeft verteld antwoordt hij lachend dat hij niet

gelijk al zijn troeven wilde laten zien. Zowel [verbalisant 2] als [medeverdachte 2] stappen de auto weer in. [medeverdachte 2] krijgt een nieuwe telefoon en is afgezet in de buurt van zijn huis.79 Een paar minuten later belt [medeverdachte 2] naar de undercovers met de vraag of zij terug kunnen komen omdat hij wat wil zeggen. De undercovers rijden terug en spreken weer met [medeverdachte 2] waarbij hij aangeeft dat hij wat tegen [verbalisant 3] wil zeggen. [verbalisant 3] staat buiten de auto met [medeverdachte 2] die zegt dat hij iets moet bekennen. Hij is de derde persoon die erbij was. Hij was bang om iets te zeggen omdat hij verder geen informatie heeft en het best wel raar is. [medeverdachte 2] vertelt dat verdachte en hij zijn weggegaan en die kleine de spullen heeft meegenomen en ergens heeft gestasht.80 In een daaropvolgend gesprek op 18 maart 2025 reageert [medeverdachte 2] meerdere malen bevestigend op zijn betrokkenheid als uitvoerder van het feit.81

5.3.3.6 Conclusie rechtbank

De rechtbank is op basis van alle hiervoor besproken bewijsmiddelen, de eerder gedane tussenconclusies en de verklaringen van [medeverdachte 2] in het undercovertraject van oordeel dat [medeverdachte 1] , verdachte en [medeverdachte 2] de kunstroof in het Drents Museum samen hebben gepleegd.

De rechtbank verwerpt met deze conclusie het alternatieve scenario van de verdediging dat een ander dan verdachte met twee medeverdachten de kunstroof in het Drents Museum zou hebben gepleegd.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte en diens aanwezigheid op belangrijke momenten.

Uit de feitelijke gang van zaken blijkt dat de verdachten allemaal een wezenlijke rol hebben gehad in de uitvoering van de kunstroof en de voorbereiding daarvan. Na het opblazen van de nooduitgang van het museum zijn de verdachten doelgericht op de vitrines afgegaan waar de gouden helm van Co□ofene□ti en de drie Dacische gouden armbanden zich bevonden. De inbraak duurde ongeveer vijftig seconden. Hieruit volgt dat sprake is geweest van een doelgerichte samenwerking waarbij het voor de verdachten duidelijk is geweest wat zij op dat moment moesten doen.

In de voorbereiding op de kunstroof hebben alle verdachten een eigen bijdrage geleverd. [medeverdachte 2] heeft het gereedschap gekocht dat uiteindelijk is gebruikt bij de inbraak in het museum. Tevens heeft hij het vakantiehuisje in [naam vakantiepark] gehuurd waar in ieder geval één of meer verdachten kort na het delict naartoe zijn gegaan. Ook heeft hij samen met verdachte een vluchtauto gestolen. De bijdrage van verdachte in de voorbereiding heeft verder bestaan uit het regelen van kentekenplaten en burner telefoons die zijn gebruikt voorafgaand en na de kunstroof. Verder heeft hij een sporttas aangeschaft, waarvan met grote zekerheid kan worden vastgesteld dat hiermee de gouden helm is vervoerd. [medeverdachte 1] heeft voornamelijk anderen aangestuurd om handelingen te verrichten. Zo heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 1] het vakantiehuisje heeft gehuurd, het gereedschap heeft gekocht en de vluchtauto heeft geregeld. Bovendien is [medeverdachte 1] ruim twee weken voor de kunstroof in het Drents Museum geweest, hetgeen aangemerkt zou kunnen worden als een voorverkenning.

Naast deze vaststellingen blijkt de nauwe en bewuste samenwerking ook uit de verklaringen van [medeverdachte 2] in het undercovertraject waarin hij stelt dat het als één team is gedaan. Alle drie verdachten hebben een substantiële bijdrage geleverd aan de gepleegde strafbare feiten.

Daarmee acht de rechtbank ten aanzien van alle feiten het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Diefstal met braak en verbreking

De rechtbank heeft vastgesteld dat de drie verdachten in het museum zijn geweest en de gouden helm van Co□ofene□ti en de drie Dacische gouden armbanden hebben weggenomen. Door het opblazen van een nooduitgang en het inslaan van meerdere vitrines hebben zij toegang gekregen tot deze kunstschatten. De onder 1 ten laste gelegde diefstal in vereniging, waarbij sprake is geweest van braak en verbreking, kan daarom wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Ontploffing veroorzaken en beschadigen van het museum

Verdachten hebben voor een nooduitgang zwaar vuurwerk tot ontploffing gebracht waardoor zij de expositieruimte van het museum konden betreden. De rechtbank heeft eerder in het vonnis overwogen dat door de ontploffing sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen voor het pand van het Drents Museum, de in dat pand aanwezige goederen en de naastgelegen panden. Dit gevaar is niet enkel en alleen te duchten geweest maar heeft zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt. Het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van het veroorzaken van een ontploffing kan daarom wettig en overtuigend bewezen. In het verlengde daarvan kan ook het onder 3 ten laste gelegde toebrengen van schade aan het Drents Museum bewezen worden verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van deze feiten sprake van eendaadse samenloop. Dat betekent dat de feiten zien op hetzelfde feitencomplex en zich ook afspelen op dezelfde tijd en plaats. Gelet op de samenhang tussen de feiten wordt verdachte feitelijk één verwijt gemaakt.

Diefstal Volkswagen Golf

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van haar eerdere overwegingen in de tussenconclusie vast komen te staan dat verdachte samen met [medeverdachte 2] een Volkswagen Golf heeft gestolen. De onder 4 primair ten laste gelegde diefstal is daarom wettig en overtuigend te bewijzen.

Resumerend

De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met braak en verbreking, het veroorzaken van een ontploffing, het beschadigen van het Drents Museum en de diefstal van een auto.

De overige verweren van de verdediging worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van de rechtbank.

6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3 en 4 primair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 25 januari 2025 te Assen, tezamen en in vereniging met anderen, een gouden helm van Co□ofene□ti en drie gouden armbanden (te weten van de tentoonstelling 'Dacia! Rijk van goud en zilver'),

die aan het Nationaal Historisch museum van Roemenië toebehoorden, heeft weggenomen uit vitrines van de expositiezaal in het Drents museum met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen gouden helm en gouden armbanden onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en verbreking.

2.

hij op 25 januari 2025 te Assen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door bij het Drents museum, gelegen aan [adres ] , knalvuurwerk, te weten een flashbanger Ti-Rex, met open vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken en/of tot ontbranding te brengen en deze voor de deur van het voornoemde museum neer te leggen waardoor deze vuurwerkbom tot ontploffing kwam en ten gevolge waarvan de deur in genoemd museum door de kracht van de ontploffing kapot is gegaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de in dat pand aanwezige goederen en naastgelegen panden, te duchten was.

3.

hij op 25 januari 2025 te Assen, tezamen en in vereniging met anderen, een gebouw, te weten het Drents museum gelegen aan [adres ] , opzettelijk heeft beschadigd, door knalvuurwerk, te weten een flashbanger Ti-Rex, tot ontploffing te brengen nabij de deur van het voornoemde museum, terwijl hiervan gemeen gevaar voor in dat pand aanwezige goederen en naastgelegen panden, te duchten was.

4.

hij in de periode van 22 tot en met 23 januari 2025 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander, een Volkswagen Golf, dat aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

7. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking;

De eendaadse samenloop van

2. medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

EN

3. medeplegen van opzettelijk een gebouw beschadigen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

4 primair. diefstal door twee of meer verenigde personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

8. Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

9. Strafmotivering

Vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde en aangevoerd dat een veroordeling voor het onder 4 primair ten laste gelegde slechts een gevangenisstraf van enkele maanden zou rechtvaardigen. Subsidiair is door de verdediging naar voren gebracht dat een aanzienlijke strafvermindering moet volgen in verband met de vormverzuimen en de schendingen van artikel 6 en 8 EVRM. Daarnaast is verzocht om rekening te houden met de straffen die aan de medeverdachten worden opgelegd indien de rechtbank in die zaken de procesafspraken zou volgen. Het sterk afwijken van die straf in deze zaak, waarin geen procesafspraken zijn gemaakt, is niet gerechtvaardigd. Het sluiten van procesafspraken mag niet leiden tot rechtsongelijkheid. Daarbij komt dat het onevenredig zou zijn als verdachte de consequenties zou moeten dragen terwijl hij niet in staat is geweest om de kunstschatten terug te leveren. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte in het bezit zou zijn van de ontbrekende gouden armband en daarom kan en mag het niet zo zijn dat verdachte hier verantwoordelijkheid voor wordt gehouden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport van 30 januari 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 16 april 2026, alsmede de vordering van de officieren van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de kunstroof in het Drents Museum door de gouden helm van Co□ofene□ti en drie gouden armbanden weg te nemen. Voorts heeft verdachte zich voorafgaand aan en in voorbereiding op de kunstroof schuldig gemaakt aan het stelen van een auto, het veroorzaken van een ontploffing en het beschadigen van het Drents Museum. Dit tekent de geraffineerde en professionele wijze waarop de verdachten de inbraak hebben voorbereid en uitgevoerd.

De gouden helm en armbanden maken onderdeel uit van een collectie van Dacische kunstschatten van het Roemeens Nationaal Historisch Museum en waren uitgeleend aan het Drents Museum. De gouden helm van Co□ofene□ti is ongeveer 2500 jaar oud en is belangrijk, beeldbepalend cultureel erfgoed. De kunstschatten zijn onderdeel van het verleden van Roemenië en zijn van groot belang voor de huidige en toekomstige generaties, zodat zij op die manier kennis kunnen nemen van dat verleden. De betekenis komt ook tot uitdrukking in de aan de kunstschatten gekoppelde verzekeringswaarde ter hoogte van 5,7 miljoen euro. Tegelijkertijd is dat slechts een bedrag, terwijl het belang en de waarde van voorwerpen als deze niet in geld is uit te drukken. Ze zijn in letterlijke zin van onschatbare waarde.

De kunstroof heeft bovendien een enorme impact gehad en veel onrust veroorzaakt in zowel Nederland als Roemenië. Het is voorstelbaar dat door de wijze waarop deze inbraak heeft plaatsgevonden ook onrust is ontstaan in de (internationale) kunstwereld. Het Drents museum voldeed aan alle te stellen veiligheidseisen, zo blijkt uit het verzekeringsrapport. Bij de inbraak is evenwel zwaar vuurwerk met 275 gram explosieve massa gebruikt ter vergelijking: een gemiddelde handgranaat bevat doorgaans ongeveer 150 tot 200 gram aan explosieve massa tegen zoveel geweld was het museum niet opgewassen. Door het plegen van dergelijke strafbare feiten zullen musea mogelijk minder snel bereid zijn om belangrijke topstukken uit te lenen. De directeur van het Drents Museum heeft ter zitting toegelicht dat de strafbare feiten veel pijn en verdriet hebben veroorzaakt in de maatschappij maar vooral bij de medewerkers van de musea in Assen en Boekarest. De rechtbank sluit zich aan bij zijn treffende woorden: het gaat om cultureel erfgoed dat niet van iemand is, maar van iedereen.

De rechtbank rekent het de verdachten aan dat zij zich voortdurend op hun zwijgrecht hebben beroepen en daarmee geen openheid van zaken hebben gegeven. Ondanks de gemaakte procesafspraken in de zaken van de medeverdachten hebben zij geen verklaring willen afleggen. Verdachte heeft op het allerlaatste moment slechts feitelijke handelingen bekend waar hij vanwege het overvloed aan bewijs op die onderdelen ook moeilijk onderuit zou kunnen komen. Hoewel de rechtbank vanwege de proceshouding van de verdachten blijft gissen naar een motief, kan het niet anders zijn dan dat de verdachten zich hebben laten leiden door financieel gewin.

Zij hebben daarmee enkel oog gehad voor hun eigen belang. De uiteindelijke teruggave van de kunstschatten doet daar niets aan af.

De persoon van verdachte

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte veelvuldig met politie en justitie in aanraking is gekomen. Ook is hij al eerder onherroepelijk veroordeeld wegens vermogensdelicten.

Verder blijkt uit het reclasseringsrapport van 30 januari 2025 dat de reclassering heeft geprobeerd om verdachte te bezoeken, maar dit vanwege de op dat moment geldende beperkingen en het lopende onderzoek niet werd toegestaan. Op basis van informatie uit het dossier van verdachte bij de reclassering is het volgende, mogelijk enigszins verouderde, beeld van verdachte geschetst. De huisvestingsituatie van verdachte is zeer instabiel en hij is op dit gebied afhankelijk van anderen of de maatschappelijke opvang. Het behouden van langdurige dagbesteding kwam tot op heden moeilijk van de grond, mede door de problematiek op diverse leefgebieden. Verdachte zou bekend zijn met drugsproblematiek, namelijk blowen maar ook het gebruik van cocaïne en XTC. In 2019 is er een Pro Justitia rapport opgesteld waaraan verdachte niet heeft meegewerkt, maar waardoor wel informatie bekend is geworden over zijn psychisch functioneren. Hieruit blijkt dat bij verdachte niet aangeboren hersenletsel is vastgesteld dat is veroorzaakt door een ongeluk. De concentratie, het geheugen en de aandacht zouden hierdoor zijn aangepast. Daarnaast is sprake van gedragsproblematiek en een licht verstandelijke beperking. De reclassering heeft op 18 maart 2026 opnieuw contact gezocht met verdachte. Hij heeft toen aangegeven dat hij niet wil meewerken aan het opstellen van een reclasseringsadvies. Uit het door de reclassering uitgevoerde dossieronderzoek blijkt dat er onvoldoende relevante

informatie bestaat om een rapport uit te brengen zonder de medewerking van verdachte.

Teruggave van de kunstschatten en de procesafspraken

Anders dan in de zaken van verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft verdachte geen procesafspraken gemaakt met het Openbaar Ministerie. Daarom is door de officieren van justitie in deze zaak een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 66 maanden. In de zaken van de medeverdachten is een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden geëist.

Als onderdeel van de procesafspraken zijn uiteindelijk de gouden helm van Co□ofene□ti en twee van de drie gouden armbanden overgedragen aan het Openbaar Ministerie. In de overeenkomsten is echter uitgegaan van een situatie waarin alle kunstschatten, dus ook de derde armband, zouden worden overgedragen. Uit een later opgemaakt proces-verbaal blijkt dat tijdens de uitvoering van de overeenkomst het aan het Openbaar Ministerie kennelijk duidelijk is geworden dat de levering van de derde armband niet uitvoerbaar was. Het Openbaar Ministerie heeft voorafgaand aan de teruggave van de helm en de twee armbanden desondanks toegezegd dat de overeenkomst onverkort zou blijven staan indien deze kunstschatten zouden worden geleverd. De rechtbank maakt hieruit op dat het ontbreken van de derde armband geen consequenties met zich heeft gebracht voor de procesafspraken met de medeverdachten, waarbij het Openbaar Ministerie en de verdediging van de medeverdachten geen duidelijkheid hebben willen verschaffen waarom teruggave van de derde armband niet mogelijk was.

De procesafspraken in de zaken van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] geven verder weinig inzicht in de manier waarop de kunstschatten zijn teruggegeven. Onduidelijk blijft ook wie in welke mate over de kunstschatten kon beschikken en wie welke bijdrage heeft geleverd aan de teruggave ervan. In de procesafspraken is er door het Openbaar Ministerie en de medeverdachten bewust voor gekozen om geen antwoord te geven op vragen over de locatie van de kunstschatten na de kunstroof en de wijze van overdracht. Die overwegingen zijn naar het oordeel van de rechtbank begrijpelijk in het kader van de vertrouwelijkheid, maar zorgen er wel voor dat niets kan worden vastgesteld over het aandeel van de medeverdachten in de teruggave van de kunstschatten. Ook over het hoe en waarom de derde armband uiteindelijk kennelijk geen onderdeel heeft kunnen zijn van de procesafspraken tast de rechtbank in het duister. De verdachten hebben ook geen verklaring afgelegd over hun rol en daarmee (een begin van) openheid van zaken gegeven. Het is de rechtbank om die redenen onmogelijk gemaakt om te differentiëren in de aan de verdachten op te leggen straf in de mate van hun al dan niet betrokkenheid bij de teruggave van de kunstschatten. Dit betekent voor het bepalen van de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank hanteert als uitgangspunt dat bij de diefstal van belangrijke kunstobjecten een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf is. De rechtbank licht dat hieronder verder toe. In het geval de kunstobjecten echter worden teruggeven is passend dat een lagere straf wordt opgelegd. De inbreuk op de rechtsorde is in dat geval minder groot.

Anders gezegd: door de teruggave is de schade die toegebracht is aan de maatschappij verminderd.

Dit uitgangspunt hanteert de rechtbank voor alle drie verdachten, en dus ook voor verdachte. Ook in zijn strafzaak is immers uiteindelijk de inbreuk op de rechtsorde deels hersteld. Door de proceshouding van de verdachten en de wijze waarop de procesafspraken zijn vormgegeven kan de rechtbank geen nadere of concrete vaststellingen doen over de betrokkenheid van de verdachten bij de teruggave van de kunstschatten en de wijze waarop deze betrokkenheid moet doorwerken in de straf. Dit maakt dat naar het oordeel van de rechtbank daarin dus ook geen aanleiding kan worden gevonden om te differentiëren in de strafoplegging tussen de drie (mede)verdachten.

In het kader van rechtsgelijkheid overweegt de rechtbank daarom dat bij het bepalen van de straf ook bij verdachte rekening gehouden dient te worden met teruggave van de kunstschatten.

De straf

De rechtbank is van oordeel dat vanwege de aard en ernst van de feiten enkel kan worden volstaan met een forse gevangenisstraf. Daarbij wegen de professionele werkwijze, de omvang van de toegebrachte schade en de berekenende houding van verdachte mee. Ook wordt rekening gehouden met het feit dat de inbreuk op de rechtsorde niet volledig is hersteld omdat de derde weggenomen armband, die een grote cultuurhistorische en verzekerde waarde vertegenwoordigt van circa 500.000, nog steeds spoorloos is.

Alle verdachten hebben handelingen uitgevoerd die hebben geleid tot de kunstroof. Verdachte en [medeverdachte 2] hebben in vergelijking tot [medeverdachte 1] een extra strafbaar feit gepleegd door een vluchtauto te stelen, maar ook laatstgenoemde heeft daar uiteindelijk van geprofiteerd. Tevens is door de rechtbank vastgesteld dat [medeverdachte 1] een aansturende rol heeft gehad.

De rechtbank hanteert als basisstraf een gevangenisstraf van 78 maanden (6,5 jaar), waarbij nog geen rekening is gehouden met de teruggave van (een deel van) de kunstschatten. De vormverzuimen rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een strafvermindering van een half jaar. Nu door de rechtbank is overwogen dat ook verdachte in het kader van rechtsgelijkheid dient te profiteren van de teruggave van de kunstschatten zal ook in zijn zaak een strafkorting van 1/3 worden toegepast. Na aftrek van de strafvermindering en toepassing van de strafkorting zou dat een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden opleveren. In de procesafspraken van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is echter een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden overeengekomen. Zowel het Openbaar Ministerie als de voornoemde verdachten zien af van het instellen van hoger beroep indien de rechtbank met niet meer dan drie maanden afwijkt van deze straf.

De rechtbank acht in het kader van deze overwegingen en het proceseconomische voordeel dat daarmee wordt behaald in de zaken van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een gevangenisstraf van 47 maanden in redelijke verhouding tot haar eigen geformuleerde straf.

Daarom wordt ook in de zaak van verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 47 maanden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

10. Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 55, 57, 157, 170, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 47 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Sieders, voorzitter, mr. R.B. Maring en mr. A. Nieuwenhuis, rechters, bijgestaan door mr. M.W. ten Brinke, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 juni 2026.

Bijlage: de tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 25 januari 2025 te Assen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een gouden helm van Co□ofene□ti en/of drie, althans een of meerdere gouden armbanden (te weten van de tentoonstelling 'Dacia! Rijk van goud en zilver'), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan het Drents museum en/of het Nationaal Historisch museum van Roemenië, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen in/uit vitrines van de expositiezaal in het Drents museum met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen gouden helm en/of gouden armbanden onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

2.

hij op of omstreeks 25 januari 2025 te Assen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door bij het Drents museum, gelegen aan [adres ] , knalvuurwerk, te weten een flashbanger Ti-Rex, althans een stuk zwaar vuurwerk en/of explosief, met open vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken en/of tot ontbranding te brengen en/of deze (vervolgens) voor de deur van het voornoemde museum neer te leggen

en/of te gooien en/of (vervolgens) waardoor en/of waarna deze vuurwerkbom, (aldaar) tot ontploffing kwam en/of ten gevolge waarvan de deur in genoemd museum door de kracht van de ontploffing is gebarsten en/of gesprongen en/of gebroken en/of ontploft en/of open is gegaan, althans door de kracht van de ontploffing kapot is gegaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de in dat pand aanwezige goederen en/of naastgelegen pand(en) en/of de in die pand (en) aanwezige goederen, te duchten was;

3.

hij op of omstreeks 25 januari 2025 te Assen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een gebouw, te weten het Drents museum gelegen aan [adres ] , opzettelijk heeft beschadigd en/of vernield, door knalvuurwerk, te weten een flashbanger Ti-Rex, althans een stuk zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen nabij de deur van het voornoemde museum, terwijl hiervan gemeen gevaar voor in dat pand aanwezige goederen en/of naastgelegen panden en/of woningen en/of de in die panden en/of woning(en)aanwezige goederen, te duchten was;

4.

hij in of omstreeks de periode van 22 tot en met 23 januari 2025 te Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een Volkswagen Golf, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 22 tot en met 25 januari 2025 te Alkmaar en/of [plaats] en/of Groningen en/of Assen en/of Rolde en/of Marwijksoord, althans op een of meer plaatsen elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een Volkswagen Golf, in elk geval enig goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

1. Europees Hof voor de Rechten van de Mens

2 EHRM 27 november 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1127JUD003639102, r.o. 51 (Salduz).

3 Kamerstukken II 2015/16, 34157, 6, p. 26

4 Kamerstukken II 2015/16, 34157, 6, p. 27

5 Zie ook EHRM 13 september 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0913JUD005054108, r.o. 257 e.v. (Ibrahim)

6 Zie voor het toetsingskader het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3024.

7 Artikel 127 en 129 van de Wet op de rechterlijke organisatie.

8 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt tenzij anders vermeld bedoeld een

ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpaginas, betreft dit tenzij anders vermeld de paginas van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025021722 d.d. 24 juli 2025 (onderzoek AURUM / NN3R025016).

9 Zie onder meer Hoge Raad 20-04-2021 ECLI:NL:HR:2021:576 en 10-06-2025 ECLI:NL:HR:2025:778.

10 Hoge Raad 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1983

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 januari 2025, opgenomen op pagina 70 e.v.

12 Proces-verbaal van aangifte Drents Museum d.d. 25 april 2025, opgenomen op pagina 101 e.v.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 25 januari 2025, opgenomen op pagina 220 e.v.

14 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 januari 2025, opgenomen op pagina 56 e.v.

15 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 januari 2025, opgenomen op pagina 70 e.v.

16 Proces-verbaal forensisch onderzoek d.d. 3 februari 2025, opgenomen op pagina 47 e.v. (forensisch

dossier)

17 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 januari 2025, opgenomen op pagina 90 e.v.

18 Proces-verbaal forensisch onderzoek d.d. 30 januari 2025, opgenomen op pagina 872 e.v.

19 Proces-verbaal forensisch onderzoek d.d. 3 februari 2025, opgenomen op pagina 47 e.v. (forensisch

dossier)

20 Proces-verbaal onderzoek vuurwerk d.d. 28 januari 2025, opgenomen op pagina 70 e.v. (forensisch

dossier).

21 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 februari 2025, opgenomen op pagina 881 e.v.

22 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2025, opgenomen op pagina 940 e.v.

23 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart 2025, opgenomen op pagina 898 e.v.

24 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 februari 2025, opgenomen op pagina 885 e.v.

25 Rapport NFI d.d. 22 mei 2025, opgenomen op pagina 1199 e.v.

26 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 25 januari 2025, opgenomen op pagina 220 e.v.

27 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 31 januari 2025, opgenomen op pagina 232 e.v.

28 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 januari 2025, opgenomen op pagina 1462 e.v.

29 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 januari 2025, opgenomen op pagina 1458 e.v.

30 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 januari 2025, opgenomen op pagina 238 e.v.

31 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 januari 2025, opgenomen op pagina 256.

32 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 januari 2025, opgenomen op pagina 254 e.v.

33 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 26 januari 2025, opgenomen op pagina 257 e.v.

34 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 januari 2025, opgenomen op pagina 260 e.v.

35 Proces-verbaal onderzoek dactyloscopische sporen d.d. 29 januari 2025 opgenomen op pagina 201 e.v.

(forensisch dossier)

36 Rapport NFI d.d. 28 januari 2025, opgenomen op pagina 281 e.v.

37 Rapport NFI d.d. 3 maart 2025, opgenomen op pagina 311 e.v.

38 Rapport NFI d.d. 3 maart 2025, opgenomen op pagina 319 e.v.

39 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 januari 2025, opgenomen op pagina 340 e.v.

40 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 januari 2025, opgenomen op pagina 351 e.v.

41 Rapport NFI d.d. 18 april 2025, opgenomen op 360 e.v.

42 Rapport NFI d.d. 13 juni 2025, opgenomen op pagina 510 e.v. (forensisch dossier).

43 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 januari 2025, opgenomen op pagina 380 e.v.

44 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 februari 2025, opgenomen op pagina 382 e.v.

45 Proces-verbaal van aangifte [naam 5] d.d. 29 januari 2025, opgenomen op pagina 1219 e.v.

46 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 27 februari 2025, opgenomen op pagina

1403 e.v.

47 Proces-verbaal van aangifte [naam 6] d.d. 23 januari 2025, opgenomen op pagina 247 e.v.

48 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 januari 2025, opgenomen op pagina 1260 e.v.

49 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 februari 2025, opgenomen op pagina 824 e.v.

50 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 februari 2025, opgenomen op pagina 1236 e.v.

51 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 januari 2025, opgenomen op pagina 971 e.v.

52 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 februari 2025, opgenomen op pagina 857.

53 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 februari 2025, opgenomen op 861 e.v.

54 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2025, opgenomen op pagina 940 e.v.

55 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 februari 2025, opgenomen op pagina 905 e.v.

56 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 februari 2025, opgenomen op pagina 978 e.v.

57 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 februari 2025, opgenomen op pagina 1016 e.v.

58 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 februari 2025, opgenomen op pagina 1051 e.v.

59 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2025, opgenomen op pagina 123 e.v. (forensisch dossier)

60 Rapport NFI d.d. 24 maart 2025, opgenomen op pagina 1056 e.v.

61 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 februari 2025, opgenomen op pagina 909 e.v.

62 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 februari 2025, opgenomen op pagina 1493 e.v.

63 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 februari 2025, opgenomen op pagina 1540 e.v.

64 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 februari 2025, opgenomen op pagina 1555 e.v.

65 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. [naam 3] d.d. 15 april 2025, opgenomen op pagina 1585 e.v.

66 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 februari 2025, opgenomen op pagina 1111 e.v.

67 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2025, opgenomen op pagina 940 e.v.

68 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2025, opgenomen op pagina 957 e.v.

69 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 februari 2025, opgenomen op pagina 1123 e.v.

70 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 mei 2025, opgenomen op pagina 1142 e.v.

71 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 februari 2025, opgenomen op pagina 1123 e.v.

72 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 mei 2025, opgenomen op pagina 1142 e.v.

73 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart 2025, opgenomen op pagina 1133 e.v.

74 Proces-verbaal van bevindingen politieel informatie-inwinner [verbalisant 3] d.d. 10 maart 2025,

opgenomen op pagina 1645 e.v.

75 Proces-verbaal van bevindingen politieel informatie-inwinner [verbalisant 3] d.d. 10 maart 2025,

opgenomen op pagina 1649 e.v. en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juli 2025, opgenomen op pagina 1740 e.v.

76 Proces-verbaal van bevindingen politieel informatie-inwinner [verbalisant 3] d.d. 10 maart 2025,

opgenomen op pagina 1664 e.v.

77 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 september 2025, opgenomen op pagina 35 e.v. (PV Regiezitting)

78 Proces-verbaal van bevindingen politieel informatie-inwinner [verbalisant 3] d.d. 10 maart 2025,

opgenomen op pagina 1679 e.v. en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 september 2025, opgenomen op pagina 49 e.v. (PV Regiezitting)

79 Proces-verbaal van bevindingen politieel informatie-inwinner [verbalisant 2] d.d. 10 maart 2025,

opgenomen op pagina 1690 e.v.

80 Proces-verbaal van bevindingen politieel informatie-inwinner [verbalisant 3] d.d. 10 maart 2025,

opgenomen op pagina 1692 e.v. en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 september 2025, opgenomen op pagina 59 e.v. (PV Regiezitting)

81 Proces-verbaal van bevindingen politieel informatie-inwinner [verbalisant 2] d.d. 21 maart 2025,

opgenomen op pagina 1704 e.v.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand