[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd in de [inrichting] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N. Hendriksen, advocaat te Hoorn. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door de officier van justitie mr. I.M. Schaafsma.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven,
immers heeft verdachte (met kracht) met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, gestoken in de buik(streek) van die [slachtoffer] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden,
aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond in de buik en/of inwendig letsel in de buik, heeft toegebracht, door (met kracht) met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, te steken in de buik(streek) van die [slachtoffer] ;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
immers heeft verdachte (met kracht) met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, gestoken in de buik(streek) van die [slachtoffer] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen aanmerkelijke kans op de dood was, nu verdachte heeft gestoken met een kort mes, waarbij een ondiepe wond is ontstaan. In de letselverklaring wordt daarbij slechts een oppervlakkige beschadiging aan de darm beschreven.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ik zag de jongen op 21 september 2025 in Leeuwarden. Hij heeft mij toen gestoken.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 september 2025, opgenomen op pagina 48 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op het scherm van de beelden van [naam] was in beeld te zien de datum 09/21/2025 met tijdstip. Op deze beelden was te zien dat de verdachte in de Doelesteeg in gesprek kwam met het slachtoffer [slachtoffer] . De verdachte stapte van [slachtoffer] weg waarbij te zien was dat hij met zijn rechterhand iets uit zijn rechterbroekzak of jaszak pakte. Op 04:13:11 was vervolgens te zien dat de verdachte met zijn rechterhand krachtig uithaalde naar [slachtoffer] . Te zien was dat [slachtoffer] geraakt werd in zijn linkerbuikstreek.
4. Een geneeskundige verklaring, op 4 november 2025 opgemaakt en ondertekend, opgenomen op pagina 4 van het aanvullend proces-verbaal, voor zover inhoudende:
Medische informatie betreffende [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2003. Uitwendig waargenomen letsel: Penetrerend letsel in bovenbuik links.
Is er sprake van uitwendig bloedverlies? Ja
- Ernstig? Ja
Overige van belang zijnde informatie: 550 cc bloed uit de buik gezogen. Perforatie van jejunum als gevolg van steekverwonding overhecht.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Om tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde te komen, dient de rechtbank te beoordelen of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat verdachte vol opzet (opzet als bedoeling) had op de dood van aangever, zodat zij dient te beoordelen of er dan sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen om een reële, niet onwaarschijnlijke kans.
De rechtbank overweegt dat het met kracht met een mes steken in de buikstreek, waar zich vitale organen bevinden, een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. Daarbij overweegt de rechtbank dat het in het geval van een poging, minder relevant is wat de kans is dat het daadwerkelijk opgelopen letsel kan leiden
tot de dood van het slachtoffer. Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte eenmalig met kracht met een mes in de buik van aangever heeft gestoken. Dat verdachte met kracht heeft gestoken volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de beschrijving van de camerabeelden en uit het feit dat volgens de medische informatie het jejunum (de nuchtere darm) van aangever is geperforeerd als gevolg van een steekverwonding en dat 550 cc bloed uit de buik is gezogen. De rechtbank volgt daarmee dan ook niet de lezing van de verdediging dat er slechts een ondiepe wond is ontstaan en dat de darm een oppervlakkige beschadiging heeft opgelopen.
Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, is de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel ontstaan. De rechtbank is voorts van oordeel dat de door verdachte verrichte gedraging en de wijze waarop deze is verricht naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het gevolg de dood van aangever dat niet anders kan dan dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.
De rechtbank verwerpt derhalve de verweren van de raadsman en acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 21 september 2025 te Leeuwarden
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven,
met kracht met een mes heeft gestoken in de buikstreek van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het primair bewezen verklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de gevolgen voor verdachte en bepleit dat aansluiting gezocht kan worden bij een uitspraak waarbij voor een poging doodslag een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk was opgelegd.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van het Leger des Heils, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Hij heeft tijdens een uitgaansavond in het centrum van Leeuwarden met een mes in de buik van aangever gestoken, waardoor aangever veel bloed is verloren en aanzienlijk letsel heeft opgelopen. De aangever wilde verdachte aanspreken op zijn gedrag eerder die avond richting de vriendin van aangever, waarna wat over en weer werd geduwd en verdachte plotseling een mes trok, direct een stekende beweging maakte en aangever raakte. Dit is een zeer ernstig feit en verdachte heeft hiermee op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Uit de stukken die bij het verzoek tot schadevergoeding zijn gevoegd en de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat aangever zowel lichamelijk als geestelijk nog steeds veel last heeft van de gebeurtenis. Bovendien heeft het incident plaatsgevonden in een uitgaansgebied waar zich op dat moment ook andere mensen bevonden. Dergelijk geweld veroorzaakt gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Mensen zouden tijdens een avond waarbij gezelligheid vooropstaat niet hoeven te verwachten dat iemand een mes bij zich heeft en al helemaal niet dat diegene dat mes gebruikt om een ander te steken. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.
Persoon van verdachte
De rechtbank stelt vast dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor openlijke geweldpleging, waarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf aan hem is opgelegd. Dit heeft verdachte er echter niet van weerhouden wederom de fout in te gaan.
Uit het reclasseringsadvies van het Leger des Heils van 19 december 2025 blijkt dat de reclassering wel enige risicos signaleert op het gebied van alcoholgebruik, maar dat zij onvoldoende zicht heeft gekregen op onder meer het huidige psychosociaal functioneren van verdachte, zijn opvoedsituatie en het feit dat hij op jonge leeftijd zonder ouders is komen te staan. De verdachte zegt daarbij geen hulpvraag te hebben.
De reclassering kan eventuele risicos op recidive en letsel niet inschatten en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Op te leggen straf
De rechtbank heeft bij gebrek aan landelijk vastgestelde oriëntatiepunten voor dergelijke feiten aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Gelet op alle hierboven genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet geen aanleiding om de gevangenisstraf deels voorwaardelijk op te leggen.
Met betrekking tot de duur van de gevangenisstraf stelt de rechtbank vast dat in soortgelijke gevallen de opgelegde straffen uiteenlopen, nu elke zaak eigen feiten en omstandigheden bevat die de strafmaat beïnvloeden. In onderhavig geval heeft verdachte eenmalig gestoken, maar daardoor heeft aangever wel fors letsel opgelopen. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 5.890,01 ter vergoeding van materiële schade en 55.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat 255,01 toegewezen dient te worden, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de rest, te weten de vergoeding voor toekomstige schade, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij zich op het standpunt gesteld dat 15.000,00 toegewezen dient te worden, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de materiële schade geen verweer gevoerd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft hij aangevoerd dat er geen redenen zijn om uit te gaan van de bovenkant van de
Rotterdamse schaal die voor dit geval geldt. Zijns inziens zou een schadevergoeding van 10.000,00 meer in de rede liggen.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. Dit geldt niet ten aanzien van de reiskosten naar het kantoor van de advocaat, nu dergelijke reiskosten niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Deze reiskosten worden daarom afgewezen. De rechtbank zal voorts de gevorderde toekomstige schade niet-ontvankelijk verklaren.
De vordering zal daarom ten aanzien van de materiële schade worden toegewezen tot een bedrag van 215,28.
De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd tot een bedrag van 55.000,00, maar heeft daarbij aangegeven dat een bedrag van 15.000,00 hem billijk voorkomt en dat het hogere bedrag is gevorderd met het oog op een eventueel hoger beroep. De rechtbank is van oordeel dat deze vordering in beginsel voldoende is onderbouwd, dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse schaal en uitspraken in vergelijkbare zaken. Gelet daarop stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van 10.000,00 en zal dit deel van de vordering toewijzen tot dat bedrag en de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij derhalve toewijzen tot een bedrag van 10.215,28, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 6 februari 2025 van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant te s-Hertogenbosch, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 5 maart 2025. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 28 november 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Nu veroordeelde het bewezenverklaarde feit heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
Wijst de vordering van [slachtoffer] voor zover deze ziet op de reiskosten naar het kantoor van de advocaat af.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 10.215,28 (zegge: tienduizend tweehonderdvijftien euro en achtentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit
bedrag bestaat uit 215,28 aan materiële schade en 10.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 76 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 01-368942-24:
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Oost-Brabant, locatie s-Hertogenbosch van 6 februari 2025, te weten: 3 weken gevangenisstraf, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Maring, voorzitter, mr. H.P. Eckert en mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechters, bijgestaan door mr. S. Runia, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 februari 2026.
Mr. Dantuma-Hieronymus is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.