RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.303229.22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 december 2025 en 8 januari 2026 (sluiting onderzoek).
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G. Meijer, advocaat te Veendam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Broerse.
Tenlastelegging
in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte, in of omstreeks de periode van 18 oktober 2022 tot en met 18 november 2022 te [plaats] , in elk geval (elders) Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door - een (gedeelte van een) loods en/of schuur gelegen aan of nabij de [adres] (als cocaïnewasserij en/of opslagruimte voor een (grote) hoeveelheid chemicaliën) te verhuren en/of aan een ander ter beschikking te stellen, en/of
plegen van dat feit door, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
elektriciteitsvoorziening en/of hiertoe andere (bouw)werkzaamheden te (doen/laten) verrichten, en/of
ethylacetaat, ethanol, dichloormethaan, zavelzuur, hexaan, ammonia, totueen, methylethylketon en/of calciumchloride, JM386), een pers(tafel), magnetrons, een vacuümsealmachine, een werkbank/zeeftafel, een droogkast (gemaakt met terrasverwarmers) en/of een regenton, en/of
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
[naam 1] , al dan niet tezamen met een of meer (onbekend gebleven) personen, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 18 oktober 2022 (zie JM73) tot en met 20 november 2022 te [plaats] , in elk geval (elders)
in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, en/of heeft vervaardigd, en/of aanwezig heeft gehad
2
[naam 1] , al dan niet tezamen met een of meer (onbekend gebleven) personen, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 20 juni 2022 (zie JM817, p. 2) tot en met 20 november 2022 te [plaats] en/of [plaats] en/of
[plaats] , in de gemeente het Hogeland, in elk geval (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, vervaardigen, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of vervaardigen van (grote) hoeveelheden cocaïne, in elk geval middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
beddengoed aan te (laten) schaffen/te regelen ten behoeve van het verblijf van een of meer koks of laboranten, werkzaam ten behoeve van (die productie in) die cocaïnewasserij, en/of
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte, in of omstreeks de periode van 20 juni 2022 (zie JM817 p. 2) tot en met 20 november 2022 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft
verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door - een (gedeelte van een) loods en/of schuur gelegen aan of nabij de [adres] (als cocaïnewasserij en/of opslagruimte voor een (grote) hoeveelheid chemicaliën) te verhuren en/of aan een ander ter beschikking te stellen, en/of
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
[naam 1] , op een of meer tijdstippen, in de periode van 18 oktober 2022 tot en met 20 november 2022 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verwerkt, en heeft vervaardigd, en aanwezig heeft gehad
bij het plegen van welk misdrijf verdachte, in de periode van 18 oktober 2022 tot en met 18 november 2022 te [plaats] , opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door een schuurgelegen aan de [adres] (als cocaïnewasserij en opslagruimte voor een grote hoeveelheid chemicaliën) te verhuren en aan een ander ter beschikking te stellen, en
[naam 1] , op meer tijdstippen, in de periode van 20 juni 2022 tot en met 20 november 2022 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten het opzettelijk verwerken van (grote) hoeveelheden cocaïne,
tot en bij het plegen van welk misdrijf verdachte, in de periode van 20 juni 2022 tot en met 20 november 2022 te [plaats] , opzettelijk gelegenheid en middelen heeft
verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door een schuur gelegen aan de [adres] (als cocaïnewasserij en opslagruimte voor een grote hoeveelheid chemicaliën) te verhuren en aan een ander ter beschikking te stellen, en
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B, C en D van de Opiumwet gegeven verbod.
2. medeplichtigheid aan om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen, zich gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete ter hoogte van 15.000,00.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gelet op het tijdsverloop, de omstandigheden waaronder verdachte de feiten heeft begaan en de persoonlijke omstandigheden van verdachte gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de reclassering d.d. 16 juni 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 november 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte is in de periode van 20 juni 2022 tot en met 20 november 2022 medeplichtig geweest bij (het voorbereiden van) het wassen en aanwezig hebben van cocaïne. Dit heeft hij gedaan door de schuur bij zijn woning enkele maanden te verhuren en beschikbaar te stellen voor de plaatsing en inwerkingtreding van een cocaïnewasserij. Verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van de (internationale) drugshandel en hij kan medeverantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. De harddrugs die met behulp van verdachte zijn geproduceerd werken sterk verslavend en zijn schadelijk voor de gezondheid van de gebruikers ervan. De handel en het gebruik van deze verdovende middelen brengen bovendien vele vormen van (zware) criminaliteit met zich mee. Verdachte heeft zich kennelijk niet bekommerd om genoemde gevolgen voor personen en voor de maatschappij, maar slechts om zijn eigen financiële gewin. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft bij de strafbepaling naast de ernst van de feiten rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daartoe heeft de rechtbank allereerst acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Overigens wel voor andere feiten. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de door de reclassering opgemaakte rapportage. Daaruit blijkt dat verdachte zijn leven op orde heeft en er geen (grote) problemen zijn op de verschillende leefgebieden. Verdachte heeft weliswaar een relatief grote schuld bij de belastingdienst, maar gelet op zijn inkomen verwacht de reclassering niet dat dit problemen zal opleveren. De reclassering heeft geen advies kunnen formuleren vanwege de (op dat moment) ontkennende houding van verdachte.
Strafoplegging
Gelet op de ernst van de feiten zou een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel op zijn plaats zijn. Echter houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met het volgende.
Allereerst heeft verdachte ter terechtzitting zijn initiële ontkennende houding gewijzigd en redelijk openheid van zaken gegeven, waarmee hij grotendeels verantwoordelijkheid heeft genomen en de
rechtbank meer inzicht heeft gegeven in zijn handelen. Daarnaast is de zaak pas ruim 3 jaren na het oprollen van de cocaïnewasserij ter beoordeling van de rechtbank gekomen, waardoor sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Tot slot is verdachte in de tussentijd veroordeeld voor een (andersoortig) feit dat later heeft plaatsgevonden dan de onderhavige feiten, waardoor artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is. De rechtbank houdt daarnaast rekening met eendaadse samenloop tussen beide feiten.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals de officier van justitie eiste, waarbij verdachte opnieuw gedetineerd zou raken, niet passend. De rechtbank zal daarom aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 233 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het onvoorwaardelijk deel is daarmee gelijk aan de reeds in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd. Het voorwaardelijke deel heeft te gelden als stok achter de deur, nu sprake is geweest van een financieel motief bij verdachte en zijn financiële situatie niet gewijzigd is. Vanwege de ernst van de feiten zal de rechtbank daarnaast een taakstraf opleggen voor de (maximale) duur van 240 uren. Tot slot acht de rechtbank een geldboete ter hoogte van 18.000,00 op zijn plaats. Gelet op het lucratieve karakter van de bewezenverklaarde feiten en omdat de rechtbank heeft gekozen voor een lichtere strafmodaliteit dan door de officier van justitie is gevorderd legt de rechtbank een hogere geldboete op dan is gevorderd door de officier van justitie.
Vordering maatregel kostenverhaal
De maatregel in artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
De rechtbank stelt vast dat aan voornoemde vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. In de cocaïnewasserij in [plaats] waren namelijk stoffen aanwezig die een ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en daarnaast heeft de Staat kosten gemaakt voor vernietiging daarvan.
Bij de stukken bevindt zich een factuur van [naam 2] met een kostenoverzicht van het ontmantelen van het drugslab, inclusief de afvoer van chemicaliën en restafval en het vernietigen van hardware. Totaal gaat het om een bedrag van 32.654,31. De rechtbank is van oordeel dat de kosten voldoende zijn onderbouwd en zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 13d van de Opiumwet. Uit het dossier blijkt tevens dat de factuur van [naam 2] door de Staat is betaald.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank conform de vordering van de officieren van justitie aan verdachte de maatregel kostenverhaal opleggen. De rechtbank legt aan verdachte de verplichting op om de helft van het totaalbedrag, te weten 16.327,16, te betalen aan de Staat ter vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet. Indien dit bedrag niet wordt voldaan, kunnen 326 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 48, 49, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel
ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 233 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
een taakstraf voor de duur van 240 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 4 maanden zal worden toegepast.
betaling van een geldboete ten bedrage van 18.000,00 (zegge: achttienduizend euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 125 dagen hechtenis.
Vordering maatregel kostenverhaal
Legt op als maatregel de verplichting tot vergoeding van het bedrag van 16.327,16 aan de Staat. Bepaalt de duur van de gijzeling op 326 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker voorzitter, mr. M.A.M. Wolters en mr. H.M. Lenting, rechters, bijgestaan door mr. F.C.A. Fierstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 januari 2026.
Mr. H.M. Lenting is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.