ECLI:NL:RBNNE:2026:220

ECLI:NL:RBNNE:2026:220

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 29-01-2026
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer 18-191196-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op dertienjarige leeftijd de zesjarige kleindochter van zijn pleegouders heeft verkracht. De rechtbank spreekt verdachte vrij van twee andere verkrachtingen, omdat het dossier hiervoor geen steunbewijs bevat. Overwegingen met betrekking tot betrouwbaarheid, steunbewijs en een viertal schadevorderingen. De rechtbank bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd (9a Sr). Voorts kent de rechtbank aan het slachtoffer schadevergoeding toe.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer 18-191196-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , wonende [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 januari 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.M.J.C. van Lee, advocaat te Donkerbroek. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij in of omstreeks in de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] , met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2016, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten meermalen, althans eenmaal

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks in de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] , door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door onverhoeds de vagina van [slachtoffer 1] te betasten en/of onverhoeds zijn (ontblote) (stijve) penis aan die [slachtoffer 1] te tonen en/of onverhoeds die [slachtoffer 1] op haar gezicht en/of lichaam te kussen, die [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten

2

hij in of omstreeks in de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 december 2024 te [plaats] met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten meermalen, althans eenmaal

- die [slachtoffer 1] op haar gezicht en/of lichaam kussen; Artikel 250 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (nieuw)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks in de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 december 2024 te [plaats] met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten meermalen, althans eenmaal

3

hij in of omstreeks in de periode van 1 december 2024 tot en met 31 december 2024 te [plaats] met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 2] een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten meermalen, althans eenmaal

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks in de periode van 1 december 2024 tot en met 31 december 2024 te [plaats] met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 2] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten meermalen, althans eenmaal

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor feit 1 primair, 2 primair en 3 primair (verkrachting minderjarigen beneden de twaalf jaren).

Feit 1 en 2 ( [slachtoffer 1] )

Ten aanzien van feit 1 primair en 2 primair volgt uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en haar moeder, aangeefster [moeder slachtoffers] , dat verdachte in 2024 meermaals bij [slachtoffer 1] seksueel is binnengedrongen. Ook blijkt hieruit dat het tonen van zijn geslachtsdeel, het betasten en zoenen meermaals heeft plaatsgevonden.

Feit 3 ( [slachtoffer 2] )

Ten aanzien van feit 3 primair volgt uit de verklaring van [slachtoffer 2] dat verdachte seksueel bij haar is binnengedrongen. Direct hierna heeft zij haar moeder, aangeefster [moeder slachtoffers] , hierover verteld. Op basis van deze verklaringen en de deels bekennende verklaring van verdachte kan ook het tonen van zijn geslachtsdeel en het betasten van de borsten bewezen worden.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1 en 2 ( [slachtoffer 1] )

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak van feit 1 en 2 bepleit, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld op welk moment de tenlastegelegde handelingen hebben plaatsgevonden.

Subsidiair heeft de raadsvrouw vrijspraak van feit 1 primair en 2 primair bepleit vanwege het ontbreken van (betrouwbaar) steunbewijs. De verklaring van aangeefster [moeder slachtoffers] betreft een de auditu verklaring (van horen zeggen) en kan om die reden niet als steunbewijs dienen. De verklaring die verdachte zelf over het seksueel binnendringen heeft afgelegd dient uitgesloten te worden van het bewijs, omdat zijn verklaring op dit punt onbetrouwbaar is.

Meer subsidiair dient vrijspraak van het onder feit 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde te volgen, vanwege het ontbreken van dwang in de zin van artikel 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) en de ontkennende verklaring van verdachte ten aanzien van de aanranding.

Feit 3 ( [slachtoffer 2] )

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van feit 3 primair, omdat wettig en overtuigend bewijs voor seksueel binnendringen ontbreekt. [slachtoffer 2] heeft zelf niet over het binnendringen in de vagina verklaard en uit de verklaring van haar moeder, aangeefster [moeder slachtoffers] , blijkt evenmin steunbewijs voor het binnendringen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw ten aanzien van feit 3 subsidiair partiële vrijspraak bepleit van het eerste, tweede, derde en zevende gedachtestreepje. Wettig bewijs hiervoor ontbreekt, omdat verdachte de eerste twee gedachtestreepjes heeft ontkend en steunbewijs ontbreekt. Getuige [slachtoffer 2] heeft verklaard dat het derde gedachtestreepje niet heeft plaatsgevonden en het zevende gedachtestreepje is, gelet op de verklaring van verdachte, niet seksueel van aard.

Het oordeel van de rechtbank

Juridisch kader zedenzaken

Vooraf

De rechtbank overweegt dat zedenstrafzaken zich kenmerken door het feit dat er doorgaans slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de (veronderstelde) seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Bewijs van schuld aan het verwijt of de verwijten is daarom vaak moeilijk vast te stellen.

Betrouwbaarheid verklaringen

Enkel een betrouwbare verklaring kan als uitgangspunt dienen voor de verdere beoordeling van het aan de verdachte ten laste gelegde. Bij de beoordeling van een verklaring op betrouwbaarheid gaat het onder andere om consistentie, authenticiteit, spontaniteit en waargenomen emoties.

Bewijsminimum

Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) kan het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige, ook niet indien die verklaring betrouwbaar wordt geacht. De rechter mag daarom niet tot een bewezenverklaring komen als de door de aangever genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende worden ondersteund door ander bewijs.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat het zedendelict als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is als de verklaring van het slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Steunbewijs

In het geval geen getuigen aanwezig zijn geweest bij de (veronderstelde) seksuele handelingen, kan volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad het steunbewijs onder meer ook bestaan uit een verklaring over de eigen waarneming van een getuige van emotie(s) bij het (vermeende) slachtoffer na het ten laste gelegde feit. Zon verklaring kan steunbewijs opleveren als de emotionele toestand of eventuele gedragsverandering die de getuige (disclosure-getuige) bij het slachtoffer heeft waargenomen, niet anders kan worden opgevat dan als een bevestiging van de verklaringen van het slachtoffer. Het tijdsverloop tussen het ten laste gelegde feit en de waargenomen emoties is daarbij relevant. Meestal gaat het om bewijs waaruit emoties blijken die kort na het incident door een getuige zijn waargenomen. Wel is behoedzaamheid op zijn plaats bij het gebruik de waarneming van emoties als steunbewijs.

Tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde maatstaven zal de rechtbank hierna de feiten beoordelen. Daarbij hanteert de rechtbank een andere volgorde dan de tenlastelegging.

Feit 3 ( [slachtoffer 2] )

De rechtbank acht feit 3 primair wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Bewijsmiddelen 1

Op 12 januari 2025 heeft er een informatief gesprek plaatsgevonden met [moeder slachtoffers] (verder: aangeefster).2 In dit gesprek heeft aangeefster verklaard dat verdachte het pleegkind is van haar schoonouders. In het weekend van 15 december 2024 was aangeefster bij haar schoonouders in [plaats] . Aldaar zag zij haar zesjarige dochter [slachtoffer 2] naar het toilet lopen. Zij is haar dochter gevolgd om haar hierbij te helpen. Hierop begon [slachtoffer 2] te huilen. [slachtoffer 2] vertelde dat ze al had geplast en dat het zo zeer deed. Aangeefster zag dat er een plasje op de grond voor het toilet lag. Van verdachte mocht [slachtoffer 2] niet vertellen wat er was gebeurd. Nadat aangeefster aangaf dat [slachtoffer 2] alles mocht vertellen gaf [slachtoffer 2] aan dat verdachte met zijn vingers in haar kruis had gezeten en herhaalde ze dat het plassen zeer deed.3

Op 25 februari 2025 heeft aangeefster aangifte gedaan van seksueel misbruik van haar dochter [slachtoffer 2] .4 In de aangifte heeft aangeefster herhaald dat [slachtoffer 2] bij haar schoonouders naar het toilet ging. [slachtoffer 2] huilde, gaf aan pijn te hebben en zei in eerste instantie dat zij van verdachte niet mocht vertellen wat er was gebeurd. Nadat aangeefster doorvroeg vertelde [slachtoffer 2] dat verdachte zijn vinger in haar kruis had gedaan en dat het plassen zeer deed.5 Op de woensdag na het incident [de rechtbank begrijpt: 18 december 2024] heeft aangeefster hier nogmaals met [slachtoffer 2] over gesproken. Tijdens dit gesprek vertelde [slachtoffer 2] dat het één keer was gebeurd, op die zondag [de rechtbank begrijpt: 15 december 2024]. Ook vertelde [slachtoffer 2] dat verdachte toen zijn onderbroek naar beneden had en dat zijn piemel groot [de rechtbank begrijpt: stijf] was.6

Op 6 maart 2025 is [slachtoffer 2] , geboren op [geboorteplaats] 2018, (verder: [slachtoffer 2] ) in een kindvriendelijke studio als getuige verhoord.7 In dit gesprek heeft [slachtoffer 2] aangegeven dat verdachte haar vroeg om samen boven te spelen op zijn kamer. Eenmaal boven heeft [slachtoffer 2] op verzoek van verdachte haar onderkleding naar beneden getrokken. Vervolgens drukte verdachte met zijn vinger in haar kruis. Dit deed haar pijn en daarom zei ze dat verdachte moest stoppen, waarna hij stopte.8 Hierna deed [slachtoffer 2] haar eigen onderkleding weer aan. Nadat ze stop had gezegd zag [slachtoffer 2] dat verdachte zijn eigen broek naar beneden deed waarop ze zijn piemel zag. Er zaten kleine haartjes op en zijn piemel stond vooruit.9 [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte haar vroeg om aan zijn piemel te zitten, hetgeen [slachtoffer 2] heeft geweigerd. Verdachte had haar verteld dat het geheim moest blijven, maar [slachtoffer 2] wist dat ze dat niet moest doen. Hierna ging [slachtoffer 2] beneden naar het toilet om te plassen, maar dit deed haar pijn. Op dat moment heeft zij haar moeder (aangeefster) verteld wat er is gebeurd.10

Overweging betrouwbaarheid

[slachtoffer 2] heeft gedetailleerd verklaard wat er in het weekend van 15 december 2024 heeft plaatsgevonden. Uit haar verklaring leidt de rechtbank af dat verdachte met zijn vinger haar vagina is binnengedrongen. Daarna heeft verdachte zijn blote stijve penis aan [slachtoffer 2] getoond en heeft hij haar gevraagd om zijn blote stijve penis te betasten, hetgeen zij heeft geweigerd. De omstandigheid dat [slachtoffer 2] niet altijd helemaal duidelijk is geweest over de volgorde van deze gebeurtenissen doet niet af aan de authenticiteit en consistentie van haar verklaring. Bovendien komt haar verklaring inhoudelijk op specifieke en relevante punten overeen met hetgeen zij kort na het feit aan haar moeder (aangeefster) heeft verteld. Dat maakt haar verklaring over het geheel genomen betrouwbaar en geloofwaardig.

Overweging steunbewijs

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] op onderdelen voldoende steun vindt in de verklaring van haar moeder, tevens aangeefster. Immers heeft aangeefster, zeer kort nadat de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, hevige emoties bij [slachtoffer 2] waargenomen, die naar het oordeel van de rechtbank niet anders kunnen worden gezien dan als bevestiging van wat [slachtoffer 2] heeft verteld. Bovendien heeft aangeefster niet alleen van [slachtoffer 2] gehoord dat verdachte met zijn vinger in haar kruis is geweest. Ook heeft zij direct hierna van [slachtoffer 2] gehoord dat zij pijn ervoer bij het plassen. Naar het oordeel van de rechtbank draagt dat bij aan het bewijs dat verdachte met zijn vinger de vagina van [slachtoffer 2] is binnengedrongen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging met betrekking tot de betwisting van het seksueel binnendringen. Dat alleen aangeefster heeft verklaard over de handelingen beschreven na het tweede gedachtestreepje betekent niet dat dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen kan worden door het ontbreken van steunbewijs. De tenlastelegging behoeft namelijk niet op elk onderdeel dubbele bevestiging.

Eindconclusie

De rechtbank komt tot de conclusie dat de verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar is en dat deze in voldoende mate wordt ondersteund door de verklaring van haar moeder, tevens aangeefster, zodat aan het bewijsminimum is voldaan. Daarom is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder feit 3 primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zoals hierna vermeld in de bewezenverklaring. De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van het derde, vijfde, zesde, zevende en achtste gedachtestreepje omdat hiervoor wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

Feit 1 en 2 ( [slachtoffer 1] )

De rechtbank acht het onder feit 1 (primair en subsidiair) en feit 2 (primair en subsidiair) ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Verklaring [slachtoffer 1]

Op 6 maart 2025 is [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2016, (verder: [slachtoffer 1] ) in een kindvriendelijke studio als getuige verhoord. In dit gesprek heeft [slachtoffer 1] verklaard dat zij op de slaapkamer van verdachte seksueel door hem is betast. Uit het verhoor blijkt dat ze het moeilijk vindt om hierover te praten. Kort gezegd komt haar verklaring erop neer dat verdachte met zijn vinger aan haar kruis heeft gezeten.

De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer 1] , ondanks het tijdsverloop tussen het ten laste gelegde en het verhoor, op significante punten consistent heeft verklaard. In haar oordeel heeft de rechtbank ook meegewogen dat [slachtoffer 1] haar verhaal niet groter of anders heeft gemaakt. De rechtbank acht haar verklaring daarom authentiek en betrouwbaar.

Steunbewijs

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de belastende verklaring van [slachtoffer 1] voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv wordt voldaan. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is om de navolgende redenen.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen kan een eigen waarneming van een emotionele toestand van een (vermeend) slachtoffer door een getuige steunbewijs opleveren. De moeder van [slachtoffer 1] , [moeder slachtoffers] (verder: aangeefster), heeft weliswaar verklaard over emoties die zij heeft waargenomen bij [slachtoffer 1] toen zij haar over het incident vertelde, maar deze waarneming is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om als steunbewijs te kunnen dienen voor het ten laste gelegde. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] zelf blijkt niet wanneer en hoe vaak het misbruik zou hebben plaatsgevonden, maar aangeefster heeft hierover verklaard dat het seksueel misbruik in het voorjaar of de zomer van 2024 moet hebben plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat er maanden zijn verstreken tussen de zomerperiode van 2024 en het moment dat aangeefster deze emoties van [slachtoffer 1] waarnam, nadat [slachtoffer 1] over het incident had verteld. Het ging dus niet om de waarneming van een emotionele reactie direct of kort na het voorval.

Ook de verklaring van verdachte bij de politie vormt geen steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 1] . Hoewel verdachte heeft verklaard dat zijn duim op enig moment in het kruis van [slachtoffer 1] is geglipt, is de rechtbank van oordeel dat zijn verklaring op teveel punten afwijkt van die van [slachtoffer 1] , zodat niet vastgesteld kan worden dat deze over dezelfde gebeurtenis gaat. Uit zijn verklaring volgt immers dat dit in een andere periode van het jaar, op een andere (logeer)kamer, overdag, en naar aanleiding van een stoeipartij zou zijn gebeurd. Dit maakt dat zijn verklaring niet als steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 1] kan dienen.

Eindconclusie

Gelet op het voorgaande en omdat de rechtbank ook in de overige inhoud van het dossier geen steun heeft kunnen vinden voor de verklaring van [slachtoffer 1] , concludeert de rechtbank dat het dossier daarvoor geen steunbewijs bevat, waardoor niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv. De rechtbank zal verdachte om die reden vrijspreken van het onder feit 1 primair en subsidiair en het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder feit 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

3 ( primair)

hij op 15 december 2024 te [plaats] met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 2] een of meer seksuele handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

3 primair. Verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder feit 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van één maand met een proeftijd van twee jaren met de navolgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de jeugdreclassering en meewerken aan hulpverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk acht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, bepleit om conform het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) toepassing te geven aan artikel 9a Sr. Mede gelet op de beperkte emotionele en morele ontwikkeling van verdachte en de verstrekkende gevolgen die verdachte al heeft ondervonden door de uithuisplaatsing dient hulpverlening in het civiele kader te prevaleren.

Het oordeel van de rechtbank

Algemeen

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de zitting en het rapport van de Raad, het strafblad van verdachte, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

Ernst van het feit

Verdachte heeft op dertienjarige leeftijd de zesjarige kleindochter van zijn pleegouders seksueel misbruikt door met zijn vinger haar vagina binnen te dringen, zijn blote stijve penis aan haar te tonen en haar te vragen om deze te betasten.

Dit is een ernstig feit dat de samenleving schokt en zorgt voor gevoelens van onrust en verontwaardiging in de maatschappij. Door zo te handelen heeft verdachte ook een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 2] . Ook is het algemeen bekend dat dit soort feiten (op termijn) langdurige psychische gevolgen kunnen hebben voor de slachtoffers en een verstoring van de (seksuele) ontwikkeling van de slachtoffers kan opleveren.

Op de zitting heeft de moeder van het jonge slachtoffer de enorme impact van het misbruik van haar dochter op haar omgeving toegelicht en invoelend verwoord dat het leven van haar gezin ingrijpend is veranderd. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij dit leed heeft veroorzaakt.

Strafblad

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van 4 december 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

Persoon van verdachte

De rechtbank houdt rekening met het rapport van de Raad van 8 januari 2026, opgesteld door H. Visser (raadsonderzoeker). Hieruit volgt dat verdachte na het feit is geconfronteerd met voor hem ingrijpende gevolgen, omdat hij weg moest bij het pleeggezin waar hij reeds jarenlang verbleef en waar het feit heeft

plaatsgevonden. Verdachte heeft niet alleen een belast verleden, maar hij heeft ook al veel verlieservaringen opgedaan, wat maakt dat zijn gedwongen vertrek uit het pleeggezin veel impact op hem heeft.

De Raad heeft niet kunnen inschatten in hoeverre verdachte verantwoordelijkheid is te houden voor zijn gedrag. Uit psychoseksueel onderzoek is gebleken dat verdachtes morele ontwikkeling wordt ingeschat als vergelijkbaar met de emotionele ontwikkelingsfase die kinderen gewoonlijk tussen de 18 en 36 maanden doormaken. Verdachte beschikt daardoor niet geheel over de mentale en emotionele vermogens om seksueel gedrag, grenzen en sociale interacties te begrijpen zoals passend is bij zijn kalenderleeftijd. Gelet hierop komt het seksueel grensoverschrijdend gedrag dan ook niet voort uit een bewuste intentie tot het toebrengen van schade, maar uit een combinatie van ontwikkelingstekorten, een beperkte morele oriëntatie en onvoldoende zelfregulatie.

In haar advies heeft de Raad gesteld dat vanuit het civiele kader, als de situatie van verdachte stabieler is, zal worden ingezet op een specifieke training welke volledig aansluit bij de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De Raad heeft geconcludeerd dat het (vanuit pedagogisch oogpunt) hierdoor overbodig en niet passend is om binnen het strafrechtelijk kader ook nog een (leer)straf op te leggen of het civiele hulpverleningskader te borgen middels een proeftijd met algemene en/of bijzondere voorwaarden, omdat de voogden hier al op hebben ingezet en ook de intentie hebben om dit voort te zetten. Het wordt van belang geacht dat verdachte zich volledig in kan zetten binnen het civiele hulpverleningstraject en hierbij niet overvraagd wordt, door bijvoorbeeld een (on)voorwaardelijke straf. De raad heeft daarom geadviseerd om verdachte schuldig te verklaren zonder strafoplegging.

Conclusie

Het jeugdstrafrecht heeft een sterk pedagogisch karakter. Het doel van het jeugdstrafrecht is (her)opvoeding en resocialisatie. Het jeugdstrafrecht vereist steeds maatwerk, waarbij rekening moet worden gehouden met de situatie van de verdachte en de omstandigheden waaronder een strafbaar feit is begaan.

Gelet op al hetgeen hiervoor reeds is overwogen houdt de rechtbank verdachte, vanwege zijn morele en emotionele ontwikkeling, beperkt verantwoordelijk voor de verkrachting van het slachtoffer. De rechtbank overweegt voorts dat de verdenking voor verdachte al grote negatieve gevolgen heeft gehad. Door wat er is gebeurd woont verdachte immers niet meer bij zijn pleegouders, hetgeen verdachte ter zitting zichtbaar veel verdriet heeft gedaan en nog steeds doet. Ook is de rechtbank van oordeel dat behandeling van verdachte in het civiele kader met voldoende waarborgen is omkleed, onder meer omdat er een voogdijmaatregel loopt die tot verdachtes achttiende verjaardag doorloopt. In dat kader zal worden gewerkt aan het terugdringen van het gevaar voor herhaling, onder meer door het bevorderen van inzicht bij verdachte in zijn eigen gedrag en de gevolgen daarvan voor anderen. Hierdoor wordt de meerwaarde van een strafrechtelijk kader, mede gelet op het risico van overbevraging, door de rechtbank niet gezien.

Alles afwegende zal de rechtbank daarom verdachte met toepassing van artikel 9a Sr schuldig verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

Alle benadeelde partijen hebben verzocht de vordering te verhogen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vorderingen van [slachtoffer 1] (feit 1 primair en 2 primair), [slachtoffer 2] (feit 3 primair) en [vader slachtoffers] (feit 1 primair, 2 primair en 3 primair) voldoende zijn onderbouwd en daarom geheel toewijsbaar zijn, telkens vermeerderd met wettelijke rente.

Ten aanzien van de vordering van [moeder slachtoffers] (feit 1 primair, 2 primair en 3 primair) heeft de officier van justitie geconcludeerd dat de immateriële schade voldoende is onderbouwd en daarom toewijsbaar is. Indien de rechtbank concludeert dat de materiële schade vanwege de complexiteit ervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, heeft de officier van justitie gevorderd deze post niet-ontvankelijk te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsvrouw zich namens het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid op het standpunt gesteld dat alle vorderingen niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, vanwege de complexiteit van de vorderingen en het tijdstip (kort voorafgaand aan de zitting) waarop de vorderingen zijn ingediend.

Hierdoor heeft het Regiecentrum geen gelegenheid gehad om de vorderingen inhoudelijk te beoordelen. Subsidiair heeft de raadsvrouw de volgende standpunten ingenomen.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] (feiten 1 en 2) is bepleit de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de reiskosten onvoldoende zijn onderbouwd en er toekomstige reiskosten zijn gevorderd.

Bepleit is de gevorderde immateriële schade te matigen omdat de aangedragen jurisprudentie ter onderbouwing van de vordering niet vergelijkbaar is en er nog geen diagnostiek heeft plaatsgevonden waaruit het psychisch letsel blijkt. Verzocht wordt om aansluiting te zoeken bij de Rotterdamse schaal en de immateriële schade toe te wijzen tot 1.000,00.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] (feit 3 primair) is bepleit deze aanzienlijk te matigen, omdat de aangedragen jurisprudentie ter onderbouwing van de vordering niet vergelijkbaar is. Ook is er geen sprake van een pleegperiode, maar van een eenmalig incident.

Ten aanzien van de vorderingen van [moeder slachtoffers] en [vader slachtoffers] (feiten 1, 2 en 3) is bepleit de gevorderde materiële en/of immateriële schade af te wijzen, omdat dit geen rechtstreekse schade betreft.

Het oordeel van de rechtbank

Vordering [slachtoffer 1] (feit 1 en 2)

De rechtbank acht de feiten waaruit de schade zou zijn ontstaan (feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair en subsidiair) niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering [slachtoffer 2] (feit 3 primair)

Naar het oordeel van de rechtbank is er voldoende grondslag voor de vordering tot immateriële schadevergoeding. Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van aantasting in de persoon op andere wijze, als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van een persoonsaantasting. Bovendien is voldoende aannemelijk gemaakt dat de benadeelde partij psychische schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 3 primair bewezen verklaarde. De benadeelde partij is immers in de woning van haar grootouders, een plek waar zij zich veilig hoort te voelen, door verdachte, die zij als familie beschouwde, seksueel misbruikt. Anders dan door de verdediging is bepleit, oordeelt de rechtbank dat het geen complexe vordering betreft. Overigens kan een vordering, ongeacht de complexiteit ervan, zelfs nog ter zitting worden ingediend. Het verweer wordt op dit punt daarom verworpen.

De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede de aard van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, de ernst daarvan, de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Gelet op de ernst van de inbreuk op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij en de gevolgen die deze inbreuk voor haar heeft gehad, en haar jeugdige leeftijd, acht de rechtbank een bedrag van 3.000,00 billijk ter vergoeding van de door haar geleden schade. De rechtbank heeft daarbij gelet op bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Voornoemd bedrag zal worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 december 2024.

Nu verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit de leeftijd van veertien jaren nog niet had bereikt, wordt de vordering op grond van artikel 51g lid 4 Sv geacht te zijn gericht tegen de gezinsvoogdijinstelling, het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid. Deze is daarom aansprakelijk voor betaling van het toegewezen bedrag.

De rechtbank zal voornoemde gezinsvoogdijinstelling veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering [moeder slachtoffers] (feit 3 primair)

De rechtbank acht feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair en subsidiair niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank heeft deze vordering daarom behandeld als enkel te zijn verbonden met feit 3 primair. Naar het oordeel van de rechtbank dient de vordering, los van de vraag naar de complexiteit ervan, niet-ontvankelijk verklaard worden en overweegt daartoe als volgt.

De opgevoerde reiskosten voor de bezoeken aan het politiebureau zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid Sv. Deze reiskosten worden daarom niet-ontvankelijk verklaard.

De opgevoerde gederfde omzetkosten, subsidiair begeleidingskosten, zijn naar het oordeel van de rechtbank evenmin aan te merken als rechtstreekse schade. Een onrechtmatige daad gepleegd jegens een kind brengt immers in beginsel nog niet mee dat ook onrechtmatig is gehandeld jegens de ouders van het

kind. Een uitzondering hierop is de zogeheten verplaatste schade als bedoeld in artikel 6:107 lid 1 BW. Het gaat dan specifiek om de onder sub a genoemde kosten die een derde anders dan krachtens een verzekering ten behoeve van de gekwetste (het slachtoffer) heeft gemaakt en die de gekwetste, wanneer hij deze kosten zelf zou hebben gemaakt, van de ander (de verdachte) had kunnen vorderen. Nu de gederfde omzetkosten en begeleidingskosten niet kunnen worden aangemerkt als verplaatste schade ontbreekt een juridische grondslag voor toewijzing. Daarom zal ook dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Voor de gevorderde immateriële schade geldt dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde geen rechtstreekse schade is toegebracht. [moeder slachtoffers] is immers als moeder aan te merken als derde/naaste van dochter [slachtoffer 2] . De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij ook op dit punt in de vordering niet-ontvankelijk is.

Vordering [vader slachtoffers] (feit 3 primair)

De rechtbank acht feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair en subsidiair niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank heeft deze vordering daarom behandeld als enkel te zijn verbonden met feit 3 primair. Naar het oordeel van de rechtbank dient de vordering, los van de vraag naar de complexiteit ervan, niet-ontvankelijk verklaard worden en overweegt daartoe dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde geen rechtstreekse schade is toegebracht. [vader slachtoffers] is immers als vader aan te merken als derde/naaste van dochter [slachtoffer 2] . De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk is.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder feit 3 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1], feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair en subsidiair:

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] haar eigen proceskosten draagt.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , feit 3 primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot het hierna te noemen bedrag toe ten laste van het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, de gezaghebbende voogd van verdachte, en veroordeelt het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid om aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen:

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat als de gezaghebbende voogd van verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting.

Ten aanzien van de benadeelde partij [moeder slachtoffers], feit 3 primair:

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffers] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij [moeder slachtoffers] haar eigen proceskosten draagt.

Ten aanzien van de benadeelde partij [vader slachtoffers] , feit 3 primair:

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffers] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij [vader slachtoffers] zijn eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. S.T. Kooistra en mr. H.K. de Haan, rechters, bijgestaan door mr. M. Linde, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 januari 2026.

Mr. H.K. de Haan is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpaginas, zijn dit paginas uit het dossier van de politie

Eenheid Noord-Nederland, Dienst regionale Recherche, afdeling Thematische Opsporing team Zeden met het proces-verbaal nummer 2025008632 (genaamd: NNRBC25037), doorgenummerd 1 tot en met 94, met

losse aanvullingen. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van voornoemd dossier.

2 Pagina 8.

3 Paginas 8 en 10.

4 Paginas 12 en 13.

5 Pagina 14.

6 Pagina 15.

7 Pagina 28.

8 Paginas 30, 32 en 33.

9 Paginas 34 en 35.

10 Paginas 30, 31, 35, 37 en 38.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. N.A. Vlietstra
  • mr. S.T. Kooistra
  • mr. H.K. de Haan

Griffier

  • mr. M. Linde

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?