RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.036478.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 mei 2026 en 9 juni 2026 (sluiting onderzoek).
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.D.W. Siccama, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. drs. J. Hoekman.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 31 januari 2024 te Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid (van ongeveer 13,02 kilogram en/of 12 liter) metamfetamine HCI, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, zijnde methamfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 31 januari 2024 te Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:
3.
hij op of omstreeks 31 januari 2024 te Groningen en/of op de A6 ter hoogte van de afrit Almere Buiten-Oost, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid (van ongeveer 43,66 kilogram) metamfetamine HCI, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, zijnde methamfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.
hij op of omstreeks 31 januari 2024 te Groningen en/of op de A6 ter hoogte van de afrit Almere Buiten-Oost, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen van MDMA en/of methamfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door in Groningen en/of op de A6 ter hoogte van de afrit Almere Buiten-Oost, althans in Nederland, een voertuig voorhanden te hebben met daarin (onder andere):
- ( meerdere) centrifuges en/of reactie- en destillatieketels en/of een rotary evaporator en/of een koelbuis en/of scheitrechters en/of (klemdeksel)vaten en/of jerrycans en/of verwarmingsdekens en/of pompen en/of filters en/of bakken en/of cilinders en/of emmers en/of
- een hoeveelheid (van ongeveer 425 liter) benzylmethylketon (BMK) en/of
- een hoeveelheid (van ongeveer 120 liter) fosforzuur en/of
- een hoeveelheid (van ongeveer 20 liter) aceton en/of
- een hoeveelheid (van ongeveer 100 liter) zoutzuur.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor alle feiten.
Met betrekking tot de feiten 1 en 2 is respectievelijk sprake van het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B of C van de Opiumwet gegeven verbod en het medeplegen van de voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs door de in de loods gevonden voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden te hebben. Uitgaande van de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] zijn zij ingeschakeld om goederen van A naar B te brengen. Gezien de waarde van de goederen die zij moesten meenemen is het ondenkbaar dat ze toevallige en onwetende onbekenden zijn die werden ingehuurd, aangezien een dergelijke organisatie zulke handel slechts aan vertrouwelingen toevertrouwt. Uit het dossier blijkt dat verdachte en [medeverdachte 2] op 31 januari 2024 geruime tijd op [adres] aanwezig waren, klaarblijkelijk hadden zij toegang tot die normaliter afgesloten loods, en wel moeten hebben waargenomen dat daar meer goederen stonden dan zij in de vrachtwagen hebben ingeladen. Beiden geven geen enkel inzicht over de organisatorische kant van dit geheel, waardoor alleen maar kan worden geconstateerd dat zij drie uren hebben gewerkt in de loods en een reeks goederen hebben meegenomen. Van belang is dat allen de strafbare situatie in stand lieten en op geen enkel moment de autoriteiten hebben ingeschakeld waardoor de illegale toestand kon blijven voortduren. Zij hebben kennelijk, althans van het tegendeel blijkt niets, de
keuze gehad over wat wel en niet mee te nemen en daarmee niet alleen wetenschap, maar klaarblijkelijk ook (enige) beschikkingsmacht gehad.
Voor wat betreft het onder 3 en 4 ten laste gelegde is achtereenvolgens sprake van het medeplegen van het opzettelijk vervoeren, in ieder geval het opzettelijk aanwezig hebben, van de methamfetamine en het medeplegen van de voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs door de in de vrachtauto aangetroffen goederen voorhanden te hebben. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] zijn teruggereden naar Amsterdam en bij hun aanhoudingen bevond de hoeveelheid methamfetamine zich in de laadruimte.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken.
Voor feiten 1 en 2 kan niet worden vastgesteld dat verdachte in de opslagruimte is geweest en evenmin dat hij van de zich daar bevindende inhoud wetenschap heeft gehad.
Feit 3 kan niet worden bewezen, dat geldt zowel voor de opzet- als de overtredingsvariant, omdat verdachte geen wetenschap van de in de laadruimte van de vrachtwagen gevonden methamfetamine heeft gehad en hij evenmin hierover beschikkingsmacht heeft kunnen uitoefenen. Concrete feiten en omstandigheden waaruit op enig moment die beschikkingsmacht zou blijken ontbreken.
Feit 4 kan niet worden bewezen, omdat uit het dossier niet volgt dat verdachte wetenschap heeft gehad van de in de vrachtwagen aangetroffen goederen.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak ten aanzien van feiten 1 en 2
De rechtbank acht feiten 1 en 2 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Op basis van de stukken in het dossier kan worden vastgesteld dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde hoeveelheden harddrugs, stoffen en voorwerpen verspreid in het bedrijfspand aan [adres] zijn aangetroffen. Echter, kan aan de hand van die stukken niet worden bepaald dat verdachte dit pand heeft betreden. Als gevolg daarvan kan de betrokkenheid van verdachte bij de feiten 1 en 2 niet worden vastgesteld, in die zin dat niet kan worden aangenomen dat hij wetenschap (ook niet via voorwaardelijk opzet) dan wel beschikkingsmacht heeft gehad over de aanwezigheid van de voormelde goederen in het pand.
Ten aanzien van feiten 3 en 4
Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 3 (misdrijfvariant)
De rechtbank zal verdachte gedeeltelijk vrijspreken van feit 3 (de misdrijfvariant), in die zin dat het opzettelijk vervoeren dan wel het opzettelijk aanwezig hebben van de methamfetamine (HCI) niet kan worden bewezen.
Uit de stukken in het dossier kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte wetenschap (ook niet via voorwaardelijk opzet) heeft gehad van de aanwezigheid van de voornoemde harddrugs.
Immers hebben deze drugs zich in afgesloten witte (ondoorzichtige) emmers bevonden, waarbij op de buitenkant slechts het aantal kilogram per emmer stond vermeld. Uit het dossier kan niet worden herleid
dat de inhoud van deze emmers op enig moment voor verdachte waarneembaar is geweest dan wel anderszins kan worden herleid dat hem bekend was dat het daarin aanwezige materiaal daadwerkelijk methamfetamine (HCI) betrof.
Bewezenverklaring ten aanzien van feit 3 (overtredingsvariant) en feit 4
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van feit 3 (de overtredingsvariant) en feit 4 redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. De door verdachte ter zitting van 12 mei 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik heb het bericht ontvangen: “Maatje ben je aan het werk.” Ik heb een klusje aangenomen om spullen van A naar B te brengen. Het klopt dat ik in Almere ben aangehouden.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 31 januari 2024, opgenomen op pagina 259 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024027685 d.d. 13 juni 2024, inhoudend de verklaring van [medeverdachte 1] :
V: Daar waar de politie iets aangetroffen heeft is in [adres] in Groningen. V: Wat heeft u daar?
A: Daar heb ik een kantoor.
V: Wat is er vanmiddag gebeurd?
A: Ik was met mijn geliefde s middag gaan eten. Ik kwam terug naar het kantoor. Ik zag dat er een vrachtwagen kleur blauw met daarop “Te Huur” stond. Er waren vier mensen die wat aan het inladen waren in die vrachtwagen.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 januari 2024, opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 31 januari 2024 omstreeks 15.45 uur namen wij via het meldkamersysteem kennis dat bij [adres] in Groningen een voertuig was weggereden voorzien van het kenteken [kenteken] en lazen wij dat dit ging om een vrachtwagen blauw van kleur op naam van [bedrijf] uit Amsterdam.
Op voornoemde datum om 16.04 uur zagen wij de vrachtwagen met kenteken [kenteken] rijden op de A6 nabij Joure. Wij stemden met het operationeel centrum en de overige eenheden af dat wij een BTGV zouden gaan uitvoeren ter hoogte van de afrit 8 aan de A6 (Almere Buiten-Oost). Wij hielden voorts twee verdachten in het voertuig aan. Wij zagen dat als bestuurder in de vrachtwagen zat: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] . Wij zagen dat als bijrijder in de vrachtwagen zat: [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] .
Wij hebben voorts kort in de laadruimte van het voertuig gekeken, via een deur in de zijkant van de laadruimte. Wij zagen hier diverse vaten met chemicaliën, ketels en opslagtanks. Wij zijn er ambtshalve mee bekend dat deze materialen, in combinatie met de sterke anijsgeur die wij uit de laadruimte roken, gebruikt worden voor de productie van harddrugs.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 januari 2024, opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 31 januari 2024 omstreeks 18:10 uur stond ik op locatie A6 afrit 8 Almere-Oostvaarders. Aldaar was zojuist verdachte [medeverdachte 2] aangehouden. Toen verdachte [medeverdachte 2] achterin een dienstvoertuig geplaatst was heb ik aan [medeverdachte 2] de volgende vraag gesteld: “Ik wil dit graag weten voor onze veiligheid, liggen er vloeistoffen in de auto waar u zojuist uit bent gekomen? Ik hoorde hem zeggen: “Ja, er liggen jerrycans in.” Hierop vroeg ik aan [medeverdachte 2] : “Hoeveel jerrycans en zijn deze dicht?” Ik hoorde [medeverdachte 2] zeggen: “Een stuk of tien à twintig ongeveer, ze zijn gevuld en afgesloten.”
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 april 2024, opgenomen op pagina 114 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op de camerabeelden van [naam camera] zijn panden te zien gelegen op een bedrijventerrein, [bedrijventerrein] .
Op 31 januari 2024 omstreeks 11.28 uur komt een vrachtwagen in beeld. De vrachtwagen is blauw van kleur en heeft op de zijkant in letters de opdruk “ [opdruk] ”. Om 11.29 uur stapt een persoon aan de passagierszijde van de cabine de vrachtwagen uit.
Opmerking verbalisant: Opsporingsambtenaar [naam] beschrijft in zijn proces-verbaal van bevindingen dat hij deze persoon herkend als verdachte [medeverdachte 2] .
Vervolgens rijdt de vrachtwagen om 14.42 uur van het terrein af en slaat rechtsaf [adres] op.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 april 2024, opgenomen op pagina 145 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Het onderzochte toestel werd in beslag genomen onder verdachte [verdachte] .
Kon blijken dat verdachte [medeverdachte 2] als contactpersoon in het toestel stond na het, bij de politie bekende, telefoonnummer van verdachte [medeverdachte 2] in te voeren.
In de data werd informatie aangetroffen waarin verdachte (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) via de mail contact heeft met [bedrijf] waarbij via een mail van 31 januari 2024 te 07.03 uur rapporten worden verstuurd van een huurcontract. In de zoekgeschiedenis van het toestel is te zien dat er op 30 januari 2024 wordt gezocht bij [bedrijf] naar onder andere: vrachtwagen/Mercedes/Axor/Antos. In de zoekgeschiedenis te zien dat er online een winkelwagen is gevuld en dat er reserveringsgegevens aangemaakt werden.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 maart 2024, opgenomen op pagina 150 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Het onderzochte toestel werd in beslag genomen onder verdachte [medeverdachte 2] . CHAT GEBRUIKER TELEFOON EN [contactnaam]
Onderstaande chat is een gesprek tussen de gebruiker van het toestel en het contact “ [contactnaam] ”. Door de gebruiker van de chat wordt niet gereageerd op de in de chat gestelde vraag.
30-1-2024 13:43:52 | Maatje ben je aan het werk 30-1-2024 13:44:27 | Kan je morgen mee
Wel is er te zien in de belgegevens dat men onderling nog wel telefonisch contact heeft. To: [contactnaam] | 30-1-2024 14:51:16(UTC+0) | 00:01:02
To: [contactnaam] |30-1-2024 14:51:07(UTC+0) | 00:01:11
From: [contactnaam] | 30-1-2024 14:22:28(UTC+0) | 00:00:30
From: [contactnaam] | 30-1-2024 13:42:32(UTC+0) | 00:00:30
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 april 2024, opgenomen op pagina 428 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van inspecteurs van de politie [inspecteur] en [inspecteur] :
Wij hebben een onderzoek ingesteld naar de goederen en chemicaliën, welke op 31 januari 2024 waren aangetroffen in de laadruimte van een vrachtwagentje op de A6 Li afrit 8 Almere-Oostvaarders.
Tijdens ons onderzoek zagen wij dat de goederen en chemicaliën bestonden uit onder andere:
Hieronder volgt in een tabel een opsomming van de goederen die werden aangetroffen. Ten behoeve van de voorlopige vaststelling van de aangetroffen chemicaliën werd door ons onder andere gebruik gemaakt van identificatieapparatuur, de ThermoScientific First Defender (FD).
Interpretatie Landelijke Faciliteit Ontmantelen
De aangetroffen goederen en chemicaliën zijn passend bij de productie en/of bewerking van (synthetische) drugs en/of precursoren. In dit geval specifiek de productie van BMK en methamfetamine. In totaal werd minimaal circa 43,66 kg methamfetamine HCI aangetroffen. Methamfetamine staat vermeld op lijst I van de Opiumwet. BMK betreft de hoofdgrondstof voor de productie van (meth)amfetamine. Fosforzuur kan
gebruikt worden bij de productie van BMK uit een pre-precursor. Aceton en zoutzuur betreffen chemicaliën welke in combinatie gebruikt worden voor de kristallisatie van bijvoorbeeld methamfetamine.
(Industriële) centrifuges komen wij zeer regelmatig tegen in productielocaties voor methamfetamine waar ze gebruikt worden voor het scheiden van d-methamfetamine-base van l-methamfetamine-tartraat. De aangetroffen scheitrechters kunnen gebruikt worden bij het scheiden van meerlaagse vloeistoffen na een productiestap. Zoals bijvoorbeeld de BMK-olielaag scheiden van de waterige afvallaag.
9. Een in een afzonderlijk proces-verbaal bijgevoegd deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.03.04.123, d.d. 8 april 2024 opgemaakt door ing. A.G.A. Sprong, op de door hem/haar algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:
Tabel 1 Onderzoeksmateriaal en resultaat:
Conclusie:
Vraagstelling 1: “Bevat het onderzoeksmateriaal Opiumwetsubstanties?”
In het onderzoeksmateriaal is methamfetamine HCI aangetoond. Methamfetamine is vermeld op lijst I van de Opiumwet. In artikel 1 lid 2 van de Opiumwet worden - voor toepassing van de Opiumwet en de daarop berustende bepalingen - zouten van methamfetamine gelijkgesteld aan methamfetamine zelf. Daarmee valt methamfetamine HCI als zout van methamfetamine onder lijst I van de Opiumwet.
Vraagstelling 2: “Bevat het onderzoeksmateriaal grondstoffen/hulpstoffen/tussenproducten voor de vervaardiging en/of bewerking van (synthetische) drugs?”
In het onderzoeksmateriaal zijn BMK (benzylmethylketon), aceton en fosforzuur aangetoond. In relatie tot drugs is BMK een grondstof voor amfetamine en methamfetamine.
Fosforzuur en aceton worden in de chemische industrie veelvuldig toegepast. In relatie tot drugs kunnen fosforzuur en aceton worden gebruikt bij de vervaardiging en/of bewerking van diverse drugs en drugsprecursoren.
Reconstructie
Uit de voormelde bewijsmiddelen reconstrueert de rechtbank het volgende.
Verdachte heeft verklaard dat hij een klusje heeft aangenomen om spullen van A naar B te brengen. Hiervan is hij, evenals medeverdachte [medeverdachte 2] , reeds één dag voordat het klusje zou worden uitgevoerd op de hoogte geweest, gezien het chat- en belcontact dat verdachte met medeverdachte [medeverdachte 2] op 30 januari 2024 heeft gehad in combinatie met het feit dat verdachte op 30 januari 2024 digitaal bij het autoverhuurbedrijf [bedrijf] naar een vrachtwagen heeft gezocht en reserveringsgegevens heeft aangemaakt.
Verdachte heeft op 31 januari 2024 bij ditzelfde bedrijf daadwerkelijk een vrachtwagen gehuurd. Hij is die dag in de vrachtwagen (als bestuurder) met medeverdachte [medeverdachte 2] (als bijrijder) naar [adres] in Groningen gereden. De vrachtwagen heeft ruim drie uren op die locatie stilgestaan en binnen die tijdspanne zijn goederen in dit voertuig geladen. Vervolgens zijn met hetzelfde voertuig verdachte (als bestuurder) en medeverdachte [medeverdachte 2] (als bijrijder) weggereden en zijn zij tegelijkertijd ter hoogte van Almere aangehouden. Kort na zijn aanhouding heeft medeverdachte [medeverdachte 2] aangegeven dat hij op de hoogte was van (een gedeelte) van de lading, in die zin dat hij wist dat er
ongeveer tien tot twintig afgesloten en gevulde jerrycans in de vrachtwagen aanwezig waren. In de laadruimte van dit voertuig zijn die alsmede centrifuges, reactie- en destillatieketels, een rotary evaporator, een koelbuis, scheitrechters, (klemdeksel)vaten, een pomp en emmers waarin de meer dan 43 kilo methamfetamine (HCI) heeft gezeten aangetroffen.
Bewijsoverweging
De rechtbank komt tot de conclusie dat feit 3 (de overtredingsvariant) en feit 4, zoals hierna onder de bewezenverklaring opgenomen, wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
Zij stelt aan de hand van de hiervoor uiteengezette reconstructie vast dat verdachte, voorafgaand dan wel tijdens het vervoer van de goederen, wetenschap heeft gehad van de in de laadruimte van de vrachtwagen aangetroffen voorwerpen en stoffen (met uitzondering van de harddrugs). In dat kader heeft verdachte met medeverdachte [medeverdachte 2] over het klusje de dag ervoor contact gehad, is verdachte degene geweest die de vrachtwagen heeft gehuurd, zijn in dit voertuig verdachte (als bestuurder) en medeverdachte [medeverdachte 2] (zijnde passagier) in elkaars bijzijn geweest zowel voor- als nadat de betreffende spullen door vier mannen waren ingeladen en wist medeverdachte [medeverdachte 2] kortstondig na diens aanhouding (een deel van) de lading in die vrachtwagen te noemen. Daarmee kan het niet anders dan dat verdachte vóór zijn aanhouding met medeverdachte [medeverdachte 2] , waarmee hij nauw en bewust heeft samengewerkt, over de in de laadruimte van de vrachtauto gevonden goederen heeft gesproken dan wel dat verdachte hiervóór die goederen (daarin) heeft gezien.
Het is een feit van algemene bekendheid dat de vorenbedoelde centrifuges, reactie- en destillatieketels, rotary evaporator, koelbuis, scheitrechters, (klemdeksel)vaten, pomp en emmers in onderlinge samenhang bezien als zodanig herkenbaar zijn als goederen die worden gebruikt bij de productie van harddrugs.
Daarnaast volgt uit de reconstructie dat verdachte, net als medeverdachte [medeverdachte 2] , beschikkingsmacht heeft gehad over alle dus ook de harddrugs in de vrachtwagen aanwezige goederen. Immers is verdachte constant de bestuurder van dat voertuig geweest, waarmee hij ook toegang tot de laadruimte ervan heeft gehad en verantwoordelijk voor de aldaar aanwezige lading is geweest.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de feiten 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
3.
hij op 31 januari 2024 te Groningen en op de A6 ter hoogte van de afrit Almere Buiten-Oost, tezamen en in vereniging met een ander heeft vervoerd, een hoeveelheid (van ongeveer 43,66 kilogram) methamfetamine HCI, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, zijnde methamfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.
hij op 31 januari 2024 te Groningen en op de A6 ter hoogte van de afrit Almere Buiten-Oost, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te
bereiden, te weten:
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
3. medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2 van de Opiumwet gegeven verbod;
4. medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van de duur van de ondergane voorlopige hechtenis.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit te volstaan met de oplegging van een langdurige taakstraf én een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaren. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten is niet betekenisvol en onredelijk.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie gedateerd op 1 april 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan het vervoeren van 43,66 kilogram harddrugs, te weten methamfetamine, én het plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van die harddrugs door diverse daarmee verband houdende chemicaliën en goederen te vervoeren. Daarbij is de rol van verdachte geweest dat hij één dag als bestuurder van de vrachtwagen waarin de voornoemde drugs, stoffen en voorwerpen zaten heeft opgetreden.
Door zijn handelen heeft verdachte bijdrages kunnen leveren aan de (grootschalige) productie van middelen die bedreigend zijn voor de volksgezondheid alsook aan de instandhouding van de markt voor harddrugs. De vervaardiging van en handel in harddrugs brengen bovendien de nodige andere (zware) criminaliteitsvormen mee.
De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, echter betreffen dit veroordelingen ter zake van andersoortige delicten en dateert zijn laatste veroordeling uit 2013.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsrapport van 20 april 2026.
De reclassering heeft het volgende gerapporteerd. Het schorsingstoezicht, waarvan sprake is sinds juli 2024, verloopt naar behoren. Verdachte heeft zijn leven op vrijwel alle gebieden op orde. Gelet op de (ontkennende) proceshouding van verdachte kon het recidiverisico niet worden ingeschat. Indien verdachte gedetineerd raakt dan is de kans groot dat hij zijn eigen bedrijf niet kan voortzetten en dus geen inkomsten en dagbesteding meer heeft, hetgeen in het algemeen recidiveverhogend zal werken.
Geadviseerd wordt, in geval van een veroordeling, een straf zonder bijzondere voorwaarden. Er worden geen mogelijkheden gezien om met interventies of toezicht risicos te beperken of het gedrag te veranderen.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard in staat te zijn een taakstraf te kunnen uitvoeren.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank heeft rekening gehouden met de schending van de redelijke termijn in strafzaken. Verdachte is op 1 februari 2024 in verzekering gesteld, waardoor de overschrijding van de redelijke termijn ruim drie maanden bedraagt.
Conclusie
In beginsel rechtvaardigt de ernst van (met name) feit 4 een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Desalniettemin zal de rechtbank vanwege de rol van verdachte bij dat feit, zijn persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn voor dat feit geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan de duur van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast acht de rechtbank voor feit 4, gelet op het hiervoor overwogene, een forse voorwaardelijke gevangenisstraf en een maximale taakstraf passend en geboden. Daarbij zal de rechtbank de proeftijd van de voorwaardelijke straf beperken tot twee jaren, aangezien zij geen verhoogd recidiverisico ziet.
Ten aanzien van feit 3 is naar het oordeel van de rechtbank een taakstraf van zestig uren passend en geboden.
Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.
Maatregel kostenverhaal
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel kostenverhaal dient te worden opgelegd ter hoogte van 27.985,47. De kosten die zijn gemaakt voor de ontmanteling van de productie-en opslaglocatie(s) ten bedrage van 111.941,89 dienen gelijkelijk op elk van de verdachten te worden verhaald.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vordering maatregel kostenverhaal af te wijzen, primair gelet op de integraal bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat onduidelijk is voor welke goederen welke kosten zijn gemaakt alsook dat lastig te herleiden is wat de specifieke rol van verdachte is geweest.
Oordeel van de rechtbank
De maatregel van artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
Uit het rapport maatregel kostenverhaal d.d. 28 maart 2024 volgt dat werkzaamheden voor de ontmanteling van de productie-/opslaglocaties, inclusief afvoer ter vernietiging van de chemicaliën, het restafval en de hardware zijn uitgevoerd en hiervoor een factuur is opgesteld ten bedrage van 111.941,89.
Gelet op de vrijspraak voor feiten 1 en 2 (en de partiële vrijspraak voor de misdrijfvariant van feit 3), de onduidelijke rol van verdachte bij elk van de locaties en de ten aanzien van de locaties onsplitsbare kostenomschrijvingen op de factuur is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet aan de vereisten voor oplegging van de maatregel voldaan. De rechtbank wijst de vordering dan ook af.
Inbeslaggenomen goed
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Google Pixel-telefoon moet worden onttrokken aan het verkeer, in verband met de daarop geïnstalleerde anti-forensische software.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het inbeslaggenomen goed geen standpunt ingenomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het (onder verdachte) inbeslaggenomen voorwerp, te weten de Google Pixel-telefoon (goednummer: 1685995), vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu met behulp daarvan de opsporing van de feiten is belemmerd, wegens de daarop geïnstalleerde anti-forensische software. Daarmee is dat voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan (door verdachte) in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 47 en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feiten 1 en 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder feiten 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 4 tot:
- een gevangenisstraf voor de duur van 420 dagen;
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 254 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
- een taakstraf voor de duur van 240 uren;
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.
Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 3 tot:
een taakstraf voor de duur van 60 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Maatregel kostenverhaal
- wijst de vordering maatregel kostenverhaal af;
Beslag
- onttrekt aan het verkeer de Google Pixel-telefoon (goednummer: 1685995).
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. van der Kuijl, voorzitter, mr. L.M. Praamstra en
mr. H. de Ruijter, rechters, bijgestaan door mr. M. Huiskamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juni 2026.