[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 mei 2026 en 9 juni 2026 (sluiting onderzoek).
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.J. Schadd, advocaat te Arnhem.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. drs. J. Hoekman.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 31 januari 2024 te Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid (van ongeveer 13,02 kilogram en/of 12 liter) metamfetamine HCI, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, zijnde methamfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 31 januari 2024 te Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:
3.
hij op of omstreeks 31 januari 2024 te Groningen en/of op de A6 ter hoogte van de afrit Almere Buiten-Oost, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid (van ongeveer 43,66 kilogram) metamfetamine HCI, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, zijnde methamfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.
hij op of omstreeks 31 januari 2024 te Groningen en/of op de A6 ter hoogte van de afrit Almere Buiten-Oost, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen van MDMA en/of methamfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door in Groningen en/of op de A6 ter hoogte van de afrit Almere Buiten-Oost, althans in Nederland, een voertuig voorhanden te hebben met daarin (onder andere):
- ( meerdere) centrifuges en/of reactie- en destillatieketels en/of een rotary evaporator en/of een koelbuis en/of scheitrechters en/of (klemdeksel)vaten en/of jerrycans en/of verwarmingsdekens en/of pompen en/of filters en/of bakken en/of cilinders en/of emmers en/of
- een hoeveelheid (van ongeveer 425 liter) benzylmethylketon (BMK) en/of
- een hoeveelheid (van ongeveer 120 liter) fosforzuur en/of
- een hoeveelheid (van ongeveer 20 liter) aceton en/of
- een hoeveelheid (van ongeveer 100 liter) zoutzuur.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor alle feiten.
Met betrekking tot de feiten 1 en 2 is respectievelijk sprake van het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B of C van de Opiumwet gegeven verbod en het medeplegen van de voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs door de in de loods gevonden voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden te hebben. Uitgaande van de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn zij ingeschakeld om goederen van A naar B te brengen. Gezien de waarde van de goederen die zij moesten meenemen is het ondenkbaar dat ze toevallige en onwetende onbekenden zijn die werden ingehuurd, aangezien een dergelijke organisatie zulke handel slechts aan vertrouwelingen toevertrouwt. Uit het dossier blijkt dat verdachte en [medeverdachte 1] op 31 januari 2024 geruime tijd op de [adres] aanwezig waren, klaarblijkelijk hadden zij toegang tot die normaliter afgesloten loods, en wel moeten hebben waargenomen dat daar meer goederen stonden dan zij in de vrachtwagen hebben ingeladen. Beiden geven geen enkel inzicht over de organisatorische kant van dit geheel, waardoor alleen maar kan worden geconstateerd dat zij drie uren hebben gewerkt in de loods en een reeks goederen hebben meegenomen. Van belang is dat allen de strafbare situatie in stand lieten en op geen enkel moment de autoriteiten hebben ingeschakeld waardoor de illegale toestand kon blijven voortduren. Zij hebben kennelijk, althans van het tegendeel blijkt niets, de
keuze gehad over wat wel en niet mee te nemen en daarmee niet alleen wetenschap, maar klaarblijkelijk ook (enige) beschikkingsmacht gehad.
Voor wat betreft het onder 3 en 4 ten laste gelegde is achtereenvolgens sprake van het medeplegen van het opzettelijk vervoeren, in ieder geval het opzettelijk aanwezig hebben, van de methamfetamine en het medeplegen van de voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs door de in de vrachtauto aangetroffen goederen voorhanden te hebben. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn teruggereden naar Amsterdam en bij hun aanhoudingen bevond de hoeveelheid methamfetamine zich in de laadruimte.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feiten 1, 2 en 3. Voor feit 1 kunnen zowel de wetenschap als de feitelijke beschikkingsmacht niet worden bewezen en ook feit 2 kan niet worden bewezen vanwege het ontbreken van de feitelijke beschikkingsmacht (niet kan worden gezegd dat de goederen zich in de machtssfeer van verdachte bevonden).
Ten aanzien van feit 3 heeft hij aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte wetenschap had van/opzet had op de aanwezigheid van harddrugs in de vrachtwagen.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak ten aanzien van feiten 1 en 2
De rechtbank acht feiten 1 en 2 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Op basis van de stukken in het dossier kan worden vastgesteld dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde hoeveelheden harddrugs, stoffen en voorwerpen verspreid over twee verdiepingen in het bedrijfspand aan de [adres] zijn aangetroffen. Daarbij zijn in het bijzonder op de begane grond in ruimte D de methamfetamine gevonden en in ruimte B onder andere een vervuilde roestvrijstalen reactieketel met een inhoudsmaat van circa 1044 liter. Echter kan aan de hand van die stukken en de verklaring van verdachte slechts worden bepaald dat hij in ruimte B, niet verder is gekomen dan direct achter de sectionaaldeur en dus geen andere ruimtes van dit pand heeft betreden, zodat hij alleen maar de reactieketel in zijn machtssfeer kan hebben gehad. Als gevolg daarvan is de betrokkenheid van verdachte bij de feiten 1 en 2 onvoldoende duidelijk geworden, in die zin dat niet kan worden aangenomen dat hij wetenschap (ook niet via voorwaardelijk opzet) dan wel beschikkingsmacht (op de reactieketel na) heeft gehad over de aanwezigheid van de voormelde goederen in het pand.
Ten aanzien van feiten 3 en 4
Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 3 (misdrijfvariant)
De rechtbank zal verdachte gedeeltelijk vrijspreken van feit 3 (de misdrijfvariant), in die zin dat het opzettelijk vervoeren dan wel het opzettelijk aanwezig hebben van de methamfetamine (HCI) niet kan worden bewezen.
Uit de stukken in het dossier kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte wetenschap (ook niet via voorwaardelijk opzet) heeft gehad van de aanwezigheid van de voornoemde harddrugs.
Immers hebben deze drugs zich in afgesloten witte (ondoorzichtige) emmers bevonden, waarbij op de
buitenkant slechts het aantal kilogram per emmer stond vermeld. Uit het dossier kan niet worden herleid dat de inhoud van deze emmers op enig moment voor verdachte waarneembaar is geweest dan wel anderszins kan worden herleid dat hem bekend was dat het daarin aanwezige materiaal daadwerkelijk methamfetamine (HCI) betrof. Gelet voorts op de stellige ontkenning van verdachte dat hij wist dat er harddrugs in de laadruimte aanwezig waren zal de rechtbank verdachte hiervan zal vrijspreken.
Bewezenverklaring ten aanzien van feit 3 (overtredingsvariant) en feit 4
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van feit 3 (de overtredingsvariant) redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
V: Daar waar de politie iets aangetroffen heeft is in de [adres] in Groningen. V: Wat heeft u daar?
A: Daar heb ik een kantoor.
V: Wat is er vanmiddag gebeurd?
A: Ik was met mijn geliefde s middag gaan eten. Ik kwam terug naar het kantoor. Ik zag dat er een vrachtwagen kleur blauw met daarop “Te Huur” stond. Er waren vier mensen die wat aan het inladen waren in die vrachtwagen.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 januari 2024, opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 31 januari 2024 omstreeks 15.45 uur namen wij via het meldkamersysteem kennis dat bij de [adres] in Groningen een voertuig was weggereden voorzien van het kenteken [kenteken] en lazen wij dat dit ging om een vrachtwagen blauw van kleur op naam van [bedrijfsnaam] uit Amsterdam.
Op voornoemde datum om 16.04 uur zagen wij de vrachtwagen met kenteken [kenteken] rijden op de A6 nabij Joure. Wij stemden met het operationeel centrum en de overige eenheden af dat wij een BTGV zouden gaan uitvoeren ter hoogte van de afrit 8 aan de A6 (Almere Buiten-Oost). Wij hielden voorts twee verdachten in het voertuig aan. Wij zagen dat als bestuurder in de vrachtwagen zat: [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] . Wij zagen dat als bijrijder in de vrachtwagen zat: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] .
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 april 2024, opgenomen op pagina 114 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op de camerabeelden van [naam camera] zijn panden te zien gelegen op een bedrijventerrein, [bedrijventerrein] .
Op 31 januari 2024 omstreeks 11.28 uur komt een vrachtwagen in beeld. De vrachtwagen is blauw van kleur en heeft op de zijkant in letters de opdruk “ [bedrijfsnaam] ”. Om 11.29 uur stapt een persoon aan de passagierszijde van de cabine de vrachtwagen uit.
Opmerking verbalisant: Opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] beschrijft in zijn proces-verbaal van
bevindingen dat hij deze persoon herkend als verdachte [verdachte] .
Vervolgens rijdt de vrachtwagen om 14.42 uur van het terrein af en slaat rechtsaf de [adres] op.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 april 2024, opgenomen op pagina 428 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van inspecteurs van de politie [inspecteur] en [inspecteur] :
Wij hebben een onderzoek ingesteld naar de goederen en chemicaliën, welke op 31 januari 2024 waren aangetroffen in de laadruimte van een vrachtwagentje op de A6 Li afrit 8 Almere-Oostvaarders.
Hieronder volgt in een tabel een opsomming van de goederen die werden aangetroffen. Ten behoeve van de voorlopige vaststelling van de aangetroffen chemicaliën werd door ons onder andere gebruik gemaakt van identificatieapparatuur, de ThermoScientific First Defender (FD).
Interpretatie Landelijke Faciliteit Ontmantelen
In totaal werd minimaal circa 43,66 kg methamfetamine HCI aangetroffen. Methamfetamine staat vermeld op lijst I van de Opiumwet.
6. Een in een afzonderlijk proces-verbaal bijgevoegd deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.03.04.123, d.d. 8 april 2024 opgemaakt door ing. A.G.A. Sprong, op de door hem/haar algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:
Tabel 1 Onderzoeksmateriaal en resultaat:
Conclusie:
Vraagstelling 1: “Bevat het onderzoeksmateriaal Opiumwetsubstanties?”
In het onderzoeksmateriaal is methamfetamine HCI aangetoond. Methamfetamine is vermeld op lijst I van de Opiumwet. In artikel 1 lid 2 van de Opiumwet worden - voor toepassing van de Opiumwet en de daarop berustende bepalingen - zouten van methamfetamine gelijkgesteld aan methamfetamine zelf. Daarmee valt methamfetamine HCI als zout van methamfetamine onder lijst I van de Opiumwet.
De rechtbank acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het
Wetboek van Strafvordering. Deze opgave luidt als volgt:
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de feiten 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
3.
hij op 31 januari 2024 te Groningen en op de A6 ter hoogte van de afrit Almere Buiten-Oost, tezamen en in vereniging met een ander heeft vervoerd, een hoeveelheid (van ongeveer 43,66 kilogram) methamfetamine HCI, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, zijnde methamfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.
hij op 31 januari 2024 te Groningen en op de A6 ter hoogte van de afrit Almere Buiten-Oost, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, te weten:
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
3. medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2 van de Opiumwet gegeven verbod;
4. medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van de duur van de ondergane voorlopige hechtenis.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor de oplegging van een gevangenisstraf van veertien maanden, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten en het overige gedeelte voorwaardelijk. Daarnaast heeft hij verzocht een taakstraf op te leggen van 240 uren.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie gedateerd op 1 april 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan het vervoeren van 43,66 kilogram harddrugs, te weten methamfetamine, én het plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van die harddrugs door diverse daarmee verband houdende chemicaliën en goederen te vervoeren. Daarbij is de rol van verdachte geweest dat hij één dag als bijrijder van de vrachtwagen heeft opgetreden en daarin stoffen en voorwerpen voor een drugslab heeft ingeladen. In dit voertuig zaten ook de voornoemde drugs.
Door zijn handelen heeft verdachte kunnen bijdragen aan de (grootschalige) productie van middelen die bedreigend zijn voor de volksgezondheid alsook aan de instandhouding van de markt voor harddrugs. De vervaardiging van en handel in harddrugs brengen bovendien de nodige andere (zware) criminaliteitsvormen mee.
De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, mede voor opiumdelicten. Echter dateert zijn laatste veroordeling uit oktober 2020 en was die ter zake van hennepteelt.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsrapport van 28 november 2025.
De reclassering heeft het volgende gerapporteerd. Gedurende het schorsingstoezicht, waarvan sprake is sinds juli 2024, heeft verdachte zich aan de gestelde voorwaarden en afspraken gehouden. Verdachte heeft in algemene zin zijn leven op orde. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat.
Geadviseerd wordt, in geval van een veroordeling, een straf zonder bijzondere voorwaarden. Er worden geen specifieke interventies dan wel reclasseringstoezicht geïndiceerd.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard in staat te zijn een taakstraf te kunnen uitvoeren. Eveneens heeft hij aangegeven indien hij opnieuw gedetineerd zal raken hij dan zijn werk zal verliezen.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank heeft rekening gehouden met de schending van de redelijke termijn in strafzaken. Verdachte is op 1 februari 2024 in verzekering gesteld, waardoor de overschrijding van de redelijke termijn ruim drie maanden bedraagt.
Conclusie
In beginsel rechtvaardigt de ernst van (met name) feit 4 een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Desalniettemin zal de rechtbank vanwege de rol van verdachte bij dat feit, zijn persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn voor dat feit geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan de duur van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast acht de rechtbank voor feit 4, gelet op het hiervoor overwogene, een forse voorwaardelijke gevangenisstraf en een maximale taakstraf passend en geboden. Daarbij zal de rechtbank de proeftijd van de voorwaardelijke straf beperken tot twee jaren, aangezien het recidiverisico laag wordt ingecalculeerd.
Ten aanzien van feit 3 is naar het oordeel van de rechtbank een taakstraf van zestig uren passend en geboden.
Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.
Maatregel kostenverhaal
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel kostenverhaal dient te worden opgelegd ter hoogte van 27.985,47. De kosten die zijn gemaakt voor de ontmanteling van de productie-en opslaglocatie(s) ten bedrage van 111.941,89 dienen gelijkelijk op elk van de verdachten te worden verhaald.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht, gelet op de bepleite vrijspraak voor feit 2, het op te leggen bedrag te matigen (tot maximaal 10.000,-), omdat niet is vast te stellen wat de kosten voor enkel de goederen in de vrachtwagen zijn geweest. Daarnaast is het gelet op de beperkte rol van verdachte onredelijk om hem evenredig in een deel van de kosten te veroordelen.
Oordeel van de rechtbank
De maatregel van artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
Uit het rapport maatregel kostenverhaal d.d. 28 maart 2024 volgt dat werkzaamheden voor de ontmanteling van de productie-/opslaglocaties, inclusief afvoer ter vernietiging van de chemicaliën, het restafval en de hardware zijn uitgevoerd en hiervoor een factuur is opgesteld ten bedrage van 111.941,89.
Gelet op de vrijspraak voor feiten 1 en 2 (en de partiële vrijspraak voor de misdrijfvariant van feit 3), de onduidelijke rol van verdachte bij elk van de locaties en de ten aanzien van de locaties onsplitsbare kostenomschrijvingen op de factuur is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet aan de vereisten voor oplegging van de maatregel voldaan. De rechtbank wijst de vordering dan ook af.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feiten 1 en 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder feiten 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 4 tot:
- een gevangenisstraf voor de duur van 420 dagen;
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 254 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
- een taakstraf voor de duur van 240 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.
Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 3 tot:
een taakstraf voor de duur van 60 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Maatregel kostenverhaal
- wijst de vordering maatregel kostenverhaal af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. van der Kuijl, voorzitter, mr. L.M. Praamstra en
mr. H. de Ruijter, rechters, bijgestaan door mr. M. Huiskamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juni 2026.