[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1945 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 mei 2026 (inhoudelijke behandeling) en 9 juni 2026 (sluiting onderzoek).
Verdachte is ter terechtzitting van 21 mei 2021 verschenen, bijgestaan door
mr. R.H. Wormhoudt, advocaat te Ruinerwold. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Broekstra.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode 24 augustus 2025 tot en met 25 augustus 2025 te Assen en/of Tynaarlo, althans in Nederland opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten, zijn levensgezel, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door meermalen tegen het hoofd en/of gezicht en/of bovenlichaam te slaan en/of te stompen, al dan niet met het gebruik van een voorwerp, en/of te verwurgen en/of te verstikken en/of te verdrinken.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de impliciet primair tenlastegelegde moord, nu niet blijkt van voorbedachte raad bij verdachte. De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor voorbedachte raad, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van de impliciet primair tenlastegelegde moord. Ook de bij verdachte vastgestelde neurocognitieve stoornis heeft tot gevolg dat geen sprake kan zijn geweest van voorbedachte raad.
Verdachte dient voorts vrijgesproken te worden van de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag, nu niet bewezen kan worden dat verdachte opzet had op de dood van zijn vrouw. Uit de verklaringen van verdachte volgt dat hij niet de intentie had om zijn vrouw van het leven te beroven. Bovendien is bij verdachte geen sprake geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Verdachte heeft het slachtoffer twee of drie klappen in het gezicht gegeven met de vuist, echter heeft dat volgens forensisch onderzoek niet tot haar dood geleid. Daarbij komt dat gelet op de bij verdachte vastgestelde neurocognitieve stoornis niet gesteld kan worden dat verdachte met het slaan bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn vrouw kwam te overlijden. Evenmin is te bewijzen dat verdachte zijn vrouw heeft verwurgd. Het is niet onaannemelijk dat de bloeduitstortingen in de hals van het slachtoffer zijn ontstaan door het met kracht dichtmaken van de vuilniszak om het hoofd van het slachtoffer. Voorts is bij verdachte geen sprake geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van zijn vrouw door haar te verstikken. Verdachte was ervan overtuigd dat zijn vrouw niet meer in leven was op het moment dat hij de vuilniszak om haar hoofd deed. Verdachte had met deze handeling geen opzet op de dood van zijn vrouw, maar deed een vuilniszak om haar hoofd omdat zij zo bloedde. Verdachte verkeerde in dwaling ten aanzien van het overlijden van zijn vrouw, hetgeen in de weg staat aan een bewezenverklaring van (voorwaardelijk) opzet op haar dood.
Oordeel van de rechtbank 1
Feiten en omstandigheden
Op maandag 25 augustus 2025 is door [benadeelde 2] melding gedaan van de vermissing van zijn moeder, [slachtoffer] . Zij zou sinds zondagavond 24 augustus 2025 niet meer thuis zijn geweest.2 Omstreeks 12:30 is de politie naar de woning aan de [adres] te Assen gegaan, het woonadres van [slachtoffer] en [verdachte] . De woning is bekeken om uit te sluiten dat [slachtoffer] zich in de woning bevond. De politie is samen met verdachte naar de parkeerkelder gegaan en heeft met toestemming van verdachte zijn auto bekeken. In de kofferbak werden twee vuilniszakken aangetroffen, met daarin grote lakens met diverse grote bloedvlekken. Hierop is [verdachte] als verdachte aangemerkt en aangehouden.3
Omstreeks 12:30 uur op diezelfde dag werd een lichaam aangetroffen in het Noord Willemskanaal ter hoogte van de [straatnaam] in Tynaarlo. Dit bleek het lichaam te zijn van [slachtoffer] . Haar boven- en onderbenen bleken aan elkaar vastgemaakt te zijn met spanbanden en om haar hoofd zat een vuilniszak. Deze vuilniszak was met tape strak om de hals geknoopt.4
Na zijn aanhouding is het lichaam van verdachte onderzocht. Op de rugzijden van beide handen ter hoogte van de polsen van verdachte werd krasvorming letsel gezien. Ook had verdachte een kleine huidbeschadiging op de rechterwijsvinger, blauw- en roodkleurige huidverkleuringen aan de binnenzijde van de rechterbovenarm en een huidbeschadiging aan de buitenzijde van de linkerbovenarm, net boven de elleboog.5
Forensisch onderzoek
Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft een forensisch-pathologisch onderzoek uitgevoerd op het lichaam van het slachtoffer. Door de patholoog is het volgende geconstateerd en geconcludeerd ten aanzien van de letsels en de interpretatie daarvan.
Aan het hoofd en de hals werd uitgebreid letsel aangetroffen, passend bij meerdere stomp botsende krachtsinwerkingen. Deze krachtsinwerkingen zijn ten minste deels hevig van aard geweest, gezien de onderliggende breuk van het linkerjukbeen en de letsels die zijn geconstateerd aan de hersenen en de hersenvliezen. Deze letsels, hoewel ernstig, waren echter niet van dien aard dat deze tot het overlijden van het slachtoffer kunnen hebben geleid. Wel kunnen deze krachtsinwerkingen geleid hebben tot verstoring of verlies van het bewustzijn.
Aan het lichaam van het slachtoffer zijn daarnaast bloeduitstortingen aangetroffen aan de kaakranden, zowel inwendig als uitwendig, en aan de kin en de hals. Ook zijn er breuken geconstateerd aan beide kanten van het tongbeen. Deze letsels zijn passend bij stomp botsende en bij samendrukkende krachtsinwerkingen. Aan het hoofd waren rondom en tussen de uitgebreide bloeduitstortingen ook stipvormige bloeduitstortingen waarneembaar. Deze kunnen verklaard worden door lokale drukverhoging bij stomp botsende krachtsinwerkingen, maar deze kunnen ook ontstaan bij belemmering van de doorbloeding van de halsvaten, zoals bij samendrukkende krachtsinwerking aan de hals (verwurging).
Verder waren de longen en longblaasjes opgezet. Dit beeld past bij verstikking door belemmering van de ademhaling, zoals door een plastic zak om het hoofd of verdrinking.
Ook op verschillende andere plaatsen op het lichaam is letsel aangetroffen. Zo zijn op de rug diverse letsels aangetroffen, die gezien hun aard en vorm kunnen optreden in een situatie waarbij het lichaam ergens stevig tegenaan gedrukt wordt, zoals wanneer het slachtoffer is verwurgd. Op de armen waren letsels aanwezig die kunnen passen bij afweerletsel, en deels ook bij hardhandig vastpakken.6
Bewijsoverwegingen van de rechtbank
Op basis van het politie- en forensisch pathologisch onderzoek kan worden vastgesteld dat het slachtoffer om het leven is gekomen door toedoen van verdachte. Verdachte heeft ook al tijdens het eerste verhoor bij de politie verklaard dat hij betrokken is geweest bij het overlijden van zijn vrouw. De rechtbank dient te beoordelen of het handelen van verdachte gekwalificeerd kan worden als moord of doodslag, zoals is tenlastegelegd.
Hoe is het slachtoffer om het leven gekomen?
De rechtbank merkt allereerst op dat uit het dossier niet precies blijkt wat er die avond en nacht is gebeurd in de woning, anders dan dat verdachte op enig moment hevig geweld tegen zijn vrouw heeft gebruikt en dat zij uiteindelijk is komen te overlijden. Als het gaat om de details is de rechtbank in hoge mate afhankelijk van de verklaringen van verdachte, maar die zijn bij de politie en ter terechtzitting wisselend geweest en ook in de loop van de tijd steeds minder concreet geworden. Verdachte wist zich ter terechtzitting veel dingen, ook zaken waarover hij bij de politie nog wel had verklaard, niet meer te herinneren. De rechtbank acht het aannemelijk dat de oorzaak hiervoor moet worden gezocht in de hersenschade die verdachte heeft opgelopen ten gevolge van meerdere herseninfarcten, waarop bij de persoonlijke omstandigheden nog uitgebreider zal worden ingegaan.
Omdat met de verklaring van verdachte uiterst behoedzaam moet worden omgegaan, komt de nadruk te liggen op de bevindingen en conclusies van het forensisch onderzoek. Zoals hierboven al weergegeven, komt uit dat onderzoek komt naar voren dat er meerdere scenarios mogelijk zijn die het overlijden van het slachtoffer kunnen verklaren, zonder dat met zekerheid kan worden vastgesteld welke daarvan de werkelijkheid het meest benadert. De rechtbank zal deze scenarios hieronder benoemen en verderop in het vonnis in het kader van de bewijsvragen nader bespreken.
Verdachte heeft verklaard dat het door hem op het slachtoffer toegepaste geweld slechts heeft bestaan uit twee of drie vuistslagen op het hoofd. Deze verklaring past echter niet bij de resultaten van het forensisch onderzoek. Uit dat onderzoek volgt immers dat er sprake was van uitgebreid letsel op meerdere plaatsen aan het hoofd tot aan de hals van het slachtoffer. Bovendien moet, gezien de aard van het letsel, in ieder geval een deel van de krachtsinwerkingen hevig zijn geweest. De conclusie kan dan ook niet anders zijn dan dat verdachte door te slaan of stompen veel en fors geweld heeft uitgeoefend op het hoofd en de hals van het slachtoffer. Of verdachte daarbij alleen zijn vuisten of mogelijk ook een voorwerp heeft gebruikt, kan niet met de vereiste zekerheid worden vastgesteld. Het forensisch onderzoek biedt daar wel enige aanknopingspunten voor, maar meer dan mogelijke aanwijzingen zijn dat niet. Ook uit het overige politieonderzoek komt dat onvoldoende duidelijk naar voren.
Tegelijk wordt in het forensisch onderzoek ook geconcludeerd dat het letsel dat door dit geweld is ontstaan, niet de oorzaak is geweest van het overlijden, zij het dat dit letsel wel kan hebben bijgedragen aan verstoring of verlies van het bewustzijn van het slachtoffer. Dat betekent dat de doodsoorzaak in andere gedragingen van verdachte moet worden gezocht.
Eén van de mogelijkheden is dat verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht door haar te verwurgen. Verdachte heeft dat consequent ontkend, maar uit het forensisch onderzoek zijn wel degelijk aanwijzingen voor verwurging naar voren gekomen. Meer concreet gaat het dan om de aangetroffen letsels aan de binnenkant en buitenkant van de kaak van het slachtoffer en de breuken aan beide kanten van haar tongbeen. De patholoog heeft echter niet met zekerheid kunnen vaststellen of deze letsels
inderdaad het gevolg zijn geweest van verwurging, en evenmin of dat dan de dood heeft veroorzaakt. De rechtbank kan op grond van deze bevindingen dan ook vaststellen noch uitsluiten dat het slachtoffer door verwurging om het leven is gekomen. Daarbij is van belang dat de letsels in de hals ook kunnen zijn veroorzaakt door het strak aansnoeren van de vuilniszak die verdachte om het hoofd van het slachtoffer heeft gebonden, zoals de verdediging heeft aangevoerd. Ook dit kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel uitsluiten.
Een andere mogelijkheid is dat het slachtoffer is overleden door verstikking als gevolg van een belemmering van haar ademhaling. Zon scenario past bij de bevindingen uit het forensisch onderzoek dat de longen en longblaasjes van het slachtoffer waren opgezet. De belemmering van de ademhaling kan dan weer het gevolg zijn geweest van de strak vastgebonden vuilniszak om haar hoofd, of van verdrinking. De rechtbank merkt ten aanzien van dat laatste overigens op dat de patholoog geen verdere aanwijzingen heeft aangetroffen voor verdrinking.
Uit het forensisch onderzoek aan het lichaam van het slachtoffer volgt verder dat zij op haar armen letsels had welke (deels) kunnen passen bij afweerletsels. Ook bij verdachte zijn op diens handen en armen letsels aangetroffen die kunnen passen bij een situatie waarin het slachtoffer zich tegen verdachte heeft verweerd.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat verdachte veel en fors geweld heeft uitgeoefend op het hoofd, aangezicht en de halsstreek van zijn vrouw, waartegen zij zich lijkt te hebben verzet. De exacte doodsoorzaak laat zich echter veel moeilijker vaststellen. Het slachtoffer is in ieder geval niet overleden aan het geweld dat verdachte op haar hoofd en aangezicht heeft uitgeoefend. De mogelijkheden die open blijven zijn dat verdachte het slachtoffer ook heeft verwurgd en dat zij daardoor is overleden dan wel dat zij nadien is verstikt door de plastic zak die verdachte om haar hoofd heeft gebonden. De mogelijkheid dat zij nog later is overleden, namelijk door verdrinking, kan evenmin worden uitgesloten, maar daarvoor zijn wel de minste aanwijzingen voorhanden. De rechtbank zal, zoals gezegd, hieronder in het kader van de bewijsvragen nog nader op deze scenarios ingaan.
Moord
In het licht van alle onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank niet geheel worden uitgesloten dat sprake is geweest van voorbedachte raad. In het tijdsverloop tussen de verschillende handelingen die verdachte heeft verricht, kunnen immers indicaties worden gevonden voor de stelling dat verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn handelen. Het procesdossier en de behandeling ter zitting bieden uiteindelijk echter te weinig aanknopingspunten om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat daadwerkelijk sprake is geweest van voorbedachte raad. De rechtbank komt daarmee met de officier van justitie en de raadsman tot het oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de impliciet primair tenlastegelegde moord.
Doodslag
1. Had verdachte vol opzet op de dood van het slachtoffer?
De rechtbank heeft eerder al opgemerkt dat uit de verklaringen van verdachte bij de politie en ter terechtzitting slechts in beperkte mate kan worden afgeleid wat er die avond en nacht precies is gebeurd. Verdachte heeft geen betrouwbaar inzicht gegeven (of kunnen geven) in zijn gedachtegang voor, tijdens en na de geweldshandelingen die hij heeft gepleegd. Of verdachte de uitdrukkelijke intentie had om zijn vrouw om het leven te brengen op het moment dat hij begon met het gebruiken van geweld, kan de rechtbank dus niet met voldoende zekerheid vaststellen.
2. Had verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer?
Van opzet is ook sprake als een verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat een bepaald gevolg, zoals in dit geval het overlijden van het slachtoffer, door dat handelen intreedt.
Zoals hierboven overwogen zijn er met betrekking tot het overlijden van het slachtoffer meerdere scenarios mogelijk die niet door de bewijsmiddelen worden uitgesloten.
Scenario 1
Het eerste scenario is dat verdachte het slachtoffer met zijn handen dodelijk heeft verwurgd tijdens of na afloop van het hevige geweld dat hij op haar hoofd heeft uitgeoefend. Bij een dergelijk handelen, dat naar zijn uiterlijke verschijningsvorm onmiskenbaar is gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, kan het niet anders dan dat verdachte (op zijn minst) de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer bewust heeft aanvaard.
Scenario 2
Het andere scenario dat niet door de bewijsmiddelen kan worden uitgesloten, is dat waarin het slachtoffer pas is overleden ná het moment dat verdachte een vuilniszak om haar hoofd heeft gedaan en vastgebonden, dan wel nog later, nadat verdachte haar in het kanaal had gegooid.
Verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij dacht dat het slachtoffer reeds was overleden op het moment dat hij de vuilniszak om haar hoofd bond. Door en namens verdachte is betoogd dat hij daarom verontschuldigbaar heeft gedwaald ten aanzien van de vraag of zijn vrouw op dat moment nog in leven was. In die situatie, zo heeft de verdediging betoogd, kan geen sprake (meer) zijn geweest van opzet bij verdachte op de dood van het slachtoffer, ook niet van de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat zij ten gevolge van die handelingen zou overlijden.
De rechtbank stelt (nogmaals) voorop dat niet meer met absolute zekerheid is vast te stellen wat er precies is gebeurd of wat de gedachtegang van verdachte is geweest. Zoals gezegd heeft verdachte daar slechts beperkt inzicht in kunnen geven, waar nog bij komt dat de verklaringen van verdachte zo wisselend en vaag zijn dat de betrouwbaarheid daarvan ernstig ter discussie staat.
Wat wel vast staat is dat de handelingen van verdachte waar het hier om gaat het stevig vastbinden van een vuilniszak om het hoofd van het slachtoffer en haar vastgebonden in het water gooien ook naar de uiterlijke verschijningsvorm zodanig levensbedreigend zijn, dat in beginsel moet worden aangenomen dat een verdachte door zo te handelen ofwel vol opzet heeft op de dood ofwel bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat een slachtoffer daardoor zal komen te overlijden.
In een dergelijk geval kan een beroep op dwaling niet snel slagen, omdat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden zal kunnen worden aangenomen dat een verdachte verontschuldigbaar mocht menen dat het slachtoffer reeds was overleden. In dit geval is van zon zeer uitzonderlijke situatie naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
De mate van geweld die verdachte op het slachtoffer heeft uitgeoefend voordat hij haar een vuilniszak om het hoofd bond, was fors, maar niet van die mate dat een redelijk denkend en handelend mens reeds daarom al zou mogen menen dat het slachtoffer was overleden, in ieder geval niet zonder zich er terdege van te vergewissen dat dit inderdaad het geval was. De enkele verklaring van verdachte dat het slachtoffer op dat moment niet meer praatte of bewoog en dat hij haar een paar keer heeft opgetild zonder dat ze reageerde, is daarvoor hoe dan ook onvoldoende. Zijn gestelde waarnemingen passen immers zonder meer ook bij bewustzijnsverlies, wat op zijn beurt weer een logisch gevolg kan zijn geweest, zo blijkt ook uit het forensisch onderzoek, van het geweld dat verdachte even daarvoor had gebruikt. De rechtbank stelt dan ook vast dat uit niets blijkt, niet uit de verklaringen van verdachte zelf en ook overigens niet uit het onderzoek, dat hij serieus heeft onderzocht of het slachtoffer mogelijk nog in leven was, alvorens de vuilniszak om haar hoofd te doen.
De rechtbank is daarmee van oordeel dat, als al zou moeten worden aangenomen dat verdachte niet besefte dat het slachtoffer nog in leven was, deze onwetendheid hoe dan ook niet verontschuldigbaar is geweest.
Ook de bij verdachte vastgestelde neurocognitieve stoornis staat niet in de weg aan het oordeel dat verdachte opzet heeft gehad op het doden van het slachtoffer. Immers, er is niet gebleken dat door deze stoornis bij verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbreekt.
Gelet op voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte, van welk scenario ook wordt uitgegaan, op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn vrouw ten gevolge van zijn handelen zou komen te overlijden en dat verdachte daarmee voorwaardelijk opzet heeft gehad op haar dood. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het impliciet subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij in de periode 24 augustus 2025 tot en met 25 augustus 2025 te Assen of Tynaarlo opzettelijk een ander, te weten, zijn levensgezel, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door meermalen tegen het hoofd en/of gezicht en/of bovenlichaam te slaan en/of te stompen en/of te verwurgen en/of te verstikken en/of te verdrinken.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
impliciet subsidiair doodslag.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu het beroep op verontschuldigbare dwaling, zoals hiervoor is overwogen, niet wordt gehonoreerd en ook overigens niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren, met aftrek van voorarrest. Bij haar eis heeft de officier van justitie meegewogen dat het feit aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van verdachte, alsmede met zijn hoge leeftijd. Een gevangenisstraf van aanzienlijke duur zou gelet op voorgaande neerkomen op een levenslange gevangenisstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportage van het Pieter Baan Centrum van 11 mei 2026 en het reclasseringsadvies van 19 mei 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft het slachtoffer, zijn vrouw, met wie hij ruim 50 jaar samen is geweest, om het leven gebracht. In de avond en nacht van 24 op 25 augustus 2025 heeft verdachte haar in haar eigen woning, in haar eigen bed, aangevallen. Hij heeft haar flink toegetakeld en haar mogelijk ook op dat moment al verwurgd. In ieder geval heeft verdachte vervolgens een vuilniszak om haar hoofd geknoopt, haar
onderbenen samengebonden en haar nog wat later in de nacht in het Noord Willemskanaal gegooid. Het gevecht dat ze blijkens de afweerletsels op haar lichaam en de letsels aan het lichaam van verdachte nog heeft geleverd, heeft haar niet kunnen redden.
De aanleiding van de ruzie zou volgens verdachte zijn geweest dat het slachtoffer hem seks weigerde, zoals ze al vele jaren deed. Maar uit het dossier blijkt ook dat het slachtoffer bij verdachte weg wilde en dat verdachte dat wilde voorkomen. Verdachte had daartoe eerder haar pinpas, huissleutel en identiteitskaart afgepakt. Het slachtoffer had de avond voor haar dood op haar laptop opnieuw gezocht naar een andere woning voor zichzelf.
Het is onduidelijk gebleven of de aanleiding voor de geweldsexplosie jegens het slachtoffer hierin was gelegen of dat de reden moet worden gezocht in het weigeren van seksueel contact aan verdachte. Voor beide geldt echter dat het slachtoffer niet deed wat verdachte, haar man, van haar wilde, en dat ze dat met de dood heeft moeten bekopen. Een zuivere vorm van femicide.
Door het doden van hun moeder en oma heeft verdachte onherstelbaar leed en intens verdriet veroorzaakt aan de nabestaanden. Dit is ook gebleken uit het ter zitting uitgeoefende spreekrecht. Dat leed is nog eens extra versterkt door de respectloze manier waarop verdachte met het lichaam van het slachtoffer is omgegaan. Hij heeft haar als een pakketje bijeengebonden en vervolgens, zoals hij dat zelf ter zitting omschreef, “gedumpt” in het kanaal. De woede en afgrijzen die deze woordkeus bij de nabestaanden opriep, is volstrekt invoelbaar.
Het doden van een ander mens schokt de samenleving. Het is een van de zwaarste delicten in het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht afgenomen. Het recht om te leven. In haar eigen huis, in haar eigen bed zelfs heeft verdachte de aanval op zijn vrouw ingezet. Bij haar echtgenoot, de persoon die haar hoorde te beschermen en bij wie zij het veiligst had moeten zijn, vond het slachtoffer haar dood. Deze omstandigheden vergroten de ernst van het delict dat door verdachte is gepleegd en wegen strafverzwarend mee.
Persoon van de verdachte
Verdachte is een 81-jarige man met een zeer uitgebreide justitiële documentatie. Voor zover gedocumenteerd, beslaat het strafblad zon 30 jaar. De laatste veroordeling was in 2015. Hoewel het strafblad zeer uitgebreid is, is verdachte niet eerder veroordeeld voor geweld tegen personen. De door hem gepleegde feiten betroffen veelal vermogensdelicten.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op de rapportage van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 11 mei 2026, onder anderen opgemaakt door M.E. Boon (psychiater) en M.L. Sikkens (GZ-psycholoog).
De conclusie van de rapportage luidt, zakelijk weergegeven, dat bij veroordeelde sprake is van een psychogeriatrische aandoening, te weten een uitgebreide vasculaire neurocognitieve stoornis.
Door met name deze stoornis kende het onderzoek door het PBC beperkingen. Zo heeft hierdoor, en door het gebrek aan informatie over de vroege ontwikkeling van verdachte, geen verder onderzoek kunnen plaatsvinden naar een eventuele persoonlijkheidsstoornis. Tijdens het onderzoek zijn daarvoor geen evidente aanwijzingen gevonden.
Evenmin is een eenduidig beeld ontstaan over problemen met de agressieregulatie. Verdachte heeft ontkend dat sprake zou zijn voor structureel huiselijk geweld en tijdens de opname in het PBC zijn geen
aanwijzingen gevonden voor een verstoorde agressieregulatie.
Over de premorbide intelligentie, voorafgaand aan de ernstige hersenschade, kan niets worden overwogen. Uit het onderzoek door het PBC volgen verder geen aanwijzingen voor psychotische problemen en evenmin voor stoornissen op seksueel gebied, zoals parafilie of hyperseksualiteit.
De onderzoekers hebben bij verdachte een beschadigd brein gezien, met afwijkingen passend bij een groot herseninfarct en meerdere kleine hersenbloedingen. Door de algehele afname van neurocognitief functioneren op verschillende domeinen was verdachte verminderd in staat om oplossingsgericht te denken, of de gevolgen van zijn gedrag te overzien. Door toenemende relatieproblemen werd hij steeds meer overvraagd en nam de spanning en frustratie bij verdachte toe. De deskundigen adviseren het ten laste gelegde aan verdachte in verminderde mate toe te rekenen.
De deskundigen van het PBC hebben geen inschatting kunnen geven van het recidiverisico. Gelet op de hersenschade zijn de instrumenten om het risico te kunnen meten niet geschikt, terwijl ook een klinisch oordeel over het risico op recidive moeilijk te vormen is. Van belang is ook dat verdachte door de hersenschade niet meer leerbaar is. Omdat het recidiverisico niet kan worden ingeschat en er geen interventie beschikbaar is om de vasculaire schade in het brein te verminderen, is een advies over een juridisch kader voor afdoening niet mogelijk. Er wordt enkel alertheid geadviseerd wanneer in een nieuwe relatie of bij andere contacten sprake is van spanningsopbouw.
De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het reclasseringsadvies van 19 mei 2026. De reclassering schrijft dat zij verwachten dat verdachte blijvend lichamelijke en geestelijke ondersteuning nodig zal hebben en steeds meer afhankelijk zal zijn van die zorg. De reclassering kan het risico op recidive niet inschatten en adviseert bij een veroordeling oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Toerekenbaarheid
De rechtbank neemt de gemotiveerde conclusies van de gedragsdeskundigen over. Ten tijde van het tenlastegelegde feit werd het (psychisch) functioneren van verdachte beïnvloed en beperkt door de bij hem aanwezige vasculaire neurocognitieve stoornis. Dit leidt tot het oordeel van de rechtbank dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate moet worden toegerekend.
Op te leggen straf
De ernst van het bewezen verklaarde en de hierboven al beschreven omstandigheden waaronder dit is begaan, maken dat naar het oordeel van de rechtbank dat enkel het opleggen van een langdurige gevangenisstraf een passende reactie kan zijn. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het hier gaat om zeer ernstig relationeel geweld, waarbij het motief er hoe dan ook in gelegen is geweest dat verdachte niet kon accepteren dat zijn vrouw het anders wilde dan hij voor ogen had. Zoals de rechtbank al eerder heeft overwogen is daarmee sprake geweest van femicide. Terecht is er in de samenleving steeds meer aandacht voor deze vorm van geweld. De noodzaak om een krachtig signaal af te geven aan zowel de maatschappij als aan andere potentiële daders, maakt dat de rechtbank het motief van verdachte als strafverzwarend zal meewegen.
In strafverminderende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat het ten laste gelegde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend. Daarnaast kan de rechtbank er niet omheen dat verdachte inmiddels op hoge leeftijd is. Hoewel een hoge leeftijd op zich geen strafverminderende omstandigheid is, speelt in dit geval ook mee dat verdachte zowel mentaal als fysiek in broze toestand verkeert, wat naar verwachting door zijn aandoening de komende jaren alleen maar verder zal verergeren. Daarmee kunnen vraagtekens worden geplaatst bij het nut van het opleggen van een nog langere vrijheidsstraf dan waartoe de rechtbank zal komen.
Alles tegen elkaar afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf van tien jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Benadeelde partijen
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [benadeelde 1] , tot een bedrag van 5.414,37 ter zake van materiële schade en
17.500,00 ter vergoeding van immateriële schade (affectieschade), vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [ [benadeelde 2] , tot een bedrag van 17.500,00 ter vergoeding van immateriële schade (affectieschade), vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [ [benadeelde 3] , tot een bedrag van 17.500,00 ter vergoeding van immateriële schade (affectieschade), vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen gelet op de bepleite vrijspraak afgewezen moeten worden dan wel niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade door [benadeelde 1]
Door de benadeelde partij wordt een bedrag van 5.414,37 ter vergoeding van materiële schade gevorderd, bestaande uit een bedrag van 3.425,37 aan uitvaartkosten en 1.989,00 ter vergoeding van kosten voor een gedenksteen.
Op grond van artikel 6:108, tweede lid, Burgerlijk Wetboek komen kosten voor de lijkbezorging voor vergoeding in aanmerking. De gevorderde materiële schade is door en namens de verdachte niet betwist
en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De schadeposten zijn met stukken onderbouwd en houden verband met de lijkbezorging. De rechtbank acht de gevorderde materiële schade toewijsbaar.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade door [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3]
Sinds 1 januari 2019 is het voor nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. In het Besluit vergoeding affectieschade is geregeld op welk bedrag personen die tot de kring van gerechtigden behoren, aanspraak kunnen maken.
De benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] hebben ieder een bedrag van
17.500,00 aan affectieschade gevorderd. De benadeelde partijen zijn kinderen van het overleden slachtoffer en moeten op grond van artikel 6:108, lid 4, onder d, BW als naasten worden aangemerkt die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. De gevorderde bedragen komen overeen met het schadebedrag dat de wetgever in het Besluit vergoeding affectieschade voor deze naaste heeft vastgesteld. De rechtbank acht de gevorderde affectieschade derhalve ook toewijsbaar.
De rechtbank wijst de vorderingen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] in zijn geheel toe. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte impliciet primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het impliciet subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Ten aanzien van benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [benadeelde 1] te betalen:
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 22.914,37 (zegge: tweeëntwintigduizend negenhonderdveertien euro en zevenendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 5.414,37 aan materiële schade en 17.500,00 aan affectieschade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 134 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [benadeelde 2] te betalen:
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 17.500,00 (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit affectieschade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 112 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van benadeelde partij [benadeelde 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [benadeelde 3] te betalen:
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 17.500,00 (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit affectieschade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 112 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Baluah, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. G. Veenstra, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Nijmeijer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juni 2026.
1. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt, tenzij anders vermeld, bedoeld een
ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpaginas betreft dit, tenzij anders vermeld, de paginas van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025229557 d.d. 23 december 2025 (onderzoek NN3R025087 / BUXES).
2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 augustus 2025, opgenomen op pagina 36.
3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 augustus 2025, opgenomen op pagina 27 e.v.
4 Relaas proces-verbaal forensisch onderzoek d.d. 8 december 2025, p. 154 e.v.
5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 mei 2026, aanvullend opgenomen.
6 Een deskundigenrapport afkomstig van Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en
Veiligheid, zaaknummer 2025.08.26.042 d.d. 28 november 2025, opgemaakt door drs. P.M.I. van Driessche, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, pagina 396 e.v.