ECLI:NL:RBNNE:2026:221

ECLI:NL:RBNNE:2026:221

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 30-01-2026
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer 18.271781.25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing, wederrechtelijke vrijheidsberoving en het bezit van een alarmpistool. Aan verdachte is een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren opgelegd. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zijn bijzondere voorwaarden verbonden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18.271781.25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

thans gedetineerd in de [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 januari 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H. Veltkamp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair

hij op of omstreeks 13 oktober 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van geld en/of een bankpas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2/medeverdachte] , in elk geval aan die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n)

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair

hij op of omstreeks 13 oktober 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om geld en/of een bankpas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, die [slachtoffer 1]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij op of omstreeks 13 oktober 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door

3

hij op of omstreeks 13 oktober 2025 te Leeuwarden een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarm- of startpistool, voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 primair, feit 2 en feit 3.

Met betrekking tot de feiten 1 primair en 2 heeft zij daartoe aangevoerd dat de gedetailleerde aangifte van [slachtoffer 1] wordt ondersteund door de verklaringen van getuige [getuige 1] en verdachte [getuige 4] , de beschrijving van de camerabeelden en de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 2] .

Daaruit valt af te leiden dat verdachte en zijn medeverdachten naar de woning zijn gegaan waar aangever verbleef om aangever te dwingen geld en een bankpas af te geven. Als verdachten in de woning komen, wordt aangever meteen meerdere keren door verdachte geslagen. Ook wordt door verdachte een vuurwapen op hem gericht. De medeverdachte [slachtoffer 2/medeverdachte] pakt vier telefoons van tafel. Vervolgens wordt aangever bij zijn polsen gepakt en gedwongen mee naar buiten te gaan. Verdachte geeft daarbij aan dat hij zal schieten als aangever vlucht. Als aangever probeert te vluchten, wordt hij door verdachte met het wapen op zijn hoofd geslagen. Ook gaat het wapen af. Eenmaal op de grond wordt aangever door verdachten getrapt. Aangever wurmt zich uit zijn kleding en vlucht in doodsangst. Dat aangever is vastgehouden wordt bevestigd door de camerabeelden en de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 2] . Gelet hierop kan naar het oordeel van de officier van justitie het medeplegen van een poging tot afpersing, het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsbeneming en het voorhanden hebben van een wapen wettig en overtuigend worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat zowel in de woning als op straat geen sprake is geweest van vrijheidsbeneming. Het zou kunnen zijn dat in de tussenliggende periode daarvan wel sprake is geweest, maar die periode is te kort geweest om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Met betrekking tot het dwingen ziet de raadsman op de stills van de camerabeelden niet dat aangever door een hand (bij zijn jas) wordt vastgehouden, zoals is beschreven op pagina 63 van het procesdossier. De getuigen [getuige 3] en [getuige 2] hebben dat evenmin verklaard.

Zo heeft de getuige [getuige 3] het over het bij de nek pakken en de getuige [getuige 2] heeft verklaard dat sprake was van een nekklem. Dat is iets anders dan de door verbalisant gegeven omschrijving. Daarbij komt dat het enkel vasthouden van een persoon geen vrijheidsbeneming oplevert. De verklaring van verdachte dat aangever vrijwillig mee naar buiten is gegaan, wordt ondersteund door de verklaring van de medeverdachte [slachtoffer 2/medeverdachte] . Verder heeft verdachte verklaard dat hij buiten het wapen heeft getrokken om aangever tegen te houden. Dat deel van zijn verklaring wordt bevestigd door de getuige [getuige 2] . Hij heeft verklaard dat op straat een vuurwapen werd getrokken. Met betrekking tot het geweld in de woning heeft de raadsman aangevoerd dat aangever heeft verklaard dat verdachte hem vier of vijf keer heeft geslagen en dat hij heeft gezien dat verdachte in de woning een wapen had.

Aangever heeft echter niet verklaard dat verdachte hem in de woning met dat wapen heeft geslagen. De getuige [getuige 4] heeft verklaard dat verdachte aangever tien tot vijftien keer met het wapen heeft geslagen, maar het geconstateerde letsel past niet bij die verklaring. Dat letsel, te weten een hoofdwond, is te wijten aan hetgeen buiten is gebeurd. Ook de verklaring van de getuige [getuige 1] met betrekking tot het toegepaste geweld in de woning is onduidelijk. Gelet op het voorgaande is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 te kunnen komen. Verdachte moet daarom ten aanzien van feit 1 en feit 2 worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3 kan gelet op de bekennende verklaring van verdachte een bewezenverklaring volgen.

Oordeel van de rechtbank

ten aanzien van de feiten 1 en 2

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte ter zitting van 16 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Op 13 oktober 2025 ben ik met [slachtoffer 2/medeverdachte] en [getuige 4] naar de woning gegaan waar [slachtoffer 1] verbleef. [slachtoffer 1] had geld van mij geleend. Ik had een alarmpistool bij mij. De bewoner van de woning heeft ons binnengelaten. In de woning heb ik [slachtoffer 1] bij zijn pols gepakt.

Buiten wilde [slachtoffer 1] wegrennen. Ik ben achter hem aangegaan. Ik heb het wapen gepakt en ik heb hem geslagen. Het kan zijn dat [slachtoffer 1] toen die wond kreeg. Ik herken mijzelf als man 1 op de kleine foto op pagina 62 van het procesdossier.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 13 oktober 2025, opgenomen op pagina 32 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025278089/2025278045, gesloten op 5 december 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Vandaag was ik in een woning aan de [adres] . Omstreeks 09:30 uur werd er bij de voordeur van de woning aangebeld. [getuige 1] deed de deur open en ik hoorde [verdachte] vragen of [bijnaam verdachte] er was. [bijnaam verdachte] is mijn bijnaam. Ik herkende [verdachte] aan zijn stem. Ik zat op dat moment in de woonkamer van deze woning. Ik zag dat er drie mannen binnen kwamen. Ik zag dat de drie mannen naar mij toe liepen.

Ik weet niet meer wat er gezegd werd. Ik kreeg vrijwel direct rake klappen van [verdachte] . Ik voelde dat hij mij 4 of 5 keer sloeg tegen mijn hoofd.

Ik zag dat [verdachte] een pistool in een van zijn handen beet had. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat ik mee moest lopen. [bijnaam slachtoffer 2/medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [slachtoffer 2/medeverdachte] ) en [verdachte] pakten mij bij mijn polsen. En wanneer ik mij los zou rukken of zou weg rennen hij mij neer zou schieten. Ik zag dat [verdachte] toen nog steeds het pistool beet had. Ik ben toen onder dwang door de voordeur van de woning naar buiten begeleid. Toen we voor de flat stonden hoorde ik [verdachte] zeggen tegen [bijnaam slachtoffer 2/medeverdachte] of die derde man zeggen dat ze de auto moesten halen. Ik werd op dat moment erg bang omdat ik onder dwang van een pistool, na mishandeld te zijn door drie mannen mee moest in een auto. Ik hoorde [verdachte] nog zeggen dat mijn laatste dag geslagen had. Ik gleed uit en ik zag dat [verdachte] het pistool op mijn bovenlichaam/hoofd richtte. Ik voelde en zag dat [verdachte] mij een harde klap met de kolf van het wapen op de bovenkant van mijn hoofd gaf.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2025, opgenomen op pagina 46 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op 13 oktober 2025 omstreeks 10.00 uur ben ik naar het adres [adres] gegaan. In de woning trof ik [getuige 1] van [geboortedatum] -1980. Ik vroeg wat er vanmorgen gebeurd was. Ik hoorde [getuige 1] vertellen: Ik was omstreeks 09.15 uur in mijn woning aan [adres] . Bij mij thuis sliep een kennis. Ik ken hem als [bijnaam verdachte] . Ik deed de deur open en zag 3 personen en deze drukten mij gelijk aan de kant en liepen naar de woonkamer. Ze liepen naar [bijnaam verdachte] en ze gaven hem een klap en ik hoorde ze iets zeggen van: "geld, geld”.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 oktober 2025, opgenomen op pagina 191 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 4] :

Toen we, ik dacht bij [adres] , aankwamen belde [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) aan. Hij liep gelijk door naar [bijnaam verdachte] en gaf hem direct een paar klappen met het vuurwapen.

[verdachte] pakte daarop [bijnaam verdachte] beet en zei tegen hem “mee komen en als je dat niet doet dan schiet ik je dood. Ik keek om en ik zag dat [bijnaam verdachte] op de grond lag. Ik zag dat [verdachte] met hem bezig was. Ik zag dat [verdachte] hem op de grond hield. Ik bleef erbij vandaan lopen want [verdachte] bleef maar met het vuurwapen zwaaien. Terwijl ik naar hun keek, hoorde ik een enorme knal. Het was echt een hele harde knal. Toen ik dat geluid hoorde dacht ik direct aan een knal van een vuurwapen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 13 oktober 2025., opgenomen op pagina 52 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3] :

Ik woon op [adres] . Ik zag dat er vier mannen via de trap naar beneden kwamen lopen. Ik zag dat een van deze mannen door een andere man in zijn nek vast werd gehouden. Ik zag dat de achterste man heel dicht op de man liep die hij vast hield. Het leek alsof de man door de achterste man naar voren werd geduwd. Ik hoorde een van de mannen zeggen: bek houden en doorlopen.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2025, opgenomen op pagina 60 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op 13 oktober 2025 vond er een incident plaats op de [adres] . Ik ontving de beelden van de cameras welke hangen aan en in de flat, gelegen aan de [adres] .

Ik zag dat ik camerabeelden had van de binnenzijde van de portiek. Ik zag dat ik de voordeur van de flat zag. Ik zag ook dat ik door de ramen heen nog een stuk van de straat, de [adres] kon zien. Ik zag rechts boven de datum 13 oktober 2025 staan. Tevens zag ik een tijdstip staan. In dit proces-verbaal beschrijf ik alleen de beelden die betrekking hebben op het incident.

09:58:11 Ik zie dat er vier mannen de portiekruimte komen inlopen. Ik zie dat dit de eerder genoemde 3 mannen zijn en nog een vierde man. Ik zie dat man 4 bij zijn jas ter hoogte van de kraag / capuchon vastgehouden wordt door man 1.

09:58:16 uur Ik zie dat de vier mannen het flatgebouw verlaten via de voordeur/portiekdeur. Ik zie dat de mannen in de richting van de zwarte geparkeerde auto lopen.

Bewijsoverwegingen

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

ten aanzien van feit 1

Uit bovenstaande bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank de conclusie worden getrokken dat verdachte op 13 oktober 2025, tezamen met medeverdachten [slachtoffer 2/medeverdachte] en [getuige 4] , naar de woning van getuige [getuige 1] is gereden. Aangever [slachtoffer 1] verbleef daar op dat moment. Volgens verdachte was aangever hem geld verschuldigd en verdachte wilde dat geld (terug)hebben. Verdachte, [slachtoffer 2/medeverdachte] en [getuige 4] zijn de woning van [getuige 1] binnengetreden en troffen daar aangever. Verdachte heeft in de woning een wapen getoond en aangever meerdere klappen gegeven. [getuige 1] heeft verklaard dat er geld, geld werd geroepen.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een poging tot afpersing. Het onder feit 1 primair ten laste gelegde kan daarmee wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander of anderen niet is komen vast te staan. De enkele omstandigheid dat verdachte tezamen met twee anderen de woning is binnengegaan is daartoe onvoldoende. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.

ten aanzien van feit 2

Met betrekking tot de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsbeneming overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft verklaard dat aangever vrijwillig mee naar buiten is gelopen en eenmaal buiten aangekomen is weggerend. Aangever heeft verklaard dat hij onder dwang naar buiten is begeleid door verdachte en dat hem daarbij was toegezegd dat wanneer hij zich los zou rukken of weg zou rennen, verdachte hem neer zou schieten. Uit de verklaring van aangever volgt eveneens dat verdachte op dat moment een vuurwapen in zijn hand had en dat verdachte hem buiten de flat met de kolf van het vuurwapen op zijn hoofd heeft geslagen.

De verklaring van aangever wordt op hoofdlijnen ondersteund door de verklaring van medeverdachte [getuige 4] . Daarnaast vindt de verklaring van aangever steun in de omschrijving van de camerabeelden in de portiek en de verklaring van getuige [getuige 3] . Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van aangever geloofwaardig.

Op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd. Dat de vrijheidsbeneming slechts een korte tijd heeft geduurd doet daar niet aan af (vgl. ECLI:NL:GHARL:2022:6246).

De rechtbank is voorts van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander of anderen niet is komen vast te staan. Uit de verklaring van aangever kan voor wat betreft de betrokkenheid van anderen bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving slechts worden afgeleid dat verdachte [verdachte] en medeverdachte [slachtoffer 2/medeverdachte] elk een pols van aangever hebben vastgepakt toen zij de woning uitliepen. Echter is op de camerabeelden van de portiek slechts te zien dat verdachte aangever vasthad. Medeverdachten [slachtoffer 2/medeverdachte] en [getuige 4] liepen op dat moment voor verdachte en aangever aan de trap af. Voor zover medeverdachte [slachtoffer 2/medeverdachte] aangever al heeft vastgepakt, moet dit dus een kwestie van seconden zijn geweest. Dat acht de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.

ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.

Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 januari 2026;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal met fotoblad d.d. 13 oktober 2025, opgenomen op pagina 71 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 13 oktober 2025, opgenomen op pagina 90 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 primair, feit 2 en feit 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 13 oktober 2025 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van geld, dat aan die [slachtoffer 1] toebehoorde

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij op 13 oktober 2025 te Leeuwarden opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door

3

hij op 13 oktober 2025 te Leeuwarden een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarm- of startpistool, voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

3. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, eventueel aan te vullen met een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportage van GGZ VNN Leeuwarden d.d. 31 december 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing, wederrechtelijke vrijheidsberoving en het bezit van een alarmpistool. Het slachtoffer had een schuld bij verdachte. Verdachte is de woning waar het slachtoffer verbleef binnengegaan met de intentie het geld af te dwingen. Verdachte heeft daarbij een (alarm)pistool getoond en het slachtoffer meerdere keren geslagen. Er werden bedreigingen geuit en het slachtoffer werd bij zijn polsen en nek vastgepakt. Het slachtoffer werd naar buiten gedwongen. Hij is op de grond terecht gekomen. Ook heeft verdachte het (alarm)pistool op zijn hoofd gericht. Er is een eind aan de vrijheidsberoving gekomen doordat het slachtoffer wist te vluchten. Een deel van de geweldshandelingen vond plaats op straat. Dergelijke feiten vergroten de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft ook in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De verslavingsreclassering heeft in haar rapport van 31 december 2025 geconcludeerd dat de leefgebieden van verdachte ogenschijnlijk stabiel lijken. Zij signaleert risicos op het gebied van het sociaal (gebruikers)netwerk van verdachte. Daarnaast is er sprake van psychische problematiek met trauma-gerelateerde klachten en met middelengebruik als copingstrategie. Het recidiverisico zal toenemen bij aanhoudend middelengebruik, blootstelling aan een drugsgerelateerd netwerk en het ontbreken van behandeling voor zijn PTSS- klachten. De reclassering adviseert bij een veroordeling oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, een alcohol- en drugsverbod en een contactverbod.

De rechtbank is, alles afwegend, van oordeel dat een forse onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten door een lichtere strafrechtelijke afdoening miskend zou worden. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden die de reclassering heeft geadviseerd. De rechtbank acht -in aanmerking nemend dat de rechtbank tot andere bewezenverklaring van de feiten komt dan de officier van justitie- een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 282 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:

[slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1971;

[slachtoffer 2/medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 1967; [getuige 4] , geboren op [geboortedatum] 2006.

Dit contactverbod duurt zolang de reclassering nodig acht en er kan van worden afgeweken ter beoordeling van de reclassering in geval van herstelbemiddeling.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. R.B. Maring, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 januari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.A.M. Veenbaas
  • mr. W.S. Sikkema
  • mr. R.B. Maring

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?