[naam] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. B. van Dijk),
en
Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut
(gemachtigden: mrs. R.D. Langezaal en R.L. Gritter).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om vergoeding van immateriële schade door mijnbouwactiviteiten. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe aan dat het besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen en de uitkomst geen recht doet aan haar situatie. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Instituut de aanvraag van eiseres op zorgvuldige en juiste wijze heeft beoordeeld. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.
Feiten en totstandkoming van het besluit
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor vergoeding van immateriële schade door mijnbouwactiviteiten. Daarbij heeft eiseres de volgende gegevens aangevuld:
“de NCG (of een andere instantie) heeft vastgesteld dat versterkingsmaatregelen nodig/ waren. Daarvoor moet/moest ik ook tijdelijk verhuizen.”.
Overige automatisch ingevulde gegevens zijn niet door eiseres gewijzigd of aangevuld. Eiseres heeft de vragenlijst, de Persoonlijke Impact Analyse (PIA) niet ingevuld.
Het Instituut heeft de aanvraag van eiseres met het besluit van 22 april 2025 afgewezen. Er waren niet voldoende feiten en omstandigheden waardoor aangenomen kon worden dat eiseres recht had op een vergoeding voor immateriële schade.
Eiseres heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt en om een hoorzitting gevraagd teneinde haar persoonlijke situatie toe te lichten. In het bezwaarschrift geeft eiseres aan dat er, anders dan uit de gegevens van de aanvraag blijkt, wél schade aan de woning is hersteld. Ook moest zij tijdelijk in een andere woning verblijven in verband met onderhouds- werkzaamheden en lichamelijke klachten. Daarop is er op 3 juni 2025 telefonisch contact geweest tussen een medewerker van het Instituut en eiseres over de mogelijkheid van het houden van een hoorzitting. In de telefoonnotitie van dit gesprek staat: ‘wisselwoning is niet aardbeving gerelateerd. Tijdelijke huisvesting komt door diagnose. Ziet af van hoorzitting.’
Met het bestreden besluit van 10 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De door eiseres aangevoerde schademelding is in het besluit weliswaar alsnog meegenomen in de beoordeling, maar dit heeft niet geleid tot een andere uitkomst. Een hoorzitting is achterwege gebleven. Het Instituut schrijft in zijn besluit: ‘U heeft op 3 juni 2025 aangegeven dat u een hoorzitting niet nodig vindt.’
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigden van het Instituut. Tijdens de zitting bracht eiseres mondeling nieuwe informatie in. De rechtbank heeft in overleg met partijen het onderzoek voor de duur van zes weken aangehouden om eiseres de mogelijkheid te bieden om deze mondelinge informatie met stukken te onderbouwen. Afgesproken is dat het onderzoek wordt gesloten indien de termijn ongebruikt zou verlopen. Er zijn door eiseres geen aanvullende stukken overgelegd.
De rechtbank heeft het onderzoek op 18 mei 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is er in geschil?
3. In geschil is of het bestreden besluit op zorgvuldige wijze is genomen. Meer in het bijzonder is in geschil of de hoorplicht door verweerder is geschonden en of het bestreden besluit op juiste en volledige gegevens is gebaseerd.
Wat is het toetsingskader?
4. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Het Instituut heeft, gelet op het grote aantal aanvragen, een methode ontwikkeld waarbij de persoonsaantasting niet door de aanvrager hoeft te worden aangetoond, maar het Instituut dit op basis van objectieve gegevens en een vragenlijst vaststelt en een forfaitair bedrag toekent als een persoonsaantasting kan worden aangenomen.
Een aanvraag voor vergoeding van immateriële schade wordt door het Instituut getoetst aan vier bouwstenen, te weten (1) de locatie, (2) de veiligheid van de woning, (3) de omvang van de fysieke schade en (4) de duur van de schadeafhandeling. Deze bouwstenen worden vervolgens onderverdeeld in situaties waaraan punten (ook wel ‘aanwijzingen’) zijn verbonden op een schaal van nul tot en met vier - van geen tot zeer sterke aanwijzing voor een persoonsaantasting (bij de bouwsteen locatie is het maximaal aantal punten twee). Hoe meer punten, hoe hoger de forfaitaire vergoeding. Er kan geen vergoeding, € 1.500,-,
€ 3.000,- of maximaal € 5.000,- per persoon worden toegekend. Naast deze bouwstenen kan een aanvrager ervoor kiezen de Persoonlijke Impact Analyse (PIA) in te vullen. Dit is een vragenlijst om de persoonlijke ervaring en beleving van aardbevingen mee te kunnen wegen. Profiel 1 = tot licht ervaren leed; profiel 2 = enigszins ernstig ervaren leed;
profiel 3 = ernstig ervaren leed; profiel 4 = bijzonder ernstig ervaren leed. In sommige gevallen kan de uitkomst van de PIA het toe te kennen bedrag aan schadevergoeding naar boven corrigeren, met dien verstande dat het bedrag maximaal € 5.000,- blijft. Dat laat zich als volgt in een tabel vertalen.
Het Instituut kan de aanvraag, anders dan door middel van de standaardregeling, aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval beoordelen. Dit wordt ‘maatwerk’ genoemd. In dat geval rust op de aanvrager de stelplicht en de bewijslast van die individuele feiten en omstandigheden. Hieruit moet blijken dat eiser “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”, en dat die omstandigheden moeten leiden tot het toekennen van een hogere vergoeding dan op grond van de gestandaardiseerde methode het geval zou zijn. Onder aantasting in de persoon “op andere wijze” valt in ieder geval geestelijk letsel (psychische schade).
Op 8 september 2025 heeft het Instituut aangekondigd dat bij de beoordeling van een aanvraag voor vergoeding van immateriële schade woningeigenaren en niet-woningeigenaren vanaf heden hetzelfde worden behandeld. Dit betekent dat het
Instituut voor elke aanvrager de omvang van de fysieke schade (bouwsteen 3) volledig
meeneemt (voor 100%). Daarnaast weegt het Instituut de doorlooptijd van de schadeafhandelingsprocedures (bouwsteen 4) volledig mee.
Standpunten van partijen
Wat zijn de standpunten van eiseres?
5. Eiseres stelt dat haar aanvraag niet op juiste wijze is beoordeeld. Zij voert daartoe aan dat de gegevens waarop het besluit is gebaseerd niet volledig waren. Eiseres brengt daarnaast naar voren dat zij de Persoonlijke Impact Analyse (PIA) niet heeft ingevuld, maar dit wel had willen doen. Eiseres stelt er niet op te zijn gewezen of eraan te zijn herinnerd om de PIA alsnog in te vullen, terwijl de PIA voor een extra aanwijzing in de regeling kan zorgen. Het Instituut heeft zich er bovendien onvoldoende van vergewist dat de gegevens in de aanvraag volledig waren. In bezwaar bleek namelijk dat een schademelding die had moeten worden meegeteld, niet in de voor-ingevulde aanvraag geregistreerd stond. Ter zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat een familielid die later dan zij in dezelfde woning ingeschreven stond, de maximale vergoeding van € 5000,- voor immateriële schade heeft ontvangen. Volgens eiseres houdt dit mogelijk verband met een fysieke schade in die woning. Deze schade is kennelijk bij het familielid wel, en bij eiseres niet meegenomen in de beoordeling voor de vergoeding van immateriële schade. Nu het Instituut onvolledige gegevens heeft gebruikt bij het voorinvullen van de aanvraag, kan niet worden uitgesloten dat er méér gegevens ontbreken, zoals meldingen van fysieke schade. Het ligt volgens eiseres op de weg van het Instituut om dit aan te tonen.
Eiseres voert verder aan dat zij ten onrechte niet is gehoord. Zij wilde een toelichting geven op haar bezwaar in een hoorzitting. Een medewerker (planner) zou echter tijdens een telefonisch contact hebben aangegeven dat haar toelichting in dat gesprek tot een positief besluit zou leiden en dat een hoorzitting daarom niet nodig was. Een hoorzitting zou volgens eiseres tot een andere uitkomst kunnen leiden, omdat zij had kunnen wijzen op ontbrekende cruciale informatie, zoals de tijdelijke huisvesting elders gedurende het groot onderhoud aan de woning op een voormalig adres.
Wat zijn de standpunten van het Instituut?
Het Instituut brengt naar voren dat eiseres zelf verantwoordelijk is voor het controleren van de vooringevulde gegevens. Eiseres heeft het aanvraagproces doorlopen en daarbij geen wijziging aangebracht bij bouwsteen 3, de omvang van de schade. Bovendien wijst het Instituut erop dat niet het primaire besluit ter discussie staat, maar het besluit op bezwaar. In het besluit op bezwaar is de schademelding wel betrokken. De schadevergoeding daarvoor bedroeg € 9.232,26. Omdat eiseres huurder is, werd ten tijde van het bestreden besluit dit bedrag voor 50% meegenomen in de beoordeling en telde de doorlooptijd van de schadeafhandeling niet mee. Dit resulteerde in de beslissing op bezwaar in totaal 1 punt. Dat is onvoldoende om een persoonsaantasting te kunnen aannemen. Het Instituut merkt overigens op dat het toepassen van de beleidswijziging van 8 september 2025 ook niet tot een ander resultaat zou leiden. Eiseres zou dan één extra aanwijzing toegekend krijgen bij bouwsteen 3. Het totaal van twee aanwijzingen die daaruit voortvloeien, is ook onvoldoende om een persoonsaantasting aan te nemen en een vergoeding toe te kennen.
Het Instituut stelt zich tevens op het standpunt dat er geen aanwijzingen zijn om af te wijken van de standaardregeling. Voor zover eiseres heeft bedoeld dat zij tijdelijk in een wisselwoning moest verblijven vanwege onderhoudswerkzaamheden op haar eigen adres, kan dit gegeven niet worden meegenomen in de beoordeling. Het onderhoud houdt namelijk geen verband met mijnbouw activiteiten.
Met betrekking tot de gestelde schending van de hoorplicht stelt het Instituut zich op het standpunt dat uit de telefoonnotitie van het contact met de medewerker van de planning niet blijkt dat deze medewerker een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de uitkomst van het bezwaar. Ook blijkt uit de notitie niet dat hij zou hebben gezegd dat een hoorzitting achterwege kan blijven. Wel staat er vermeld dat eiseres afziet van een hoorzitting.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het Instituut de aanvraag voor vergoeding van immateriële schade van eiseres op juiste wijze heeft beoordeeld en dus de aanvraag terecht heeft afgewezen. Ook heeft het Instituut naar het oordeel van de rechtbank de hoorplicht niet geschonden. Dat wordt hierna uitgelegd.
De rechtbank volgt het Instituut dat het de verantwoordelijkheid van een aanvrager is om de vooraf ingevulde gegevens te controleren en eventueel aan te vullen. Uit de stukken blijkt dat aanvragers daar tijdens het aanvraagproces op gewezen worden. Het gegeven dat eiseres bij het doen van de aanvraag de informatie bij bouwsteen 2 heeft aangepast, maakt aannemelijk dat eiseres zich daar ook bewust van was. De rechtbank kan eiseres dan ook niet volgen dat het aan het Instituut is om aan te tonen dat er niet méér fysieke schade is die meegewogen zou moeten worden dan in het bestreden besluit is opgenomen. Van een dergelijke negatieve bewijslast kan geen sprake zijn. Als eiseres stelt dat er wel meer schade is dan is meegenomen in de beoordeling, dan is het aan haar om dit te onderbouwen. Nu eiseres geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat er méér schade is, ook niet nadat zij daar na de zitting extra tijd voor heeft gekregen, is niet aannemelijk geworden dat het Instituut van onjuiste of onvolledige gegevens bij bouwsteen 3 is uitgegaan. De rechtbank volgt ook het standpunt van het Instituut, dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van andere omstandigheden waar bij de beoordeling rekening mee had moeten worden gehouden. Daarnaast zou het alsnog invullen van de PIA niet tot een andere uitkomst leiden, en is het Instituut er niet aan gehouden om deze opnieuw aan te bieden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank overweegt verder dat het Instituut in beginsel, voordat op het bezwaar wordt beslist, eiseres in de gelegenheid moet stellen om te worden gehoord. Het Instituut kan daar echter vanaf zien als eiseres heeft verklaard daar geen gebruik van te willen maken. Uit de telefoonnotitie die de planner van het gesprek met eiseres maakte, blijkt dat eiseres heeft afgezien van haar recht te worden gehoord. Eiseres stelt weliswaar dat het gesprek anders is verlopen dan in de notitie is weergegeven, maar zij heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank vindt het dan ook aannemelijk dat eiseres heeft verklaard af te zien van een hoorzitting. Dit betekent dat het Instituut de hoorplicht niet heeft geschonden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R. Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L. Brandes-Boers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.