RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.173726.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 29 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] , wonende te [adres ] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door A.H. Veltkamp.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 5 juni 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een houten balk, althans met een hard en/of stevig voorwerp, (met kracht) op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 juni 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten (ondermeer) een schedelbreuk) heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een houten balk, althans met een hard en/of stevig voorwerp, (met kracht) op het hoofd te slaan;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 juni 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een houten balk, althans met een hard en/of stevig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 5 juni 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland op of aan de openbare weg [adres ] , aldaar, in elk geval openlijk, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het meermalen, duwen tegen en/of trekken aan die [slachtoffer] en/of (met de
handen/vuisten en/of met een riem van een tasje) slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen van die [slachtoffer] .
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. primair en 1. subsidiair ten laste gelegde. Voor wat betreft de poging tot doodslag heeft hij aangevoerd dat op basis van
de camerabeelden die zich bij de stukken bevinden en het geconstateerde letsel van aangever niet vastgesteld kan worden dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van aangever.
Voor wat betreft het onder 2. ten laste gelegde heeft de raadsman zich met betrekking tot een bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Feit 1.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Ik was op 5 juni 2025 in Drachten. Ik herkende [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] naar mij toe liep en mij begon te slaan met zijn vuisten. Ik zag dat meerdere jongens en mannen mij sloegen en schopten. Toen ik weer was opgestaan en de groep uiteen ging, zag ik dat [verdachte] een lange houten balk in zijn handen hield. Ik zag dat hij de balk naar achteren haalde zodat de balk tegen zijn rug aankwam. Ik zag dat [verdachte] de balk naar voren zwing. Ik zag dat de balk richting mijn hoofd ging en mij raakte op mijn hoofd.
Mijn letsel is een grote snede op mijn hoofd. Ik heb een scheur in mijn schedel en er is een klein beetje bloed te zien op de scans van mijn hoofd.
3. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van 5 juni 2025, gericht aan de huisarts
drs. [huisarts] , opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van mevrouw [arts-assistent] , arts-assistent Spoedeisende hulp:
Op de afdeling spoedeisende hulp zagen wij op 5 juni 2025 [slachtoffer] .
Conclusie: Trauma capitis met barstwond frontopariëtaal links wv 8 hechtingen, fractuur os pariëtale links tot os frontale links met geringe verplaatsing van ossaal fragmentje (<1 mm) naar intracranieel en dun aanliggend subduraal hematoom met een doorsnede van 3 mm.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 5 juni 2025, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
De beelden van het incident heb ik bekeken. Op de beelden zag ik dat het de aangever door een groep mannen achterna werd gezeten. Ik zag dat ter hoogte van de snackbar [snackbar] de aangever belaagd werd door de groep mannen. Dit bij de parkeerplekken die tussen [adres ] gelegen zijn.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 10 juni 2025, opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Nadat de verdachte zich bij de schermutseling vandaan beweegt loopt deze naar de stapel met houten balken. Vervolgens pakt de verdachte een houten balk en slaat
daarmee richting het hoofd van de aangever. De houten balken betreffen delen van een kozijn.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 24 juni 2025, opgenomen op pagina 160 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van
[verdachte] :
Ik heb geslagen en ik heb hem geschopt. Drie keer met mijn voet. Ik heb hem geraakt op zijn been. Toen ik hem sloeg had ik een tasje om, deze heb ik gebruikt. Ik gebruikte de riem van de tas. Ik heb hem nog één keer geprobeerd te slaan. Dat was toen hij aan het vechten was met mijn vader en zwager. Ik zag dat ze elkaar aan het duwen waren. Die man en mijn vader.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 23 juni 2025, opgenomen op pagina 181 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van
[naam 1] :
Er is trekken en duwen tussen ons ontstaan.
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 25 juli 2025, opgenomen op pagina 235 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van
[naam 2] :
Het is correct dat ik die man heb geschopt of getrapt.
Bewijsoverweging
De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen niet bewezen dat verdachte vol opzet heeft gehad om aangever [slachtoffer] van het leven te beroven.
Voor de vraag of verdachte wel opzet in voorwaardelijke zin heeft gehad op de dood van aangever [slachtoffer] is relevant of verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever [slachtoffer] ten gevolge van zijn handelen kon overlijden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.
Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat een verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zon kans is niet alleen vereist dat hij wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het behoudens contra-indicaties niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Op grond van de voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte eenmaal, door middel van een zwaaiende beweging van achteren naar voren, met een houten balk (een stuk kozijn) op het hoofd van aangever [slachtoffer] heeft geslagen. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat de houten balk een stuk kozijn betrof dat afkomstig was van de stapel die ter plaatse tussen de parkeerplaatsen lag. Gelet op de bij aangever vastgestelde schedelbreuk en bloeduitstorting in de schedel stelt de rechtbank voorts vast dat verdachte met kracht heeft geslagen.
Naar algemene ervaringsregels bestaat een aanmerkelijke kans dat bij iemand onder deze omstandigheden, door een harde slag met een houten balk van behoorlijke lengte tegen het hoofd, het meest kwetsbare deel van het lichaam, te geven, aangever zou komen te overlijden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op de aard en uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging, de aanmerkelijke kans dat door zijn klap dodelijk letsel bij aangever [slachtoffer] zou kunnen ontstaan, bewust heeft aanvaard, zodat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en acht de onder 1. primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen. Dit geldt ook voor de onder 2. ten laste gelegde openlijke geweldpleging.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. primair
hij op 5 juni 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] eenmaal, met een houten balk, met kracht op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
hij op 5 juni 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland op de openbare weg [adres ] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten
[slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het duwen tegen en trekken aan die [slachtoffer] en met de handen/vuisten en met een riem van een tasje slaan en/of stompen en schoppen van die [slachtoffer] .
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een contactverbod ex artikel 38v Sr wordt opgelegd met dadelijke uitvoerbaarheid en voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, een vervangende hechtenis voor de duur van één week.
Standpunt van de verdediging
Met het oog op de bepleite vrijspraak van het onder 1. primair en 1. subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en een taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 28 augustus 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door met kracht met een houten balk op het hoofd van het slachtoffer te slaan waardoor het slachtoffer onder meer een schedelbreuk heeft opgelopen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld jegens hetzelfde slachtoffer. Verdachte was boos op het slachtoffer omdat het slachtoffer geld van hem zou hebben geleend dat hij niet terug had gekregen. Hij heeft aangever opgewacht bij een supermarkt en is- nadat de supermarkteigenaar hem had gevraagd te vertrekken- in de buurt gebleven een heeft de confrontatie met aangever (steeds opnieuw) opgezocht. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de onderbouwing van het schadevergoedingsverzoek
blijkt dat het slachtoffer door het hoofdletsel nog altijd diverse lichamelijke klachten ervaart en hij is constant moe en overprikkeld. Naast het fysieke letsel ervaart het slachtoffer nog veel stress door wat hem is overkomen.
Verder blijkt dat de drie kinderen van het slachtoffer die getuige waren van het geweld in de richting van hun vader, onder specialistische behandeling zijn gesteld omdat er klachten zijn ontstaan/verergerd door wat zij hebben gezien. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat zijn gedragingen tot dit alles hebben geleid.
Uit het uittreksel justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Door de reclassering is een rapport opgemaakt over de persoon van verdachte. Er kan op basis van de beschikbare informatie onvoldoende een relatie worden gelegd tussen verdachte en de ten laste gelegde feiten. De relatie met het slachtoffer wordt gezien als een risicofactor. Verdachte heeft mogelijk gehandeld uit emotie naar aanleiding van beledigende opmerkingen door het slachtoffer over zijn familie. Omdat er geen andere situaties bekend zijn waarin verdachte zijn zelfbeheersing heeft verloren, lijkt het er op dat zijn gedrag situationeel bepaald is geweest.
Er zijn een aantal beschermende factoren in het leven van verdachte zoals het hebben van huisvesting, een inkomen en een gezin. Zorgen op andere leefgebieden zijn er niet. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag.
Geadviseerd wordt om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met een contactverbod met het slachtoffer.
Gelet op de ernst van met name de poging tot doodslag is de rechtbank van oordeel dat deze zaak niet anders kan worden afgedaan dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een poging tot doodslag behoort tot de ernstigste geweldsdelicten. Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft de rechtbank de eis van de officier van justitie als uitgangspunt genomen.
De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met een aantal omstandigheden waaronder verdachte de feiten heeft gepleegd. Zo heeft verdachte op meerdere momenten kunnen besluiten om zich terug te trekken, maar heeft hij dat niet gedaan. Daarentegen heeft hij eerst anderen betrokken bij zijn persoonlijke vete jegens het slachtoffer door samen met hen geweld te plegen, maar dit geweld was blijkbaar nog niet genoeg voor verdachte. Hij heeft vervolgens het slachtoffer met fors geweld onder meer een schedelbreuk toegebracht. Het handelen van verdachte kan worden getypeerd als een vorm van eigenrichting in de vorm van een wraakactie. Strafverzwarend is verder dat het handelen van verdachte plaatsvond op de openbare weg en dat daardoor veel mensen hiervan getuige zijn geweest. Onder de getuigen bevonden zich de kinderen van het slachtoffer. Tot slot heeft verdachte ter terechtzitting geen blijk gegeven volledige verantwoordelijkheid te nemen voor wat hij het slachtoffer heeft aangedaan. Hij heeft weliswaar spijt betuigd maar heeft vervolgens wel verklaard dat het nog altijd de schuld van het slachtoffer is. Daardoor plaatst de rechtbank vraagtekens bij verdachtes inzicht in het kwalijke van zijn gedrag en vraagt zich af wat verdachtes voornemen om niet opnieuw geweld te gebruiken waard is.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend en geboden is en dat zij geen redenen ziet om hiervan af te wijken. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden opleggen, met aftrek van de duur van het voorarrest. Daarnaast zal de rechtbank een maatregel zoals bedoeld in artikel 38v Sr opleggen, inhoudende dat verdachte gedurende twee jaren geen direct of indirect contact mag hebben met het slachtoffer.
Gelet op de proceshouding van verdachte, waarbij hij de verantwoordelijkheid voor het gepleegde geweld nog steeds (deels) bij het slachtoffer legt en het onderliggende (financiële) geschil tussen beiden nog niet lijkt te zijn beslecht, is de maatregel noodzakelijk om herhalingsgevaar voor nieuwe strafbare (gewelds)feiten af te wenden. Om deze maatregel kracht bij te zetten zal de rechtbank bepalen dat iedere keer dat verdachte de maatregel overtreedt, een vervangende hechtenis van een week heeft te gelden, tot een maximum van zes maanden. De rechtbank zal niet bepalen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is nu er geen aanwijzingen zijn dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 404,83 ter vergoeding van materiële schade en 5.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing vatbaar is, met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gevorderde materiële schade. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman afwijzing bepleit. Omdat het nog onbekend is wat de totale schade is, zou een toe te wijzen bedrag slechts een voorschot zijn. Daar komt bij dat het bestaan van eigen schuld van de benadeelde partij behoort tot de bewijslast van verdachte. In het strafproces heeft hij hiertoe niet de middelen. De beoordeling hiervan behoort bij de civiele rechter plaats te vinden.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. primair bewezen verklaarde. Dit geldt ook voor de gevorderde immateriële schade, waarvan de hoogte eveneens niet is betwist. De rechtbank is van oordeel dat het hier niet gaat om een voorschot, maar om een begroting van de schade zoals die thans is vastgesteld. Dit is gebruikelijk en maakt niet dat de vordering niet binnen het strafproces kan worden beoordeeld.
Dat voor bewijslevering van eigen schuld van de benadeelde partij geen ruimte is in het strafproces, zoals is gesteld door de verdediging, schuift de rechtbank terzijde nu niet dan wel onvoldoende is gesteld dat er sprake is van eigen schuld bij de benadeelde partij, noch is dat op enige wijze is onderbouwd.
De vordering, waarvan de hoogte niet door en namens verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 juni 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38v, 38w, 45, 57, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
De maatregel dat de veroordeelde voor de duur van drie jaren op geen enkele wijze -direct of indirect-contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1982, wonende te [adres ] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Ten aanzien van feit 1. primair
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 5.404,83 (zegge: vijfduizendvierhonderdvier euro en drieëntachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 404,83 aan materiële schade en 5.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 52 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.T. Kooistra, voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en mr. H.K. de Haan, rechters, bijgestaan door mr. L.T.A. Fokkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 januari 2026.
Mr. De Haan is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.