RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1603
(gemachtigde: mr. K. Wevers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Wolden, het college
(gemachtigde: mr. C. Slingerland).
Deze uitspraak gaat over de omvang van de huishoudelijke hulp en wasverzorging die het college op grond van de Wmo 2015 aan eiseres heeft verstrekt. Eiseres vindt dat zij recht heeft op meer huishoudelijke ondersteuning en wasverzorging dan het college heeft verstrekt. Verder vindt eiseres dat het college het HHM Normenkader 2019 niet op de juiste wijze heeft toegepast. Daarnaast vindt eiseres dat er geen wettelijke grondslag is voor de aftrek van 2 uur op de omvang van de huishoudelijke hulp vanwege de Wlz-indicatie van haar zoon. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd wat de wettelijke grondslag is voor de aftrek van 2 uur op de omvang van de huishoudelijke hulp vanwege de Wlz-indicatie van de zoon. Het college wordt in de gelegenheid gesteld het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Inleiding en procesverloop
1. De rechtbank gaat bij beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiseres, geboren in 1968, is bekend met verschillende lichamelijke en psychische klachten en ondervindt hierdoor beperkingen bij het verrichten van huishoudelijke taken. Zij woont samen met haar echtgenoot en jongste zoon in een eengezinswoning. De woning heeft op de eerste verdieping een slaapkamer voor eiseres en haar echtgenoot, een slaapkamer voor hun jongste zoon, een hobbykamer en een badkamer. Op de tweede verdieping is een zolder vol met spullen.
De jongste zoon van eiseres is onder meer bekend met lichamelijke klachten en sociale angstklachten. Hij heeft sinds 16 september 2021 een Wlz-indicatie voor onbepaalde tijd voor GGZ-wonen: Wonen met intensieve begeleiding in de vorm van een pgb. De oudste zoon van eiseres woont met ondersteuning zelfstandig. De echtgenoot is mantelzorger voor eiseres en heeft door zijn psychische overbelasting moeite met het uitvoeren van de lichte huishoudelijke taken en de wasverzorging.
Eiseres heeft al jarenlang hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015), laatstelijk voor vijf uur per week. De huishoudelijke hulp wordt gedaan door [naam hulpverlener] .
Eiseres heeft op 30 januari 2024 een spoedmelding bij het college gedaan voor een aanvullende maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Daarbij is vermeld dat eiseres vanwege haar lichamelijke achteruitgang meer huishoudelijke hulp nodig heeft. Op
9 februari 2024 heeft een gesprek met eiseres plaatsgevonden. Hiervan is op 1 maart 2024 een aangepast gespreksverslag opgemaakt.
Met een besluit van 25 maart 2024 heeft het college de indicatie huishoudelijke hulp voor 5 uur per week tijdelijk administratief verlengd tot en met 7 juli 2024. Dit is gedaan vanwege het opvragen van een medisch advies.
Het college heeft met het besluit van 21 juni 2024 de indicatie huishoudelijke hulp administratief verlengd tot en met 6 oktober 2024 in afwachting van het medisch advies. De verzekeringsarts van Argonaut heeft eiseres tijdens het huisbezoek op 27 mei 2024 onderzocht, dossieronderzoek gedaan en kennis genomen van de medische informatie. Op 12 augustus 2024 ontvangt het college het advies van Argonaut. Uit het advies volgt dat eiseres ernstig beperkt is bij lichamelijk zwaar belastende huishoudelijke taken en huishoudelijke taken waarin in belastende houdingen gewerkt moet worden. Eiseres wordt wel belastbaar geacht voor het gedoseerd uitvoeren van lichamelijk licht belastende werkzaamheden over de dag en week. Op 12 september 2024 is een huisbezoek afgelegd bij eiseres en haar echtgenoot.
Naar aanleiding van een aanvraag van 19 september 2024 om verlenging van de indicatie heeft het college met het besluit van 9 oktober 2024 aan eiseres voor de gewenningsperiode van 7 oktober 2024 tot en met 5 januari 2025 huishoudelijke hulp voor
5 uur per week toegekend. Daarna wordt de indicatie afgebouwd en krijgt eiseres 3 uur en 35 minuten per week huishoudelijke hulp geleverd door [naam hulpverlener] voor de periode van
6 januari 2025 tot en met 5 oktober 2025. Hieraan is het onderzoeksverslag Wmo ten grondslag gelegd.
Met het besluit van 13 december 2024 heeft het college de indicatie huishoudelijke hulp voor 5 uur per week administratief verlengd tot uiterlijk 27 april 2025.
Eiseres heeft tegen de besluiten van 9 oktober 2024 en 13 december 2024 bezwaar gemaakt. Op 27 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de commissie en op 24 maart 2025 heeft de commissie advies uitgebracht aan het college.
Onder overname van het advies van de commissie, heeft het college met het besluit van 31 maart 2025 (het bestreden besluit), onder aanvulling van de motivering, de bezwaren tegen de besluiten van 9 oktober 2024 en 13 december 2024 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat uit het medisch advies van Argonaut blijkt dat vanwege de medische beperkingen van eiseres en haar echtgenoot ondersteuning nodig is voor stofzuigen en dweilen, stoffen hoog en laag, schoonmaken van de keuken en sanitair, het zemen van de ramen, het verschonen van de was en het doen van de was. De afbouwperioden zijn:
- 5 uur per week thuishulp tot uiterlijk 27 april 2025,
- 3 uur en 35 minuten per week thuishulp voor de periode 28 april 2025 tot en met 5 oktober 2025. Uit coulance is de 5 uur per week administratief doorgezet tot uiterlijk 27 april 2025 in afwachting van het advies van de bezwarencommissie.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Op 27 november 2025 heeft eiseres foto’s van de woning en twee medische adviezen van Argonaut van 6 oktober 2025 ingediend. Op
1 december 2025 heeft eiseres de gronden van het beroep nader aangevuld.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben digitaal via een beeldverbinding deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam Wmo-consulente] , senior Wmo-consulente.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiseres heeft aangevoerd dat het college ten onrechte 2 uur heeft afgetrokken van de aan haar toegekende uren voor de huishoudelijke hulp vanwege de Wlz-indicatie van haar zoon. Het bestreden besluit is in strijd met het motiveringsbeginsel. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat er geen wettelijke grondslag is voor de aftrek van 2 uur op de omvang van de huishoudelijke hulp.
3. Het college heeft op de zitting gesteld en toegelicht dat de wettelijke grondslag voor de aftrek van 2 uur op de omvang van de huishoudelijke hulp volgt uit artikel 3.1.1 van de Wlz. Daarbij heeft het college erop gewezen dat in de Wlz-indicatie van de zoon van eiseres ook een indicatie voor huishoudelijke hulp zit en dat het gaat om het schoonhouden van de ruimtes.
4. De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aftrek van 2 uur op de omvang van de huishoudelijke hulp op grond van artikel 3.1.1 van de Wlz mogelijk is. In dit artikel zijn de vormen van zorg opgenomen die tot het verzekerde pakket behoren, waaronder het schoonhouden van de woonruimte van de verzekerde (in dit geval de zoon van eiseres). Uit de tekst van deze bepaling kan niet worden afgeleid, anders dan waar het college van uitgaat, dat de aftrek van 2 uur op de omvang van de huishoudelijke hulp vanwege de Wlz-indicatie van de zoon van eiseres toegestaan is. Dat het college op de zitting heeft aangegeven dat het volgens een juriste van [naam organisatie] mogelijk is om van de indicatie voor thuishulp die de zoon krijgt 2 uur af te trekken van de aan eiseres verstrekte indicatie voor huishoudelijke hulp, is daartoe niet voldoende. Het is van belang om te weten of artikel 3.1.1 van de Wlz de juiste wettelijke grondslag is voor de aftrek van 2 uur. Het is aan het college om nader te motiveren of de aftrek van 2 uur wel kan worden gebaseerd op artikel 3.1.1 van de Wlz. Dat heeft het college niet – ook niet met de op de zitting gegeven uitleg – voldoende gedaan. Dit levert een gebrek in de besluitvorming op. Reeds gelet hierop acht de rechtbank het niet zinvol om de andere beroepsgronden te bespreken. Het college dient eerst in de gelegenheid te worden gesteld om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, zoals hieronder onder conclusie en gevolgen is aangegeven.
Conclusie en gevolgen
5. Gelet op wat onder 4 is overwogen is niet duidelijk of het bestreden besluit berust op een juiste wettelijke grondslag, voor zover het college 2 uur van de thuishulp van de zoon in mindering heeft gebracht op de omvang van de aan eiseres toegekende huishoudelijke hulp. Er is daarmee sprake van een motiveringsgebrek in de besluitvorming.
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zij zal het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres daarna in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
Gelet op de aard van het vastgestelde gebrek, zullen de overige beroepsgronden pas in de einduitspraak worden besproken.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik gaat maken van de gelegenheid om het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen, met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.
Een afschrift van deze tussenuitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.