ECLI:NL:RBNNE:2026:260

ECLI:NL:RBNNE:2026:260

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 29-01-2026
Datum publicatie 03-02-2026
Zaaknummer 25/645
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Als bezwaar aangemerkte suppletieaangifte omzetbelasting is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Vergoeding griffierecht vanwege procedurele onduidelijkheden.

Uitspraak

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Zwolle, de inspecteur

gemachtigde: [naam 1] .

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2024.

Eiser heeft met dagtekening 1 februari 2024 een suppletieaangifte omzetbelasting ingediend over 2019 en daarin € 9.362 aan omzetbelasting teruggevraagd.

De inspecteur heeft de onder 1.1. vermelde suppletieaangifte als bezwaar aangemerkt en dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Eiser heeft voor de zitting nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 2] .

Feiten

2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiser heeft in 2019 kwartaalaangiften voor de omzetbelasting gedaan.

Eiser heeft op 1 februari 2024 de in 1.1. genoemde (negatieve) suppletieaangifte omzetbelasting ingediend.

In zijn e-mail van 13 november 2024 heeft de inspecteur aan eiser het volgende geschreven:

Suppletie omzetbelasting 2019

U heeft op 1 februari 2024 een suppletie ingediend over het jaar 2019. Dit is niet binnen de wettelijke termijn gebeurd van 8 weken na betaling van de belasting over dat tijdvak.

Dit betekent dat u niet ontvankelijk bent in het verzoek om teruggaaf. Uw kunt dan geen beroep tegen deze beslissing instellen bij de Rechtbank anders dan tegen de nietontvankelijkheid.

Bij e-mail van 2 december 2024 heeft de inspecteur aan eiser onder meer geschreven:

Zoals ik ook al in mijn email van 13 november jl. heb aangegeven kom ik niet tegemoet aan uw verzoek om teruggaaf. U ontvangt hiervoor nog een aparte brief en een beschikking. In de beschikking staat ook vermeld hoe u eventueel bezwaar tegen mijn beslissing kunt maken.

Bij de motivering van de afwijzing van het verzoek om teruggaaf omzetbelasting van 3 december 2024 heeft de inspecteur het volgende geschreven:

Een verzoek om teruggaaf is op tijd als het binnen 1 maand na afloop van het aangiftetijdvak is ingediend. Omdat dit niet het geval is, is het verzoek te laat ingediend. daarom verklaar ik uw verzoek niet-ontvankelijk.

(…)

U kunt alleen bezwaar maken tegen mijn beslissing om uw verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. Wacht daarmee tot u de beschikking hebt gekregen.

(…)

Beslissing: u krijgt geen teruggaaf

Ik verklaar uw verzoek niet-ontvankelijk en kom ambtshalve niet aan uw verzoek tegemoet. U krijgt daarom géén teruggaaf.

Bent u het niet eens met deze beslissing?

Omdat ik uw verzoek niet-ontvankelijk verklaar, kunt u geen bezwaar maken tegen mijn beslissing op uw verzoek om btw-teruggaaf. Ook niet als u de beschikking hebt gekregen. Deze krijgt u binnenkort. U kunt alleen bezwaar maken tegen mijn beslissing om uw verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. Wacht daarmee tot u de beschikking hebt gekregen.

Bij e-mail van 4 december 2024 heeft de inspecteur aan eiser onder meer geschreven:

In onderstaande e-mail van 2 december jl heb ik per ongeluk vermeld: “In de beschikking staat ook vermeld hoe u eventueel bezwaar tegen mijn beslissing kunt maken.” Dat moet zijn:“In de beschikking staat ook vermeld hoe u eventueel beroep tegen mijn beslissing kunt maken.

De door u ingediende suppletie over het jaar 2019 is aan te merken als een bezwaar tegen de ingediende aangiften omzetbelasting over het jaar 2019. Mijn beslissing is dus een uitspraak op het bezwaar. Tegen deze beslissing kunt u niet nogmaals in bezwaar komen, maar eventueel wel in beroep gaan.

Excuses voor de ontstane verwarring.

Met dagtekening 20 december 2024 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij heeft de inspecteur geschreven:

U heeft bij de Belastingdienst een bezwaarschrift ingediend tegen het bedrag dat u heeft betaald op basis van uw aangifte(n) over 1 januari 2019 t/m 31 december 2019.

U heeft het bezwaarschrift niet binnen de gestelde termijn ingediend. U bent hierdoor nietontvankelijk in het bezwaar. Dit houdt in dat u geen beroep kunt aantekenen tegen de inhoudelijke beslissing maar wanneer u meent dat het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, kunt u nog in beroep gaan tegen de niet-ontvankelijk verklaring. De inspecteur komt niet aan het bezwaar tegemoet. Het bezwaar is ongegrond. Voor de motivering verwijs ik naar mijn brief van 3 december 2024.

Als u het niet eens bent met de uitspraak op het bezwaarschrift, kunt u ertegen in beroep gaan bij de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de juistheid van de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2024. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser, die van mening is dat hij recht heeft op een teruggaaf van omzetbelasting over het jaar 2019.

4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de suppletieaangifte als bezwaar mocht aanmerken en dit bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

5. De rechtbank overweegt dat de inspecteur de onder 1.1. vermelde suppletieaangifte heeft gekwalificeerd als een bezwaarschrift tegen de eerdere voldoening op aangifte van de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. De inspecteur heeft dit ter zitting bevestigd. Eiser heeft tegen deze kwalificering geen gronden aangevoerd. De inspecteur heeft ter zitting eveneens bevestigd dat zijn uitspraak op het bezwaar inhoudt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is.

6. De rechtbank overweegt verder dat volgens artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift (de bezwaartermijn) zes weken bedraagt. Volgens artikel 22j, aanhef en onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), voor zover hier van belang, vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die van de voldoening op aangifte.

7. Volgens artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Volgens artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift de nietontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

8. Volgens artikel 19, eerste lid, van de AWR, voor zover hier van belang, is de belastingplichtige in gevallen waarin de belastingwet voldoening van in een tijdvak verschuldigd geworden belasting op aangifte voorschrijft, gehouden de belasting binnen één maand na het einde van dat tijdvak overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen. De termijn voor de voldoening op aangifte eindigt in dit geval daarom uiterlijk sop 31 januari 2020. Niet in geschil is dat eiser de omzetbelasting die hij volgens de aangifte over het vierde kwartaal van 2019 is verschuldigd, tijdig op aangifte heeft voldaan. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is daarom uiterlijk geëindigd op 13 maart 2020. Evenmin in geschil is dat de als bezwaar aangemerkte suppletieaangifte op 1 februari 2024 door de inspecteur is ontvangen. Het bezwaarschrift is dus gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Awb niet tijdig ingediend.

9. De rechtbank overweegt ten slotte dat niet is gebleken dat zich omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding geconcludeerd kan worden.

10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de gronden van eiser.

12. De inspecteur moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.

De rechtbank constateert dat de inspecteur ten aanzien van de door eiser ingediende suppletieaangifte achtereenvolgens heeft geconstateerd en gecommuniceerd dat

-het suppletieverzoek niet binnen de wettelijke termijn van 8 weken is gedaan en daarom niet-ontvankelijk wordt verklaard (2.1.)

-de inspecteur niet tegemoet kan komen aan de suppletieaangifte en eiser daar een aparte brief en beschikking over krijgt (2.2.)

-een verzoek om teruggaaf op tijd is als het binnen een maand na afloop van het aangiftetijdvak is ingediend en dat daarom het verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard; eiser moet wachten op een beschikking om bezwaar te kunnen maken;

eiser geen bezwaar kan maken tegen de beslissing van de inspecteur, ook niet als eiser een beschikking krijgt (2.3.)

-eiser beroep kan maken tegen de beslissing van de inspecteur (2.4.)

-eiser niet-ontvankelijk is in zijn bezwaar; het bezwaar ongegrond is (2.5.).

De rechtbank is van oordeel dat bovenstaande constateringen en mededelingen van de inspecteur dermate (intern) tegenstrijdig en in strijd met de regels van formeel belastingrecht zijn dat eiser alleen al daarom genoodzaakt was om in beroep te komen. Een vergoeding van het griffierecht is daarom, naar het oordeel van de rechtbank, op zijn plaats.

13. De door eiser gevraagde proceskosten zien op de door hem bestede tijd aan de procedure. Deze kosten komen volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht niet in aanmerking voor vergoeding. Eiser heeft ter zitting verklaard geen vergoeding voor reiskosten te vragen. De rechtbank komt daarom niet toe aan een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af;

- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J. Haanstra, griffier.

Uitgesproken op 29 januari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M. Sanna

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026021206
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?