[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: [naam 1] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/MKB/Kantoor Groningen, de inspecteur
(gemachtigde: mr. [naam 6] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 augustus 2024.
De inspecteur heeft aan eiseres voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 386.382 (de navorderingsaanslag).
Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur aan eiseres € 27.196 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [aandeelhouder 2] namens eiseres, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Namens de inspecteur is zijn gemachtigde verschenen, bijgestaan door mr. [naam 5] en [naam 2] .
Feiten
2. Eiseres (destijds geheten [A Financiële Diensten] B.V.) is op 29 maart 2001 opgericht en is een adviesbureau op het gebied van hypotheken, verzekeringen en vermogensbeheer.
Vijftig procent van de aandelen van eiseres zijn vanaf 4 november 2005 in eigendom geweest van [B Group] B.V. De broers [namen broers] (broers) waren destijds via de besloten vennootschap [C Holding] B.V. de (middelijk) aandeelhouders van [B Group] B.V. De overige aandelen werden gehouden door [aandeelhouder 1] (25%) en [aandeelhouder 2] (25%). Sinds 15 november 2008 is [aandeelhouder 2] bestuurder van eiseres.
Vennootschappen die beheerst worden door de broers hebben meerdere keren geld verstrekt aan eiseres. Van deze geldverstrekkingen zijn geen schriftelijke leningsovereenkomsten opgemaakt. Er is geen rentepercentage of aflossingsschema overeengekomen. Er zijn ook geen zekerheden bedongen. In de boekhouding van eiseres is opgenomen dat deze geldverstrekkingen afkomstig zijn van [C Holding] B.V.
In de jaarrekening van eiseres over het jaar 2014 is onder de post ‘langlopende schulden aan participanten en maatschappijen waarin wordt deelgenomen’ onder meer een “Lening o/g [C Holding] BV” van € 110.000 opgenomen. Daarnaast is onder de post kortlopende schulden “RC [C Holding] BV” opgenomen ter grootte van € 293.769. Over beide schulden wordt in de toelichting vermeld dat deze schulden worden betwist.
In de aangiften Vpb tot en met het jaar 2015 waren de onder 2.3. genoemde geldverstrekkingen opgenomen als respectievelijk langlopende en kortlopende schuld.
Volgens de aangifte Vpb 2015 bedraagt het eigen vermogen per 31 december 2015 € 448.928 negatief.
Het bestuur van eiseres is op enig moment in conflict geraakt met de broers. Op 28 maart 2017 heeft de advocaat van de heren [aandeelhouder 2] en [aandeelhouder 1] mailcontact gehad met de advocaat van de zijde van de broers. Voor zover van belang is in de mail het volgende opgenomen:
“In een faillissement hebben beide partijen niets. Ik besprak met beide heren dat een uiterste poging moet worden gewaagd om te kijken of een oplossing mogelijk is. Cliënten zijn bereid om de wederzijdse verbindingen te verbreken op de hierna volgende condities:
1. De aandelen die worden gehouden door uw cliënte worden overgenomen door cliënten dan wel ingekocht door [verkorte weergave naam eiseres] de rechtbank begrijpt eiseres] voor een bedrag van € 75.000,-.
2. De koopsom wordt betaald met € 39.000,- in contanten en € 36.000,- te betalen in 2 jaar in gelijke termijnen van € 1.500,- per maand.
3. Partijen verlenen elkaar overigens algehele en finale kwijting voor alle verplichtingen uit welke hoofde dan ook.”
Op 29 maart 2017 is door de advocaat van de zijde van de broers gereageerd op de mail van 28 maart 2017 (2.6.). Voor zover van belang is in de mail het volgende opgenomen:
“Cliënten gaan akkoord met het geoffreerde bedrag van € 75.000.
Cliënten wensen uitvoering te geven aan de aandelenoverdracht op de onderstaande wijze, namelijk:
Een verkoop van aandelen tegen een bedrag van € 2,00, te weten € 1,00 per pakket van 10 aandelen aan uw cliënten [aandeelhouder 2] en [aandeelhouder 1]
Kwijtschelding: [verkorte weergave naam eiseres] [de rechtbank begrijpt eiseres] heeft een schuld aan [C Holding] , zijnde een lening en rekening courant verhouding
o Deze schuld zal worden afgewaardeerd tot een bedrag van € 75.000
o Ten aanzien van dit bedrag dient een som van € 51.000 tegelijkertijd met de aandelen overdracht te worden voldaan
o De resterende € 24.000 dient in 12 opeenvolgende maandelijkse termijn van € 2.000, startend ingaande 01 mei 2017 te worden voldaan.
Er is geen rente verschuldigd. Wel is het (restant) van de hoofdsom terstond en in eens opeisbaar indien enige termijn te laat zou worden betaald.
Het punt omtrent finale kwijting is akkoord.”
Op 11 april 2017 hebben eiseres, [B Group] B.V., [C Holding] B.V., [aandeelhouder 2] en [aandeelhouder 1] een vaststellingsovereenkomst gesloten. In deze vaststellingsovereenkomst is voor zover van belang het volgende opgenomen:
“Komen het volgende overeen:
De 20 aandelen van [verkorte weergave naam B Group] [de rechtbank begrijpt [B Group] B.V.] worden tegen een bedrag van € 2,00 verkocht, te weten € 1,00 per pakket van 10 aandelen, aan
o [aandeelhouder 2]
o [aandeelhouder 1] .
De aandelen worden geachte met terugwerkende kracht per 01 januari 2017 te zijn verkocht.
[verkorte weergave naam eiseres] [de rechtbank begrijpt eiseres] heeft schulden aan [verkorte weergave naam C Holding] uit een rekening courant verhouding en een overeenkomst van geldlening.
Deze schulden worden afgewaardeerd tot een bedrag van € 75.000,00
Ten aanzien van dit bedrag dient een som van € 51.000,00 bij het leveren van de aandelen direct te worden voldaan aan [naam 4] .
Het restant, zijnde een bedrag van € 24.000,00 dient in 12 opeenvolgende maandelijkse termijnen van € 2.000,00, startend per 01 mei 2017, te worden voldaan aan [verkorte weergave naam C Holding] .
(…)
Nadat de aandelen zijn verkocht / gekocht en het eerste deel van de betalingsregeling is voldaan, zullen partijen jegens elkaar finaal gekweten zijn, behalve inzake de verplichting van [verkorte weergave naam eiseres] [de rechtbank begrijpt eiseres] om aan het tweede deel van de betalingsverplichting te voldoen en het daarover hiervoor gestelde.”
Bij akte van levering van 11 april 2017 heeft [B Group] B.V. met terugwerkende kracht naar 1 januari 2017 aan de heren [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2] ieder tien aandelen in eiseres geleverd. Hierdoor kwamen alle aandelen in eiseres in bezit van de heren [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2] (beide voor de helft). In de akte van levering wordt naar de in 2.8. opgenomen vaststellingsovereenkomst verwezen.
Eiseres heeft bij het indienen van de aangifte Vpb 2016 de onder 2.3. genoemde geldverstrekkingen niet meer als lening (vreemd vermogen) verantwoord, maar deze toegevoegd aan het eigen vermogen. Het aangegeven eigen vermogen van eiseres op 1 januari 2016 is € 45.145 negatief.
Vanwege het niet aansluiten van het eindvermogen van 2015 en het beginvermogen van 2016 (2.5. en 2.10.) heeft de inspecteur met datum 7 augustus 2019 een verzoek om informatie over de aangifte Vpb 2016 aan eiseres gestuurd.
Omdat eiseres niet op de brief van 7 augustus 2019 heeft gereageerd, heeft de inspecteur met datum 17 september 2019 nogmaals verzocht om informatie. Ook op deze brief heeft eiseres niet gereageerd.
Bij brief met datum 30 oktober 2019 heeft de inspecteur een voornemen tot afwijking van de aangifte Vpb 2016 gestuurd.
De inspecteur is bij het vaststellen van de definitieve aanslag Vpb 2016 op 21 december 2019 van de door eiseres ingediende aangifte afgeweken. De inspecteur is ervan uitgegaan dat het verschil tussen het eindvermogen van 2015 en het beginvermogen van 2016 verklaard wordt doordat er sprake is geweest van (meer) winst en heeft het bedrag aan belastbare winst daarom € 403.783 hoger vastgesteld dan door eiseres aangegeven.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres tegen de definitieve aanslag Vpb 2016 ontvangen op 10 januari 2020. In het bezwaar heeft eiseres de stelling ingenomen dat de vermogenssprong van € 403.783 een informele kapitaalstorting betreft. Bij het bezwaar zijn geen stukken ter toelichting overgelegd.
Bij brief van 3 februari 2020 heeft de inspecteur de ontvangst van het bezwaar tegen de definitieve aanslag Vpb 2016 bevestigd. Op 13 maart 2020 heeft de inspecteur in het kader van de bezwaarprocedure tegen de aanslag Vpb 2016 verzocht om verdere informatie.
De inspecteur heeft de definitieve aanslag Vpb 2017 op 21 maart 2020 in overeenstemming met de door eiseres ingediende aangifte vastgesteld op een belastbare winst € 57.599. Het belastbaar bedrag is door de inspecteur eveneens vastgesteld op € 57.599.
Per mail met datum 9 september 2020 bevestigt de gemachtigde van eiseres dat de vermogenssprong verband houdt met de geldverstrekkingen door [C Holding] B.V. Bij de mail zijn geen stukken ter toelichting overgelegd.
Na verschillende correspondentie is het bezwaar van eiseres tegen de definitieve aanslag Vpb 2016 door de inspecteur met datum 29 april 2022 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar over de definitieve aanslag Vpb 2016. Bij het indienen van de gronden van het beroep met datum 23 augustus 2022 heeft eiseres de mails van de advocaten overgelegd (2.6. en 2.7.). Omdat uit de mails van de advocaten volgde dat pas in 2017 de vrijval van de geldverstrekkingen heeft plaatsgevonden, is tijdens de zitting van het beroep over de aanslag Vpb 2016 geconstateerd dat de vrijval ten onrechte in 2016 in aanmerking was genomen. De inspecteur heeft daarom toegezegd de aanslag Vpb 2016 inclusief de verliesverrekeningsbeschikking vast te stellen conform de door eiseres ingediende aangifte Vpb 2016. Eiseres heeft onder deze toezegging van de inspecteur het beroep tegen de aanslag Vpb 2016 ingetrokken.
Bij bericht van 19 oktober 2023 heeft de rechtbank de intrekking van het beroep tegen de definitieve aanslag Vpb 2016 bevestigd. In het bericht is voor zover van belang het volgende opgenomen:
“De door u gemaakte afspraken bestaan eruit dat eiseres het beroep met het hiervoor genoemde zaaknummer heeft ingetrokken, onder de toezegging van verweerder dat:
- de aanslag vennootschapsbelasting 2016 inclusief de verliesverrekeningsbeschikking wordt vastgesteld conform de door eiseres ingediende aangifte;
(…)
Ik bevestig hierbij de intrekking van het beroep. Dit betekent dat de beroepsprocedure is beëindigd.”
Naar aanleiding van de (uitkomst van de) beroepsprocedure over de definitieve aanslag Vpb 2016 heeft de inspecteur de in 1.1. genoemde navorderingsaanslag over 2017 opgelegd en de in 1.2 genoemde belastingrentebeschikking genomen. De inspecteur heeft hierbij de belastbare winst en het belastbaar bedrag € 328.783 hoger vastgesteld dan in de definitieve aanslag. Dit bedrag bestaat uit het saldo van het totaal van de aan eiseres verstrekte gelden (€ 403.783) waarop de op grond van de vaststellingsovereenkomst nog resterende schuld van € 75.000 in mindering is gebracht (zie 2.14. en 2.8.).
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres tegen de navorderingsaanslag 2017 bij uitspraak op bezwaar met datum 27 augustus 2024 ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft met datum 31 augustus 2024 de navorderingsaanslag 2017 ambtshalve verminderd. De belastbare winst is vastgesteld op € 386.382. Hierop is een resterend verlies uit 2008 verrekend van € 57.599, waardoor het belastbaar bedrag is vastgesteld op € 328.783. De belastingrentebeschikking is dienovereenkomstig verminderd.
Met datum 28 december 2024 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag 2017 verder ambtshalve verminderd. De belastbare winst is opnieuw vastgesteld op € 386.382, waarop nu verliezen uit eerdere jaren zijn verrekend van in totaal € 282.419, waardoor het belastbaar bedrag is vastgesteld op € 103.963. De belastingrentebeschikking is dienovereenkomstig verminderd.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt in deze beroepsprocedure of de inspecteur de navorderingsaanslag terecht naar een belastbaar bedrag van (uiteindelijk) € 103.963 heeft vastgesteld.
Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of de inspecteur kan navorderen op grond van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de inspecteur het prijsgeven van een deel van de geldverstrekkingen door de schuldeiser terecht bij eiseres heeft belast. Ook beoordeelt de rechtbank of de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.
Na de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur tot tweemaal toe (op31 augustus 2024 en op 28 december 2024, zie 2.24. en 2.25.) een verliesverrekeningsbeschikking (nader) vastgesteld en de navorderingsaanslag en belastingrentebeschikking (verder) verminderd. Gelet hierop is het beroep van eiseres hoe dan ook gegrond. Alhoewel dus sprake is van een gegrond beroep, is de rechtbank wel van oordeel dat de inspecteur bevoegd was om de navorderingsaanslag Vpb op te leggen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van onzakelijke leningen. De kwijtschelding daarvan leidt tot belastbare winst, waarop vervolgens de kwijtscheldingswinstvrijstelling van toepassing is. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Vooraf
4. De inspecteur heeft behandelverslagen van de bezwaarschriften tegen de definitieve aanslagen Vpb 2016 en 2017 overgelegd. In deze verslagen zijn verschillende passages zwart gelakt. De inspecteur heeft geen beroep gedaan op geheimhouding of beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank constateert dan ook dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken volledig heeft ingezonden, terwijl hij hiertoe wel verplicht was. De inspecteur heeft dus niet aan zijn verplichting zoals neergelegd in artikel 8:42 van de Awb voldaan. De rechtbank kan daaruit in beginsel de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen. De rechtbank overweegt in dat kader dat slechts korte passages zijn zwart gelakt en dat uit de context is op te maken dat het wel moet gaan om namen van medewerkers van de Belastingdienst. Eiseres heeft niet gesteld dat deze namen van belang zijn of zouden kunnen zijn voor de beslechting van één van de geschilpunten. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de inspecteur niet aan zijn verplichting heeft voldaan om alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden.
Beschikt de inspecteur over een nieuw feit?
Standpunten partijen
5. Eiseres stelt dat geen sprake is van een nieuw feit, zodat de inspecteur niet bevoegd was om de navorderingsaanslag op te leggen. Eiseres wijst er hierbij op dat de inspecteur op het moment van vaststellen van de aanslag Vpb 2017 al over concrete aanwijzingen beschikte die aanleiding gaven voor een verder onderzoek. Daarnaast stelt eiseres dat de leveringsakte van de aandelen (2.9.) inclusief de vaststellingsovereenkomst (2.8.) openbaar zijn, omdat deze zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel. Deze informatie was de inspecteur bekend of de inspecteur had hier bekend mee kunnen zijn. Ook wijst eiseres erop dat de akte van levering van de aandelen bij het bezwaardossier van de Belastingdienst over de aanslag Vpb 2016 is gevoegd, zodat de inspecteur hiervan kennis had kunnen nemen bij het opleggen van de aanslag Vpb 2017. Eiseres heeft verder betwist dat er sprake was van kwade trouw.
De inspecteur betoogt dat hij wel over een nieuw feit beschikt en dus bevoegd was om de navorderingsaanslag op te leggen. Er was volgens de inspecteur geen aanleiding om de aangifte Vpb 2017 verder te onderzoeken. De balansdiscontinuïteit speelde alleen in het jaar 2016. Pas in de loop van de beroepsfase over het jaar 2016 werd duidelijk dat de in dat kader verkregen informatie ook relevant was voor het jaar 2017. Daarnaast stelt de inspecteur dat hij pas na het opleggen van de aanslag Vpb 2017 de beschikking heeft gekregen over het mailverkeer (2.6. en 2.7.), de vaststellingsovereenkomst (2.8.) en de akte van levering (2.9.). Als dit standpunt niet slaagt, heeft de inspecteur gesteld dat sprake is van kwade trouw bij eiseres.
Beoordeling door de rechtbank
6. Als een feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren. Hieruit volgt dat de rechtbank moet beoordelen welke feiten de inspecteur bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden moeten zijn op het moment van het vaststellen van de definitieve aanslag Vpb 2017. De definitieve aanslag Vpb 2017 is vastgesteld op 21 maart 2020 (2.17.). De rechtbank gaat voor de beoordeling of sprake is van een nieuw feit daarom uit van deze datum.
De stelling van eiseres dat de inspecteur niet over een nieuw feit beschikt, omdat hij op het moment van het vaststellen van de aanslag beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over de akte van levering en de vaststellingsovereenkomst, volgt de rechtbank niet. Uit de feiten (2.11. tot en met 2.18.) volgt dat de inspecteur in het kader van de aanslagregeling en de bezwaarprocedure tegen de aanslag Vpb 2016 verschillende keren om informatie heeft gevraagd. Eiseres heeft hierop niet geantwoord. Op 9 september 2020 heeft eiseres voor het eerst op vragen van de inspecteur gereageerd (2.18.). Bij deze reactie zijn geen stukken gevoegd. Gelet op deze gang van zaken overweegt de rechtbank dat het aannemelijk is dat de inspecteur op het moment van vaststellen van de definitieve aanslag Vpb 2017 nog niet daadwerkelijk de beschikking had over de akte van levering van aandelen en de vaststellingsovereenkomst. In het dossier is verder ook geen enkel aanknopingspunt te vinden voor de veronderstelling dat de inspecteur op of vóór 21 maart 2020 al de beschikking had over de akte van levering inclusief de vaststellingsovereenkomst. Eiseres heeft nog gewezen op een overzicht van de stukken van de bezwaarprocedure over de aanslag Vpb 2016. Volgens eiseres volgt uit dit overzicht dat de inspecteur tussen 16 en 21 oktober 2020 de beschikking heeft gekregen over de akte van levering van aandelen. Zelfs als de rechtbank eiseres in deze stelling zou volgen, dan nog zou dit haar niet helpen, omdat de aanslag Vpb 2017 op dat moment al was vastgesteld.
Over de stelling van eiseres dat de inspecteur verder onderzoek had moeten instellen, overweegt de rechtbank als volgt. De inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot verder onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot verder onderzoek gehouden als hij, na met normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid moet twijfelen. Voor een dergelijke twijfel is geen aanleiding als de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.
Uit de aangifte over het jaar 2016 volgde dat de beginbalans van het jaar 2016 niet aansloot bij de eindbalans van het jaar 2015. De inspecteur heeft dit balansverschil onderzocht en hersteld door bij het vaststellen van de aanslag Vpb 2016 (21 december 2019) af te wijken van de door eiseres over dat jaar ingediende aangifte. Voor het jaar 2017 was er dus geen sprake (meer) van een discontinuïteit van de balans, omdat de inspecteur dit verschil had gecorrigeerd in het jaar 2016. De rechtbank merkt in dit kader op dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad lijkt te volgen dat de inspecteur bij de beoordeling of de aangifte aanleiding geeft tot nader onderzoek, het dossier van het desbetreffende belastingmiddel van de belastingplichtige zelf moet raadplegen (met daarin onder meer de aanslagen en correspondentie over eerdere (en latere) jaren). De rechtbank overweegt dat de aangiften Vpb 2016 en 2017 (in onderlinge samenhang bezien) evenwel geen aanleiding gaven om te veronderstellen dat de balansdiscontinuïteit in 2016 ook gevolgen zou hebben voor het jaar 2017. Voor het jaar 2017 bestond dus de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist waren. De inspecteur was daarom niet gehouden tot een verder onderzoek. Voor zover de akte van levering inclusief de vaststellingovereenkomst al waren gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel, hoefde de inspecteur deze dus niet te raadplegen, omdat de inhoud van de aangifte over 2017 daar geen enkele aanleiding toe gaf. De rechtbank merkt hierbij op dat de eerste inhoudelijke actie van de inspecteur in het kader van de bezwaarprocedure tegen de definitieve aanslag Vpb 2016 op 13 maart 2020 plaatsvond (een verzoek om informatie, zie 2.16.). Dit was slechts een goede week voordat de definitieve aanslag over 2017 werd opgelegd. Ook hieruit volgt dat de inspecteur ten tijde van het vaststellen van de definitieve aanslag Vpb 2017 niet gehouden was tot een verder onderzoek..
De rechtbank concludeert dat de inspecteur beschikte over een nieuw feit en geen ambtelijk verzuim heeft begaan door een verder onderzoek achterwege te laten. Gelet hierop was de inspecteur dus bevoegd om de navorderingsaanslag op te leggen. De stelling van de inspecteur dat sprake was van kwade trouw bij eiseres hoeft daarom niet meer besproken te worden.
Heeft de inspecteur het prijsgeven van de geldverstrekkingen terecht belast?
Standpunten partijen
7. Eiseres stelt dat de geldverstrekkingen (informele) kapitaalstortingen zijn. De afwikkeling van het prijsgeven van de geldverstrekkingen moet daarom via de kapitaalsfeer lopen en niet via de winstsfeer. Als dit standpunt niet slaagt, stelt eiseres dat sprake is van onzakelijke leningen. In dat geval moet het prijsgeven van de leningen ook via het kapitaal lopen. Als ook dit standpunt niet slaagt, doet eiseres een beroep op de kwijtscheldingswinstvrijstelling.
De inspecteur stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van informele kapitaalstortingen, terwijl de bewijslast wel op haar rust. Ter motivering wijst de inspecteur op de verwerking van de geldverstrekkingen in de boekhouding. Zowel commercieel als fiscaal zijn de geldverstrekkingen in eerste instantie verantwoord als vreemd vermogen (leningen). Daarnaast betoogt de inspecteur dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ontbrekende zekerheden en afspraken over aflossingen leiden tot een onzakelijk debiteurenrisico. Niet gesteld en aannemelijk is gemaakt dat er geen rente kan worden gevonden die in feite niet winstdelend is. Gelet hierop is volgens de inspecteur geen sprake van een onzakelijke leningen. Ter zitting heeft de inspecteur medegedeeld dat eiseres wel recht heeft op de kwijtscheldingswinstvrijstelling.
Is sprake van een lening of kapitaalverstrekking?
8. De rechtbank overweegt als volgt. Bij de beoordeling van de vraag of bij een geldverstrekking sprake is van een (geld)lening of kapitaalstorting is in beginsel de civielrechtelijke vorm beslissend. Slechts in drie gevallen kan van dit uitgangspunt worden afgeweken, namelijk:
als alleen naar schijn sprake is van een lening, terwijl partijen in werkelijkheid hebben beoogd een kapitaalverstrekking tot stand te brengen (schijnlening),
als de lening is verstrekt onder zodanige voorwaarden dat de schuldeiser met het door hem uitgeleende bedrag in zekere mate deel heeft in de onderneming van de schuldenaar (deelnemerschapslening), of
als de lening is verstrekt onder zodanige omstandigheden dat het de uitlener direct duidelijk moet zijn geweest dat voor het geheel of voor een gedeelte van de uit de lening voortvloeiende vordering geen waarde toekomt, omdat het door hem geleende bedrag niet of niet ten volle zal kunnen worden terugbetaald (bodemloze putlening).
Uit de feiten volgt dat eiseres van een gelieerde vennootschap gelden heeft ontvangen (2.2.). Uit de verwerking van de geldverstrekkingen in de jaarrekening 2014 (2.3.), de verantwoording in de aangiften Vpb tot en met 2015 (2.4.), het mailverkeer tussen de advocaten (2.6. en 2.7.) en de vaststellingsovereenkomst (2.8.) maakt de rechtbank op dat aan de geldverstrekkingen terugbetalingsverplichtingen waren verbonden. De geldverstrekkingen zijn namelijk steeds verantwoord als leningen en in de diverse stukken wordt gesproken over een schuld en kwijtschelding. Dat rechtvaardigt op zijn minst het vermoeden dat er (civielrechtelijk) sprake was van een verstrekking van vreemd vermogen. De rechtbank overweegt dat eiseres geen feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit volgt dat het op het moment van de geldverstrekkingen al de bedoeling was om kapitaal in plaats van vreemd vermogen te verstrekken. Het uitgangspunt is dan ook dat de geldverstrekkingen moeten worden aangemerkt als leningen.
Eiseres heeft geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat er sprake is van een schijnlening. Zo staat bijvoorbeeld vast dat er geen schriftelijke leningsovereenkomst is opgesteld, terwijl dit bij een schijnlening juist wel voor de hand had gelegen. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bodemloze putlening. Eiseres heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat haar financiële situatie op het moment van de geldverstrekkingen zo beroerd was, dat het toen voor de gelieerde vennootschap al duidelijk moet zijn geweest dat de verstrekte bedragen niet (volledig) zouden worden terugbetaald. Onduidelijk is gebleven wanneer de geldverstrekkingen nu precies hebben plaatsgevonden en wat de vermogenspositie van eiseres op die momenten was. Tot slot is door eiseres ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een deelnemerschapslening. Uit het arrest van de Hoge Raad van 5 januari 2018 volgt namelijk dat hiervan alleen sprake is als onder meer de schuld is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers. Eiseres heeft geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat hiervan sprake is.
Omdat niet aannemelijk is gemaakt dat één van de in 8. genoemde uitzonderingsgevallen zich voordoet, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat sprake is van leningen in civielrechtelijke zin, wat eveneens leidend is voor de fiscale kwalificatie.
Is sprake van een onzakelijke lening?
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of sprake is van een onzakelijke lening. Voor de beantwoording van de vraag of een lening tussen gelieerde partijen moet worden aangemerkt als een onzakelijke lening, is van belang of een rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden. Als die rente zodanig moet worden aangepast dat de lening in wezen winstdelend zou worden, moet worden verondersteld dat een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. Dan moet, met uitzondering van bijzondere omstandigheden, ervan worden uitgegaan dat de betrokken vennootschap dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van de aan haar gelieerde vennootschap in de hoedanigheid van aandeelhouder te dienen. Of sprake is van een onzakelijke lening moet worden beoordeeld op het moment van het aangaan van de lening, met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd als gevolg van onzakelijk handelen van de crediteur alsnog onzakelijk kan worden.
Omdat eiseres stelt dat sprake is van een onzakelijke lening, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat zij de relevante feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken. Concreet betekent dit dat eiseres moet bewijzen dat de door de vennootschap(pen) van de broers verstrekte leningen onder zodanige voorwaarden en omstandigheden zijn verstrekt dat daarbij een debiteurenrisico is gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen.
De rechtbank overweegt dat onduidelijk is gebleven welke gelden, door wie, wanneer en onder welke omstandigheden zijn verstrekt. De inspecteur heeft meerdere keren om deze informatie gevraagd. Ook op de zitting heeft eiseres hier desgevraagd geen duidelijkheid over kunnen geven. Het ontbreken van een schriftelijke leningsovereenkomst, een aflossingsschema, een rentepercentage en het feit dat er geen zekerheden zijn bedongen, wijzen zonder meer op omstandigheden die in het zakelijke verkeer ongebruikelijk zijn. Deze omstandigheden op zichzelf zijn onvoldoende om op voorhand vast te stellen dat alleen een in wezen winstdelende rente kan worden bepaald. De inspecteur heeft hier ook op gewezen. Het is dan aan eiseres om te laten zien dat op de momenten van de geldverstrekkingen in normale zakelijke verhoudingen geen niet-winstdelende rente kon worden gevonden. Eiseres heeft niets concreets aangevoerd waaruit dat zou volgen. Omdat op eiseres de bewijslast rust, komt dit bewijsrisico voor haar rekening. Bij het voorgaande weegt de rechtbank mee dat de geldverstrekkingen tot en met het jaar 2015 zowel commercieel als fiscaal zijn verwerkt als leningen. Deze boekhoudkundige verwerking wekt de indruk dat sprake is van zakelijke leningen. Eiseres heeft tegenover deze door haarzelf gewekte indruk niet aannemelijk gemaakt dat vanaf het verstrekken van de leningen toch sprake was van onzakelijke leningen, laat staan dat en waarom deze leningen op enig moment onzakelijk zijn geworden.
Omdat eiseres niet aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van onzakelijke leningen.
Kan de kwijtscheldingswinstvrijstelling worden toegepast?
9. Tussen partijen is voor dit geval niet in geschil dat sprake is geweest van een zakelijke kwijtschelding en dat hierop de kwijtscheldingswinstvrijstelling van toepassing is. Omdat eiseres aan het begin van 2017 over een bedrag van € 282.419 aan verrekenbare verliezen uit voorgaande jaren beschikte, wordt de kwijtscheldingswinstvrijstelling toegepast voor een bedrag van € 46.364. De belastbare winst moet daarom worden vastgesteld op € 340.018. Het belastbaar bedrag moet worden verminderd tot een belastbaar bedrag van € 57.599.
Heeft de inspecteur het vertrouwensbeginsel geschonden?
Standpunten partijen
Eiseres wijst erop dat de inspecteur op de zitting van de rechtbank van 17 oktober 2023 de toezegging heeft gedaan dat de aanslag Vpb 2016 wordt vastgesteld conform de aangifte Vpb 2016. De meest voor de hand liggende uitleg is dat deze toezegging betrekking had op de gehele aangifte, inclusief de balansposten en de vermogensopstelling. Een beperkte uitleg strookt volgens eiseres niet met het doel van de afspraak, namelijk een integrale afwikkeling van het geschil conform de aangifte Vpb 2016.
De inspecteur stelt dat de afspraak op de zitting voor het belastingjaar 2016 niet inhoudt dat daarmee ook de balansmutaties begrepen in de ingediende aangifte Vpb over het jaar 2016 gevolgd zouden worden. Volgens de inspecteur is alleen een afspraak gemaakt over de correctie van het vrijvallen van de schulden in 2016, in verband met het geconstateerde timingsverschil (2.20.). Tot de gemaakte afspraak behoort uitdrukkelijk niet dat ook de balansmutatie van vreemd vermogen naar eigen vermogen zou worden gevolgd. Hierover is niet expliciet overeenstemming geweest en dit volgt ook niet uit de bevestiging van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
11. De rechtbank begrijpt de stelling van eiseres zo, dat zij erop mocht vertrouwen dat het prijsgeven van de geldverstrekkingen ook niet meer in 2017 in de heffing van de Vpb zou worden betrokken. De inspecteur heeft namelijk toegezegd de aanslag voor het jaar 2016 conform de door eiseres ingediende aangifte vast te stellen. Het prijsgeven van de geldverstrekkingen is volgens eiseres daarom al in 2016 in aanmerking genomen, omdat deze bedragen toen, in de aangifte over dat jaar, aan het eigen vermogen zijn toegevoegd.
De rechtbank overweegt als volgt. In een geval als dit, waarin de inspecteur een afspraak heeft gemaakt met eiseres, gaat het om een als toezegging op te vatten expliciete uitlating van de inspecteur. In een zodanig geval geldt in het algemeen dat een belastingplichtige zich onder voorwaarden met succes kan beroepen op daarmee door de inspecteur gewekt vertrouwen. Hiervoor is nodig dat de inspecteur de toezegging heeft gedaan na kennisneming van alle benodigde feiten en omstandigheden van het geval, en de belastingplichtige aan die uitlatingen het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de inspecteur in zijn geval aan wettelijke, dan wel andere door hem in acht te nemen algemene regels een bepaalde toepassing zal geven. Bovendien is vereist dat de toezegging niet zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige redelijkerwijs de onjuistheid daarvan had kunnen en moeten beseffen, en daarom op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen.
Uit het bericht over de intrekking van het beroep tegen de aanslag Vpb 2016 (2.21.) volgt dat de afspraak is gemaakt dat de aanslag Vpb 2016 wordt vastgesteld conform de door eiseres ingediende aangifte voor het jaar 2016. De rechtbank overweegt dat de inspecteur bij het opleggen van een aanslag alleen vaststelt dat en hoeveel belasting wordt geheven. Voor de Vpb geldt dat de inspecteur daartoe de belastbare winst en het belastbare bedrag vaststelt. De inspecteur stelt bij het opmaken van een aanslagbiljet Vpb geen balansposten of posten uit de winst- en verliesverrekening vast. Daarop zijn alleen de vastgestelde belastbare winst, het belastbaar bedrag en een eventueel verrekend verlies uit andere jaren vermeld.
Gelet op het voorgaande kon eiseres aan de toezegging van de inspecteur redelijkerwijs niet het vertrouwen ontlenen dat bij het vaststellen van de aanslag Vpb 2016 ook de balansposten (en daarmee de samenstelling van het eigen vermogen) plus de verlies- en winstrekening conform de door eiseres ingediende aangifte zouden worden ‘vastgesteld’. Dat zou alleen anders zijn als er bijkomende omstandigheden aan de orde waren. Eiseres heeft echter geen andere feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat de inspecteur een dergelijke (ruimere) toezegging heeft gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres er niet op mocht vertrouwen dat de fiscale gevolgen van het kwijtschelden van de leningen in 2017 niet meer in de heffing van Vpb kon worden betrokken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Belastingrente
12. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, zal de rechtbank bepalen dat de inspecteur het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig vermindert.
Immateriële schadevergoeding
13. Het bezwaarschrift is door de inspecteur ontvangen op 6 december 2023. Gelet op de uitspraakdatum is de redelijke termijn van twee jaar met afgerond twee maanden overschreden. Eiseres heeft niet verzocht om vergoeding van een immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ter zitting heeft de rechtbank aangekondigd binnen zes weken schriftelijk uitspraak te doen. Omdat de overschrijding van de redelijk termijn op de zitting van 7 oktober 2025 niet kon worden voorzien, zal de rechtbank ambtshalve een immateriële schadevergoeding toekennen.
De inspecteur heeft op 27 augustus 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. De bezwaarfase heeft daarmee een kleine drie maanden langer geduurd dan de daarvoor redelijke termijn van een half jaar. De overschrijding van de redelijke termijn is volledig aan de inspecteur toe te rekenen. De rechtbank zal daarom de inspecteur veroordelen tot vergoeding van een bedrag van € 500.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond. De rechtbank stelt de belastbare winst vast op € 340.018. Hiermee worden alle nog mogelijk te verrekenen verliezen van voorgaande jaren ten bedrage van in totaal € 282.419 verrekend, zodat de rechtbank het belastbaar bedrag vaststelt op € 57.599. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van de werkelijke proceskosten. Ter motivering heeft zij gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden, omdat de inspecteur vanwege het ontbreken van een nieuw feit (en aanvankelijk vanwege het opleggen buiten de termijn) niet bevoegd was om een navorderingsaanslag op te leggen. Zoals de rechtbank in 6. tot en met 6.4. heeft overwogen, is zij van oordeel dat de inspecteur wel beschikte over een nieuw feit en dus bevoegd was om een navorderingsaanslag op te leggen. Gelet alleen hierop is naar het oordeel van de rechtbank al geen sprake van de gestelde bijzondere omstandigheden die een vergoeding van de werkelijke proceskosten zouden rechtvaardigen.
De vergoeding van de proceskosten bedraagt daarom in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Partijen hebben ter zitting eenparig verklaard dat het voorgaande voor dat geval een juiste uitkomst is.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de navorderingsaanslag tot een aanslag berekend naar een belastbare winst van € 340.018 en een belastbaar bedrag van € 57.599;
- stelt de verliesverrekeningsbeschikking vast op in totaal € 282.419 (de som van alle nog resterende verliezen uit 2008, 2009, 2013 en 2014);
- vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 371 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.S. Langius, voorzitter, en mr. A. Heidekamp en mr. L.M. Praamstra, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier.
Uitgesproken op 29 januari 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.