ECLI:NL:RBNNE:2026:2611

ECLI:NL:RBNNE:2026:2611

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 09-07-2026
Datum publicatie 03-07-2026
Zaaknummer 96.345214.25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Politierechter verklaart openbaar ministerie niet-ontvankelijk inzake rijden onder invloed van medicinale cannabis.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 96.345214.25

ter terechtzitting gevoegde parketnummers 96.257425.25, 96.303626.25 en 96.122251.25

Vonnis van de politierechter d.d. 9 juli 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 juni 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Koops, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.M. Berends.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 96.122251.25 (zaak 1)

zij op of omstreeks 29 januari 2025 te Winschoten, gemeente Oldambt een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in haar bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 7 microgram tetrahydrocannabinol (THC) per liter bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

96.257425.25 (zaak 2)

zij op of omstreeks 29 mei 2025 te Groningen een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in haar bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 9,1 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;

96.303626.25 (zaak 3)

zij op of omstreeks 8 mei 2025 te Alteveer, gemeente Stadskanaal een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in haar bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 6,9 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;

parketnummer 96.345214.25 (zaak 4)

zij, op of omstreeks 9 september 2025 te Oude Pekela, gemeente Pekela, terwijl zij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op haar naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, [adres] , een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie in zaken 1, 2 en 3

Standpunt van de verdediging

Het openbaar ministerie heeft bij verdachte het vertrouwen gewekt dat zij niet zou worden vervolgd, en daarom zou verdachte gevrijwaard moeten blijven van overheidsbemoeienis inzake het rijden onder invloed van een hoger dan wettelijk toegestaan THC-gehalte. Het openbaar ministerie moet daarom in de

zaken 1,2 en 3 niet-ontvankelijk worden verklaard.

De raadsman heeft ter onderbouwing van dit standpunt - kort gezegd - aangevoerd dat verdachte op doktersvoorschrift cannabis gebruikt en dat het THC-gehalte in haar bloed volledig kan worden verklaard door therapeutisch gebruik. Het CBR heeft verdachte bovendien expliciet geschikt bevonden om een rijbewijs te hebben, ondanks dit cannabisgebruik, waarmee het CBR bekend was. Daar komt nog bij dat eerdere staandehoudingen van verdachte zijn geëindigd met een artikel 9a (2021) en een OM-sepot (2023).

Verdachte mocht er dus van uitgaan dat zij mocht rijden, ondanks haar dagelijkse gebruik van een cannabis-medicijn.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. De officier heeft benadrukt dat het geen verschil maakt of iemand onder invloed rijdt na recreatief gebruik, of na medicinaal gebruik. De omstandigheden die de raadsman heeft benoemd maken niet dat verdachte niet meer vervolgd zou mogen worden als zij de grenzen van de wet overschrijdt.

Beoordeling: niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie

De politierechter stelt voorop dat de beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan, zich slechts in beperkte mate leent voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer het openbaar ministerie vervolgt, terwijl verdachte uit gepubliceerde uitgangspunten voor vervolging, beleid of gedragingen van datzelfde openbaar ministerie het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gekregen dat zij niet (verder) zal worden vervolgd.

Vaststaande feiten: aanhoudingen en bloedonderzoek

Verdachte is in de loop van 2025 drie keer op het politiebureau geweest voor het rijden onder invloed, te weten op 29 januari, op 29 mei en op 8 mei.

Naar aanleiding van de verdenkingen is in alle drie zaken een bloedonderzoek gedaan. Hieruit is telkens gebleken dat het THC-gehalte in het bloed van verdachte hoger was dan toegestaan volgens artikel 8 lid 5 WVW in verband met artikel 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.

Beleid openbaar ministerie

De wetgever heeft blijkens de wettekst en de parlementaire geschiedenis bij het strafbaar stellen van het rijden onder invloed van drugs geen onderscheid gemaakt tussen medicinaal en recreatief cannabis gebruik (Stb 2015, nr 353). Een te hoog gehalte is een te hoog gehalte, of het nu op voorschrift van de dokter is, of niet. Een begrijpelijk uitgangspunt, want voor de verkeersveiligheid maakt het motief achter het cannabisgebruik geen verschil.

Het openbaar ministerie lijkt in zijn opsporings- en vervolgingsbeleid echter wel verschil te maken tussen beide. Op de website van het openbaar ministerie staat onder onderwerpen/v/verkeer/handhaving/alcohol/meer-over-medicijnen te lezen:

Medicijngebruikers kunnen aangegeven dat zij voorgeschreven geneesmiddelen gebruiken. De agent noteert dit in het proces-verbaal maar gaat wel verder met de procedure. Het OM zal aan die bestuurders vragen om een doktersrecept of verklaring van de arts in te sturen. Het OM beslist op basis van alle feiten en omstandigheden of de bestuurder wordt vervolgd of niet. Een vervolging gebeurt bijvoorbeeld wanneer

de medicijngebruiker geen doktersrecept kan insturen, het medicijn is gebruikt in combinatie met drugs of alcohol, of een hogere dosering heeft genomen dan voorgeschreven en toch is gaan rijden. In dit soort situaties vormt de medicijngebruiker een risico voor de verkeersveiligheid.

Voor een antwoord op de vraag Hoe controleert u of u mag rijden als u een medicijn gebruikt? verwijst het openbaar ministerie op zijn website verder naar www.rijveiligmetmedicijnen.nl.

Uit het bovenstaande leidt de politierechter af dat vervolging voor het rijden onder invloed niet aan de orde is in gevallen waarin het geconstateerde gehalte aan medicijnen conform doktersvoorschrift is, terwijl de bijsluiter geen waarschuwingen geeft voor het rijden met het betreffende medicijn.

Doktersvoorschrift

In zaken 1 en 2 heeft het openbaar ministerie verdachte na het bloedonderzoek conform beleid gevraagd om een doktersverklaring. In zaak 1 heeft verdachte hierop gerespondeerd, in zaak 2 niet en in zaak 3 heeft het openbaar ministerie het verzoek niet gedaan.

In de in zaak 1 door verdachte ingediende verklaring van huisarts [huisarts] d.d. 8 juni 2023 (dus ruimschoots vóór de ten laste gelegde feiten, gevoegd als losse bijlage bij het dossier) staat dat verdachte THC betrekt via de lokale apotheek. De politierechter gaat ervan uit dat dit op doktersvoorschrift is geweest, omdat niet goed denkbaar is dat de apotheek anderszins cannabis aan verdachte zou verstrekken. Verder heeft de raadsman ter zitting een overzicht van apotheek [apotheek] overgelegd, waarop te zien is dat verdachte tussen eind 2021 en medio 2023 cannabis van de apotheek heeft betrokken. Zowel de doktersverklaring als het apotheekoverzicht zijn dus gedateerd. Uit een door verdachte ter zitting getoonde foto van een medicijnpotje met apotheek-opschrift maakt de politierechter echter op dat er in elk geval ook eind 2025 nog cannabis op doktersrecept werd betrokken door verdachte.

Het ligt daarom in de rede om aan te nemen dat verdachte ten tijde van de zaken 1, 2 en 3 op doktersvoorschrift cannabis gebruikte.

Toxicologisch onderzoek: dosering conform doktersvoorschrift

Het openbaar ministerie heeft aan de hand van voornoemde doktersverklaring alleen in zaak 1 een toxicologisch consult (gevoegd als losse bijlage bij het dossier) door het NFI laten opmaken. De conclusie van dit rapport spitst zich toe op het in zaak 1 gemeten cannabis-gehalte en luidt: De gemeten THC concentratie van 7,0 kan geheel worden verklaard door therapeutisch gebruik van Cannabis flos Bedrocan zoals indertijd voorgeschreven.

Er is dus geen aanleiding om te veronderstellen dat verdachte in zaak 1 méér dan de voorgeschreven hoeveelheid cannabis heeft gebruikt. Het gehalte aan cannabis in verdachtes bloed past bij het doktersvoorschrift.

De politierechter wil aannemen dat dit ook geldt voor zaak 3, waarin het gemeten gehalte lager is dan in zaak 1.

Het gemeten gehalte in zaak 2 is echter beduidend hoger dan in zaak 1 (namelijk 9,1), zodat er zonder toxicologisch consult niet zonder meer reden is om aan te nemen dat het cannabisgehalte ook in deze zaak volledig op het conto van therapeutisch gebruik komt. Of verdachte in dit geval een hogere dosering heeft

gebruikt dan voorgeschreven, blijft in zaak 2 bij gebrek aan nader onderzoek dus ongewis.

Naar het oordeel van de politierechter is het niet onbegrijpelijk dat verdachte in zaak 2 niet opnieuw een doktersverklaring heeft ingestuurd, nu ze dat in zaak 1 al had gedaan. Het had op de weg van het openbaar ministerie, dat de zaken 1, 2 en 3 gezamenlijk op een zitting van de politierechter heeft aangebracht, gelegen om óók in zaak 2 een toxicologisch rapport te laten opmaken.

De politierechter gaat er - nu dit rapport ontbreekt in het voordeel van verdachte van uit dat voor zaak 2 hetzelfde geldt als voor zaak 1: Het gehalte aan cannabis in verdachtes bloed past bij het doktersvoorschrift.

De politierechter concludeert dat er in alle drie zaken sprake is van een cannabisgehalte dat past bij gebruik volgens doktersvoorschrift.

Bijsluiter

Dan resteert de vraag of verdachte zich op grond van de bijsluiter van het door haar gebruikte medicijn van verkeersdeelname had moeten onthouden. Raadpleging van openbare bron www.rijveiligmetmedicijnen.nlvoor het door verdachte gebruikte medicijn, cannabis flos Bedrocan, leert het volgende:

“Dagelijks medicinaal gebruik: de eerste 2 weken niet rijden. Incidenteel medicinaal gebruik: niet rijden tot en met 15 uur na gebruik.”

Dit bevestigt wat de raadsman hierover ter zitting heeft gezegd: voor dagelijkse gebruikers die eenmaal zijn ingesteld op het medicijn geldt geen waarschuwing of beperking ten aanzien van deelname aan het verkeer.

Gerechtvaardigd vertrouwen, openbaar ministerie niet-ontvankelijk

Uit informatie op de website van het openbaar ministerie valt op te maken, zoals hiervoor overwogen, dat het openbaar ministerie geen aanleiding ziet om te vervolgen wanneer een verdachte louter een door de dokter voorgeschreven dosering cannabis gebruikt, terwijl het betreffende cannabis-medicijn volgens de bijsluiter geen kwaad kan voor deelname aan het verkeer.

Van een dergelijke situatie is in dit geval sprake. Dit rechtvaardigt het bij verdachte gewekte vertrouwen dat zij niet zou worden vervolgd. Daar komt bij dat het openbaar ministerie in een eerder geval ook al conform de hiervoor genoemde uitgangspunten heeft gehandeld, blijkens het sepot voor hetzelfde feit in 2023. Ook die omstandigheid zal bijgedragen hebben aan het bij verdachte opgewekte vertrouwen.

Nu bij verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat zij niet zou worden vervolgd, verklaart de politierechter het openbaar ministerie in de zaken 1, 2 en 3 niet-ontvankelijk in de vervolging.

Zaak 4

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de zaak onder parketnummer 96.345214.25.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de zaak onder parketnummer 96.345214.25 heeft de raadsman aangevoerd dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat onderhavige verdenking voortvloeit uit alle voorgaande onrechtmatige aanhoudingen. Subsidiair dient vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.

Oordeel van de rechtbank

De politierechter past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van de zaak onder parketnummer 96.345214.25 redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 25 juni 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb bezwaar gemaakt tegen de ongeldigverklaring van mijn rijbewijs. Ik had voorafgaand aan het mij ten laste gelegde feit inderdaad een brief ontvangen waarin kennelijk stond dat mijn bezwaar ongegrond is verklaard en dat de schorsing in stand bleef.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 9 september 2025, opgenomen op pagina 10 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025244969 d.d. 11 september 2025, inhoudend als relatering van de verbalisanten:

Op dinsdag 9 september 2025 waren wij, verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , belast met een surveillance in basisteam Ommelanden-Midden. Omstreeks 15.30 uur zagen wij, verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , een voertuig met kenteken [kenteken] geparkeerd staan op de parkeerplaats bij [adres] in Oude Pekela. Wij zagen dat er zich schade bevond op de linkerzijde van het voertuig. Ik, verbalisant [verbalisant] , controleerde het kenteken in het BVIB-bevragingsysteem. Ik zag dat het B rijbewijs van de tenaamgestelde [verdachte] was geschorst vanaf 11 juli 2025 voor rijbewijs categorie B. Wij zagen dat het voertuig ging rijden over de parkeerplaats bij de [adres] in Oude Pekela, richting [adres] in Oude Pekela. Wij gaven op [adres] in Oude Pekela een stopteken middels het stoptransparant in ons dienstvoertuig. Ik, verbalisant [verbalisant] , vroeg de bestuurder om haar rijbewijs. Ik zag op het rijbewijs dat het de bestuurder [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1991 betrof. Ik bevroeg [verdachte] in het BVIB-bevragingssysteem en zag dat het rijbewijs van [verdachte] vanaf 11 juli 2025 is geschorst voor categorie B.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de politierechter het volgende. De geldigheid van verdachtes rijbewijs vloeit weliswaar voort uit één van de verdenkingen waarop de raadsman doelt, maar dit geldt niet voor het strafbare feit als ten laste gelegd onder parketnummer 96.345214.25. Verdachte had na het bericht dat de geldigheid van haar rijbewijs geschorst was niet mogen gaan rijden. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Bewezenverklaring

De politierechter acht de zaak onder parketnummer 96.345214.25 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

zij, op 9 september 2025 te Oude Pekela, terwijl zij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op haar naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, [adres] , een motorrijtuig, personenauto, van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

96.345214.25 overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voor de zaken 1, 2, 3 en 4 tezamen een taakstraf van 60 uren gevorderd, waarvan een deel van 30 uren voorwaardelijk.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting uitvoerig betoogd dat de vervolging van verdachte en de daarmee samenhangende perikelen rondom haar rijbewijs intussen aanzienlijke consequenties voor haar heeft gehad. Ze gaat erg gebukt onder de lopende procedures en is onder meer haar baan als beveiliger kwijtgeraakt. Gelet hierop kan worden volstaan met een straf die geen nodeloos leed aan verdachte toevoegt, maar die tevens bevestigt dat beslissingen van het CBR over de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs te allen tijde dienen te worden gerespecteerd, ook indien daartegen rechtsmiddelen zijn

ingesteld.

Oordeel

Bij de bepaling van de straf heeft de politierechter rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De politierechter heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op de openbare weg een auto bestuurd, terwijl zij wist dat de geldigheid van haar rijbewijs was geschorst. Hiermee heeft zij een maatregel, die haar van overheidswege was opgelegd in het kader van bescherming van de verkeersveiligheid, genegeerd.

De politierechter is van oordeel dat ter normbevestiging een voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden is. Aan deze voorwaardelijke straf zal de politierechter een proeftijd verbinden van 1 jaar.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De politierechter

Verklaart het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk in de vervolging van de zaken onder parketnummers 96.122251.25, 96.257425.25 en 96.303626.25.

Verklaart het onder parketnummer 96.345214.25 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot

een taakstraf voor de duur van 15 uren.

Bepaalt dat deze taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 1 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 7 dagen zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J.V. Nolta, politierechter, bijgestaan door

F. Schoonhoven, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juli 2026.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl VR 2026/133
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand