[eiser] , uit Noordscheschut, eiser
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren /kantoor Arnhem, de inspecteur
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 8 augustus 2024.
De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2018 geheel afgewezen.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser gesplitst. De inspecteur heeft geen uitspraak gedaan op het deel dat meeloopt in de ‘massaal bezwaar plus-procedure’ en de overige punten van het bezwaar afgewezen.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Beide partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [medewerker belastingdienst] . Het beroep is op de zitting gelijktijdig behandeld met de beroepen van eiser met zaaknummer LEE 23/4639 en LEE 23/3521.
Feiten
2. Eiser is samenwonend met [partner] (de partner). Gedurende het gehele jaar staan eiser en zijn partner op hetzelfde woonadres ingeschreven in de basisregistratie personen. Voor het belastingjaar 2017 hebben eiser en zijn partner elkaar aangegeven als fiscaal partner. Voor het belastingjaar 2018 zijn eiser en zijn partner ook als fiscaal partners aangemerkt.
De inspecteur heeft met dagtekening 17 oktober 2019 aan eiser voor het jaar 2018 een aanslag IB/PVV opgelegd conform de door eiser ingediende aangifte. De aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 112.960 en een grondslag sparen en beleggen (box 3) van € 1.497.993, waarvan aan eiser een aandeel van
€ 1.151.895 in aanmerking is genomen. .
Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2018.
Eiser heeft op 23 november 2023 op grond van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 (het Kerstarrest) verzocht om herziening van het box 3 inkomen ten aanzien van zijn aanslag IB/PVV 2018.
Bij brief van 18 april 2024 heeft de inspecteur t dit verzoek afgewezen. In deze brief staat de volgende passage opgenomen:
“(…) Op 4 november 2022 heeft de staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst aangekondigd dat er voor degenen die geen ( tijdig) bezwaar hebben gemaakt voor de jaren 2017- 2020 een procedure 'massaal bezwaar plus' wordt ingericht. In deze procedure wordt aan de Hoge Raad de vraag voorgelegd of deze belanghebbenden alsnog in aanmerking komen voor rechtsherstel. De uitkomst van de procedure geldt voor de jaren 2017- 2020. U doet automatisch mee en u hoeft voor deze jaren geen bezwaar of verzoek meer in te dienen. (…)”
De inspecteur heeft op 8 augustus 2024 uitspraak op bezwaar gedaan, waarin hij aangeeft het bezwaar te hebben gesplitst. De inspecteur heeft geen uitspraak gedaan op het deel dat meeloopt in de ‘massaal bezwaar plus-procedure’ en de overige punten van het bezwaar afgewezen.
Beoordeling door de rechtbank
Vooraf:
3. De rechtbank constateert dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2018 en dat daarom in deze procedure de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering (en de afwijzing van het daartegen ingediende bezwaar) centraal staat (staan). De inspecteur heeft bij de afwijzing van het verzoek en bij de beslissing op het bezwaar aan eiser medegedeeld dat hij de zaak heeft gesplitst in een deel dat valt onder ‘massaal bezwaar plus-procedure’ en een deel dat ziet op de zogenaamde ‘overige grieven’. Ten aanzien van de overige grieven heeft de inspecteur individueel uitspraak gedaan. In het beroepschrift van eiser is te lezen dat hij het niet eens is met deze splitsing. Volgens eiser heeft dat namelijk tot gevolg dat hem de individuele toegang tot de rechter wordt ontzegd. Eiser stelt dat de rechtbank alsnog een inhoudelijk oordeel moet geven of hij wel of niet een oneerlijke behandeling geniet, omdat hij als niet-bezwaarmaker geen recht heeft op de teruggaaf van belasting, terwijl de bezwaarmaker dit recht wel krijgt (strijd met het evenredigheidsbeginsel). Hij stelt ook dat hij niet onder de ‘massaal bezwaar plus-procedure’ valt omdat hij geen beroep doet op het toepassen van het werkelijk rendement, maar hij in het geheel geen belasting hoeft te betalen over zijn box 3-vermogen. Dit is volgens eiser een groot verschil met de procedure zoals deze bij Rechtbank Den Haag is gevoerd en die nu onderdeel is van de proefprocedure.
De rechtsvraag die in de ‘massaal bezwaar plus-procedure’ centraal staat, luidt als volgt:
‘Kunnen degenen wiens aanslag inkomstenbelasting over het kalenderjaar 2017 of 2018 of 2019 of 2020 reeds onherroepelijk vaststond op 24 december 2021 (hierna: de niet-bezwaarmakers) wegens strijd met supranationale bepalingen, zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM of artikel 14 EVRM, of strijd met nationale regelingen of strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend het evenredigheidsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel, een beroep doen op het arrest dat de Hoge Raad op die datum gewezen heeft?’
De rechtbank is van oordeel dat de door eiser ingenomen beroepsgronden (met uitzondering van zijn grief ten aanzien van het verplichte fiscaal partnerschap), wél vallen onder de reikwijdte van deze rechtsvraag. De rechtbank is het niet eens met eiser dat hij door een iets ander geformuleerde rechtsvraag – met logischerwijze een andere uitkomst – niet valt onder de hiervoor genoemde rechtsvraag. De rechtbank wijst er in dit verband op dat eiser zijn standpunt ook onderbouwt met gebruikmaking van en verwijzing naar het zogenaamde Kerstarrest. Dit brengt met zich mee dat de rechtbank hierover niet kan en mag oordelen over de in de ‘massaal bezwaar plus-procedure’ geformuleerde rechtsvraag.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank zal wel over gaan tot de beoordeling van de vraag of het verplichte fiscaal partnerschap bij eiser in strijd is met artikel 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) van het EVRM. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank oordeelt dat het fiscaal partnerschap niet in strijd is met artikel 1 EP van het EVRM of artikel 8 of 14 van het EVRM. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Volgens eiser ondervindt hij nadeel in zijn box 3-heffing door het verplicht stellen van het fiscaal partnerschap. Eiser stelt dat het fiscaal partnerschap als stelsel strijdig is met artikel 1 EP bij het EVRM (eigendomsrecht), artikel 8 van het EVRM (recht op bescherming van het privéleven, het familie- en gezinsleven) en artikel 14 van het EVRM (gelijkheidsbeginsel).
7. De inspecteur voert aan dat eiser geen nadeel ondervindt van de box 3-heffing door het fiscaal partnerschap, omdat eiser in zijn aangifte de vermogensbestanddelen op eigen gekozen wijze kan toerekenen aan zichzelf en zijn partner. Er is volgens de inspecteur dan ook geen sprake van strijdigheid met enig internationaal verdrag of met het Europees recht.
Juridisch kader
8. Artikel 1.2, eerste lid, van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
1. In aanvulling op artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen en:
(…);
c. die voor de toepassing van een pensioenregeling als partner van de belastingplichtige is aangemeld;
(…)
f. die in het aan het kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar reeds partner van de belastingplichtige was.
9. In artikel 2.17 van de Wet IB 2001 is vervolgens de toerekening van inkomensbestanddelen en vermogensbestanddelen tussen de belastingplichtige en zijn partner geregeld. Uit artikel 2.17, eerste lid van de Wet IB 2001 volgt – voor zover van belang – dat inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner in aanmerking worden genomen bij degene door wie de inkomensbestanddelen zijn genoten of op wie deze drukken. Artikel 2.17, tweede lid van de Wet IB 2001 bepaalt vervolgens dat gemeenschappelijke inkomensbestanddelen worden geacht bij de belastingplichtige en zijn partner op te komen in de onderlinge verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij het doen van hun aangifte kiezen. Indien zij geen keuze maken, wordt een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft op te komen.
10. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001 is met betrekking tot het fiscaal partnerschap onder meer het volgende opgemerkt:
“2.5. Emancipatie en economische zelfstandigheid
Bevordering van emancipatie en economische zelfstandigheid vormt een van de doelstellingen van de belastingherziening. Met de afschaffing van de mogelijkheid tot overdracht van de basisaftrek, de invoering van een individueel uit te betalen heffingskorting, de verlaging van de marginale tarieven, de mogelijkheid voor volledige individualisering op het gebied van de toerekening van inkomensbestanddelen (…) wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het beleid inzake de bevordering van emancipatie en economische zelfstandigheid.”
“3.4. Individualisering
Een van de maatschappelijke ontwikkelingen sinds de inwerkingtreding van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is een ontwikkeling naar een grotere mate van verzelfstandiging. Dit heeft zijn weerslag gevonden in de ontwikkeling van de inkomstenbelasting. In de periode tot en met 1972 werden alle inkomensbestanddelen van de vrouw toegerekend aan haar man. Met ingang van 1973 is dit systeem verlaten en werd een verzelfstandiging van de gehuwde vrouw, zij het beperkt, ingevoerd. Met ingang van 1984 is de situatie bereikt waarin echtgenoten ieder zelfstandig in de heffing worden betrokken voor de persoonlijke inkomensbestanddelen, terwijl de overige inkomensbestanddelen worden toegerekend aan de echtgenoot met het hoogste persoonlijke inkomen. Met ingang van 1992 zijn bij de invoering van de Brede Herwaardering I ook de inkomsten uit periodieke uitkeringen, waaronder lijfrenten, verzelfstandigd. Met de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt een stap gezet op de weg naar verdere individualisering van het belastingstelsel, waarbij draagkrachtbepalende factoren zoals het hebben van een partner zonder inkomen, niet worden veronachtzaamd.
Individualiseren op het terrein van de inkomenstoerekening betekent dat inkomsten worden belast bij de partner die genieter is van de inkomsten. Aftrekbare uitgaven komen in aanmerking bij de partner op wie de uitgaven drukken. Bij de vormgeving van de individualiseringsgedachte in dit wetsvoorstel is voor een praktische benadering gekozen. Voor de nog niet geïndividualiseerde inkomensbestanddelen is het uitgangspunt dat belastingplichtigen die dit wensen de mogelijkheid krijgen om hun eigen inkomsten en aftrekposten aan te geven, zonder op basis van een wettelijke toerekeningsregel gedwongen te zijn om bepaalde bestanddelen van het inkomen over te brengen naar de aangifte van de meestverdiener. Daarnaast is het echter wenselijk dat belastingplichtigen ook de mogelijkheid hebben om alle gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten op de aangifte van een van beide aan te geven. Hiermee kan bijvoorbeeld worden bereikt dat de andere partner niet in de heffing van inkomstenbelasting wordt betrokken. Aan belastingplichtigen wordt derhalve de keuze gelaten bij wie de gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten voor welk deel worden aangegeven. Beide partners kunnen volledig individueel aangifte doen van hun eigen inkomsten en hun eigen aftrekposten, maar zij hebben ook de mogelijkheid om de gemeenschappelijke bestanddelen op de aangifte van een van beiden te vermelden. Deze keuzevrijheid leidt ertoe dat geen problemen ontstaan ten aanzien van de toerekening van de gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten: iedere gewenste verdeling is mogelijk, mits beide partners gezamenlijk het totaal van de gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten aangeven. De toerekening tussen partners zou, wanneer geen keuzevrijheid wordt geboden, een juridisch complexe problematiek meebrengen, die de uitvoering zowel voor belastingplichtigen als voor de belastingdienst onnodig zwaar belast.”
“De leden van de fractie van het CDA vragen of de geboden vrije keuzemogelijkheid bij de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag niet strijdig is met de individualiseringsgedachte. De leden van de SGP-fractie zien deze vrije toerekening op zich als een positieve ontwikkeling. Zij zien hierin een klein stukje splitsingsstelsel, maar zien het als een gemiste kans dat de vrije toerekening niet meer inkomensbestanddelen omvat, zodat het splitsingsstelsel in veel verdergaande mate zou worden gerealiseerd. Het uitgangspunt van de in artikel 2.4.4 [Rechtbank: artikel 2.17] neergelegde regeling is dat de belastingheffing zoveel mogelijk wordt geïndividualiseerd. Bij een aantal inkomstensbestanddelen en de bestanddelen van de rendementsgrondslag zou volledige individualisering – zoals we elders in deze paragraaf nader toelichten – kunnen leiden tot complexe toerekeningsproblemen bij partners, met name indien sprake is van een gezamenlijk vermogen. Toerekeningsproblemen kunnen ook ontstaan indien het uitgaven betreft die verband houden met de kinderen van de partners. Omwille van de uitvoerbaarheid is gekozen voor een praktische regeling. De leden van de fractie van CDA vragen waarom ten behoeve van de eenvoud niet is gekozen voor een splitsingsstelsel. De leden van de SGP-fractie vragen waarom niet is overgegaan tot het uitbreiden van de inkomensbestanddelen waarvoor deze regeling geldt.
Het uitbreiden van de inkomensbestanddelen waarvoor deze regeling geldt achten wij niet opportuun. Immers, een vrije toerekening van inkomensbestanddelen die opkomen bij een van de partners en waarbij toerekening geen problemen oplevert zou strijdig zijn met de individualiseringsgedachte. In het wetsvoorstel ligt dus geen keuze voor het splitsingsstelsel besloten. Voor een beschouwing over het splitsingsstelsel verwijzen wij deze leden naar de Bouwstenennotitie deel I (juli 1994), blz. 252 tot en met 262.”
11. Bij de parlementaire behandeling Fiscale Vereenvoudigingswet 2010 is met betrekking tot het fiscaal partnerschap onder meer het volgende opgemerkt:
“Het voorstel komt op het volgende neer. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt een basispartnerbegrip opgenomen dat geldt voor alle belastingwetten. Tot dat begrip behoren gehuwden, geregistreerde partners en samenwonenden met een notarieel samenlevingscontract die in de GBA staan ingeschreven op hetzelfde woonadres. Vervolgens kan het basispartnerbegrip in de afzonderlijke wetten worden uitgebreid of kunnen de voorwaarden worden aangevuld. Daarbij geldt dat op basis van objectieve criteria wordt bepaald of er sprake is van partnerschap en wanneer het partnerschap begint en ophoudt te bestaan.
Voor de inkomstenbelasting geldt in aanvulling op het basispartnerbegrip dat ongehuwd samenwonenden met een gezamenlijk kind, een gezamenlijke eigen woning of een gezamenlijke pensioenregeling verplicht partner zijn als zij in de GBA staan ingeschreven op hetzelfde woonadres. Zij zijn ook verplicht partner als ze het voorafgaande jaar als partners kwalificeerden en nog steeds in de GBA op hetzelfde woonadres staan ingeschreven. Ongehuwd samenwonenden zonder notarieel samenlevingscontract, gezamenlijk kind, een gezamenlijke eigen woning of een gezamenlijke pensioenregeling zijn geen partners voor de inkomstenbelasting. Zij kunnen er straks niet meer voor kiezen om wel als partners te worden aangemerkt. Dit leidt er toe dat bijvoorbeeld samenwoners (waar onder studenten) zonder kinderen die samenwonen in een huurwoning pas als partners kunnen kwalificeren als zij een notarieel samenlevingscontract afsluiten of zich voor de toepassing van een pensioenregeling als partners hebben aangemeld.
(…)
In het eerste lid worden aanvullende partnercategorieën opgenomen op grond waarvan belastingplichtigen ook als partner kunnen kwalificeren. Voor alle aanvullende categorieën geldt als gemeenschappelijke eis dat de partners op hetzelfde woonadres in de GBA (bew. thans Brp) moeten staan ingeschreven of een naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland. Voor de aanvullende categorieën is gebruik gemaakt van de criteria die reeds zijn opgenomen in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, onder 3° tot en met 7° van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en die eerder zijn ontleend aan artikel 3.91, tweede lid , onderdeel b, onder 3° en 4°, van de Wet IB 2001. Niet alle objectieve criteria van artikel 3.91 van de Wet IB 2001 zijn volledig overgenomen. Er is bijvoorbeeld bij het criterium van de eigen woning sprake van partnerschap als beide ongehuwden mede-eigenaar zijn van de woning die zij samen bewonen. De voorwaarde dat er ook sprake moet zijn van (mede) aansprakelijkheid van de eigenwoningschuld is niet overgenomen, aangezien ook situaties waarin er geen sprake is van een eigenwoningschuld, naar maatschappelijke opvattingen sprake is van partnerschap. Het feit dat beiden eigenaar zijn van de woning is dan ook bepalend voor partnerschap.
(…)
In artikel 1.2, eerste lid, van de wet IB 2001 zijn objectieve criteria opgenomen op grond waarvan belastingplichtigen als partner kwalificeren. Vanuit uitvoeringsoverwegingen is ervoor gekozen om iemand ook als partner aan te merken indien deze in het voorafgaande jaar partner was en nog steeds op hetzelfde adres in de GBA staat ingeschreven. Aangezien er van het voorafgaande jaar wordt uitgegaan, treedt dit criterium in werking een jaar nadat het basispartnerbegrip en de aanvullende objectieve criteria in werking zijn getreden.”
Beoordeling
12. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 5a Algemene Wet inzake rijksbelastingen (AWR) in samenhang met artikel 1.2 eerste lid, onder f van de Wet IB 2001 eiser en zijn partner terecht verplicht als elkaars fiscaal partner zijn aangemerkt.
13. Voor zover eiser betoogt dat er sprake is van strijd met internationale verdragen of Europees recht op grond van de verplichte aanmerking als fiscaal partners op grond van artikel 1.2, eerste lid onder f van de Wet IB 2001, volgt de rechtbank eiser niet. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser en zijn partner ook op grond van artikel 1.2, eerste lid onder c van de Wet IB 2001 als fiscaal partner worden aangemerkt. De wetgever heeft bewust uiteengezet dat het aanwijzen van een partner in een pensioenregeling dusdanige economische verplichting over en weer tot stand brengt, dat dit valt onder het verplichte partnerschapbegrip. Eiser en zijn partner zijn weliswaar ongehuwd, maar staan wel op hetzelfde adres ingeschreven en hebben zelf de keuze gemaakt om voor de toepassing van de pensioenregeling elkaar als partners aan te melden. Dit brengt daardoor ook met zich dat de eiser en zijn partner, zolang zij staan ingeschreven op hetzelfde woonadres, als fiscaal partner voor de inkomstenbelasting worden gezien.
14. Met voornoemde parlementaire behandelingen (zie 10. en 11.) laat de wetgever verder zien dat gekozen is voor individualisering van de inkomstenbelasting, waarmee is beoogd de emancipatie en de economische zelfstandigheid van burgers te bevorderen. Voor zover eiser met zijn stelling betoogt dat hem de vrijheid moet worden gelaten om hun (gezins)leven naar eigen inzicht in te richten, zonder te worden geconfronteerd met aan hun keuzes verbonden fiscale gevolgen, miskent eiser dat de rechter niet kan treden in een beoordeling van de uitgangspunten die de wetgever binnen een dergelijk maatschappelijk en/of politiek debat kiest. De innerlijke waarde van de wet staat de rechter immers niet ter beoordeling.
15. Verder is er geen sprake van strijd met internationale verdragen of Europees recht. De rechtbank oordeelt dat de rechter, gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op fiscaal gebied toekomt, niet kan treden in de door de wetgever gebezigde gronden bij de door hem gemaakte keuzes. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever bewust niet over is gegaan tot individualisering van alle inkomensbestanddelen bij fiscaal partnerschap. Volledige individualisering zou volgens de wetgever kunnen leiden tot complexe toerekeningsproblemen bij partners. Voor de nog niet (volledig) geïndividualiseerde inkomensbestanddelen, de gemeenschappelijk inkomensbestanddelen, heeft de wetgever aan belastingplichtigen de keuze gelaten bij wie de gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten voor welk deel worden aangegeven. Aangezien dit uitgangspunt niet van redelijke grond ontbloot is, dient het door de rechter te worden gerespecteerd.
16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het fiscaal partnerschap niet in strijd is met internationale verdragen of Europees recht.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Schultinga, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.