RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-219744-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.S. Boonstra, advocaat te Rotterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. I.M. Schaafsma.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 9 juni 2025 tot en met 22 juli 2025 te Heerenveen en/of Leiden en/of Roermond en/of Gouda en/of Zaandam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen sieraden en/of contante geldbedragen en/of telefoons en/of bankpassen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door
een samenweefsel van verdichtsels, door bovengenoemde slachtoffers - zakelijk weergegeven -
hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2025 tot en met 16 juli 2025 te IJsselmuiden en/of Leidschendam en/of Rotterdam en/of Julianadorp en/of Bergen op Zoom, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer personen, te weten
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten
door bovengenoemde slachtoffers zakelijk weergegeven
hij in of omstreeks de periode van 9 juni 2025 tot en met 22 juli 2025 te Heerenveen en/of Rutten en/of Kampen en/of Nunspeet en/of Voorschoten en/of Leiden en/of Roermond en/of Julianadorp en/of Bergen op Zoom en/of Gouda en/of Rotterdam en/of Zaandam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, geldbedragen, te weten
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten bankpassen tot het gebruik waarvan hij niet gerechtigd was en (de bijbehorende) pincodes van bovengenoemde slachtoffers, door (meermalen) goederen te kopen en/of een geldbedrag bij een pinautomaat te pinnen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte niet als medepleger gekwalificeerd kan worden, nu hij enkel gefungeerd heeft als chauffeur. Daarnaast heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het dossier ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 9] onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat, zodat verdachte van deze oplichting dient te worden vrijgesproken. Het feit dat de telefoon van verdachte meerdere masten in Rotterdam heeft aangestraald, maakt niet dat de betrokkenheid van verdachte kan worden vastgesteld, aangezien Rotterdam een plek is waar verdachte geregeld komt.
Bovendien komt het tijdstip waarop de telefoon van verdachte een mast in Rotterdam heeft aangestraald en het moment van oplichting niet overeen.
Oordeel van de rechtbank
Vooraf
Vanaf maart 2025 tot en met juli 2025 heeft de politie meerdere aangiften ontvangen van diefstallen en oplichtingen middels babbeltrucs en nepagenten. Naar aanleiding van de aangifte van [slachtoffer 1] is verdachte samen met zijn medeverdachte op heterdaad aangehouden. Na onderzoek is gebleken dat verdachte in de maanden juni en juli 2025 mogelijk betrokken is geweest bij meerdere diefstallen en oplichtingen. Aan verdachte zijn in totaal 11 zaken ten laste gelegd in de vorm van diefstal dan wel oplichting. Dit is onder feit 1 en 2 ten laste gelegd. Voor een aantal van die zaken geldt dat verdachte daarnaast ook wordt verdacht van medeplegen van diefstal met een valse sleutel, omdat met de weggenomen dan wel afgegeven bankpassen geld zou zijn gepind. Dit is onder feit 3 ten laste gelegd.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte betrokken is geweest bij deze diefstallen en/of oplichtingen en wat zijn aandeel al dan niet is geweest.
Partiële vrijspraak feit 2 en feit 3
De rechtbank acht het onder 2 en 3 ten laste gelegde feit ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 9] (hierna ook: [slachtoffer 9] ) niet wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt. De raadsvrouw heeft ten aanzien van deze gebeurtenis een alternatief scenario geschetst. Volgens de raadsvrouw is verdachte vaker in Rotterdam, omdat zijn moeder en vriendin hier woonachtig zijn. Dit alternatief scenario kan naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk en onaannemelijk worden aangemerkt. Daarbij komt dat de telefoon van verdachte om 12:26 uur een GSM-mast in Rotterdam heeft aangestraald, terwijl de oplichting volgens aangeefster [slachtoffer 9] pas rond 20:15 uur heeft plaatsgevonden. Nu het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om de betrokkenheid van verdachte bij dit incident te kunnen vaststellen, zal de rechtbank verdachte hiervan partieel vrijspreken.
Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen1 toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Feitelijkheden
Aangeefster [slachtoffer 1] (zaaksdossier 1)
Aangeefster [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1] ), woonachtig aan de [adres], heeft verklaard dat zij op 22 juli 2025 op haar vaste telefoon werd gebeld door een man die zich voorstelde als medewerker van de politie. De man vertelde dat er die nacht mensen bij haar zouden inbreken en dat een collega onderweg was om contant geld en sieraden te fotograferen. Deze collega zou een naam en code noemen. Omstreeks 18:30 uur werd er door een jongen aangebeld. [slachtoffer 1] heeft een kluis voor de jongen geopend met daarin drie enveloppen met in totaal ongeveer 500,00 en heeft haar sieraden afgedaan.
Vervolgens werd telefonisch aan [slachtoffer 1] doorgegeven dat zij haar mobiele telefoon naar boven moest brengen. Toen zij weer beneden kwam, was de jongen weg. Haar twee pinpassen, sieraden en de 500,00 waren eveneens weg.2 Uit de bankafschriften van [slachtoffer 1] is gebleken dat er dezelfde dag met haar bankpas een bedrag van 500,00 bij een Geldmaat in Heerenveen, een bedrag van 200,00 bij de BP in Heerenveen en een bedrag van 200,00 bij de Shell aan de A6 is gepind.3
De politie heeft de beelden van de Shell aan de A6 in Rutten gevorderd.4 Vervolgens zijn de camerabeelden door een verbalisant bekeken. Uit de camerabeelden blijkt dat er op 22 juli 2025 een Seat Ibiza met kenteken [kenteken] aan komt rijden. Aan de bijrijderszijde stapt vervolgens een persoon uit die in de shop van het tankstation een pintransactie uitvoert.5
Op 22 juli 2025 wordt middels een ANPR-hit een Seat Ibiza met kenteken [kenteken] staande gehouden. Verdachte [verdachte] bleek de bestuurder van dit voertuig te zijn. Verbalisanten hebben het voertuig doorzocht en troffen hierbij in het dashboardkastje onder meer een bankpas op naam van mw [slachtoffer 1] , een groot geldbedrag, meerdere sieraden en meerdere bonnetjes van aangeschafte pre-paid kaarten aan.6
De politie heeft onderzoek gedaan naar de telefoon van verdachte. Hieruit is gebleken dat op 22 juli 2025 in de telefoon van verdachte is gezocht op het adres [adres] te Heerenveen.7
Aangeefster [slachtoffer 2] (zaaksdossier 11)
Aangeefster [slachtoffer 2] (hierna ook: [slachtoffer 2] ), woonachtig aan [adres], heeft verklaard dat zij op 12 juni 2025 werd gebeld door een man die vroeg of zij geld in huis had. Omstreeks 12:30 uur werd er door een man aangebeld. [slachtoffer 2] is vervolgens naar boven gegaan. Toen zij weer beneden kwam, was de man ervandoor. Ook haar geld en pinpas waren weg. Voorts is omstreeks 13:36 uur met de bankpas van [slachtoffer 2] 500,00 gepind bij een Geldmaat in Leiden.8 Uit onderzoek naar de telefoon van verdachte is gebleken dat de telefoon van verdachte op 12 juni 2025 tussen 13:06 uur en 16:36 uur meerdere malen een GSM-mast in de directe omgeving van de plaats van het incident heeft aangestraald.9 Daarnaast heeft de medeverdachte [medeverdachte] verklaard dat hij, met uitzondering van een incident in Apeldoorn, altijd met “ [bijnaam verdachte] ” was.10 Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij onder deze naam contact had met medeverdachte [medeverdachte] .11
Aangeefster [slachtoffer 3] (zaaksdossier 17)
Aangeefster [slachtoffer 3] (hierna ook: [slachtoffer 3] ), woonachtig aan [adres], heeft verklaard dat zij op 9 juni 2025 op haar vaste telefoon werd gebeld door een man die zich voorstelde als medewerker van de politie. De man vertelde dat er vannacht gepoogd was in te breken bij [slachtoffer 3] . De man gaf aan
dat er een collega van de politie zou komen om sieraden op te halen. Omstreeks 15:49 uur werd er door een man aangebeld. De man gaf een code en een naam door aan [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] heeft de man binnengelaten en heeft haar sieraden getoond. Vervolgens werd [slachtoffer 3] verzocht naar de hal te gaan. Toen [slachtoffer 3] terugkwam was de man verdwenen en waren haar mobiele telefoon, betaalpas en sieraden weg. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij met een omstander de ABN-Amro heeft gebeld (de rechtbank begrijpt: nadat de man vertrokken was) en dat zij te horen kreeg dat er al 500,00 was opgenomen met haar betaalpas.12 Verdachte heeft zijn betrokkenheid als chauffeur ter terechtzitting bekend.13
Aangeefster [slachtoffer 4] (zaaksdossier 22)
Aangeefster [slachtoffer 4] (hierna ook: [slachtoffer 4] ), woonachtig aan [adres], heeft verklaard dat zij op 26 juni 2025 op haar huistelefoon werd gebeld door een man die zich voorstelde als medewerker van de politie. De man vertelde dat er geld van de rekening van [slachtoffer 4] was gehaald. De man vroeg of [slachtoffer 4] goud in huis had en vertelde dat er een collega langs zou komen om haar bankpas op te halen en een foto van het goud te maken. Omstreeks 18:00 uur belde er een jongen aan. [slachtoffer 4] heeft haar sieraden en haar bankpas op de eettafel neergelegd. Vervolgens heeft [slachtoffer 4] de woonkamer verlaten. Toen zij terugkwam was de jongen weg met het goud en de bankpas. De pincode had [slachtoffer 4] al telefonisch doorgegeven. Met de bankpas zijn vervolgens betalingen/afschrijvingen verricht van 500,00, 200,00, 7,50 en twee keer 100,00 aan [adres] , de Albert Heijn te [wijk] , de Esso in [buurtschap] en in Rotterdam.14 Verdachte heeft zijn betrokkenheid als chauffeur ter terechtzitting bekend.15
De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het adres [adres] de wijk [wijk] en het buurtschap [buurtschap] in Gouda zijn gelegen.
Aangeefster [slachtoffer 5] (zaaksdossier 31)
Aangeefster [slachtoffer 5] (hierna ook: [slachtoffer 5] ), woonachtig aan [adres], heeft verklaard dat zij op 9 juli 2025 op haar huistelefoon werd gebeld door een man die zich voorstelde als medewerker van de politie. De man vertelde dat op de telefoon van een aangehouden verdachte een foto zou zijn gevonden van de deur van [slachtoffer 5] . De man vertelde dat er een persoon aan de deur zou komen en een code zou noemen. Omstreeks 15:30 uur werd er aangebeld door een man die een naam en code noemde. [slachtoffer 5] heeft haar bankpassen, inclusief code, en een contant geldbedrag van 90,00 klaargelegd voor de man. Vervolgens gaf de man aan de telefoon aan dat [slachtoffer 5] naar boven moest gaan. Toen [slachtoffer 5] weer naar beneden kwam, zag zij dat de man niet meer beneden was en dat haar bankpas, het contante geldbedrag en haar telefoon weg waren. Op het moment dat [slachtoffer 5] op haar bankrekening keek, zag zij dat er een bedrag van 500,00 was gepind bij een Geldmaat in Zaandam.16 Verdachte heeft zijn betrokkenheid als chauffeur ter terechtzitting bekend.17
Aangeefster [slachtoffer 6] (zaaksdossier 8)
[naam] heeft namens haar moeder [slachtoffer 6] (hierna ook: [slachtoffer 6] ), woonachtig aan [adres], aangifte gedaan. Zij heeft verklaard dat zij van [slachtoffer 6] heeft gehoord dat er een bankpas was meegenomen. Op 16 juli 2025 is [slachtoffer 6] gebeld door een man die zich voorstelde als medewerker van de politie.18 De man vertelde dat de bankpas van [slachtoffer 6] zou zijn verlopen en dat deze moest worden vervangen. Daarnaast vroeg de man om het bankrekeningnummer en de bijbehorende pincode. Tijdens het gesprek kwam er een jongen aan de voordeur.19 Toen aangeefster op de rekening van [slachtoffer 6] keek, zag zij dat er tweemaal een bedrag van 500,00 en een bedrag van 3,99 was afgeschreven bij een Geldmaat in Kampen, een Geldmaat in Nunspeet en een Albert Heijn in Nunspeet.20 Verdachte heeft zijn betrokkenheid als chauffeur ter terechtzitting bekend.21
Aangever [slachtoffer 7] (zaaksdossier 9)
Aangever [slachtoffer 7] (hierna ook: [slachtoffer 7] ), woonachtig aan het [adres], heeft verklaard dat hij op 12 juli 2025 op zijn vaste telefoon werd gebeld door een man die zich voorstelde als medewerker van de politie. De man vertelde dat hij een nieuwe bankpas voor [slachtoffer 7] ging regelen. Via de telefoon heeft [slachtoffer 7] zijn pincode gegeven. Vervolgens werd er door een jongen aangebeld. De jongen noemde een code die overeenkwam met de code die telefonisch was doorgegeven. [slachtoffer 7] heeft vervolgens zijn bankpas aan de jongen meegegeven.22 Verdachte heeft zijn betrokkenheid als chauffeur ter terechtzitting bekend.23
Aangeefster [slachtoffer 8] (zaaksdossier 10)
Aangeefster [slachtoffer 8] (hierna ook: [slachtoffer 8] ), woonachtig aan [adres], heeft verklaard dat zij op 9 juli 2025 door een man werd gebeld die haar waarschuwde dat er vannacht bij haar zou worden ingebroken. De man vertelde dat er iemand aan de deur zou komen om de waardevolle spullen op te halen. Tien minuten later kwam er een jongen de oprit oplopen. De jongen gaf een code door aan [slachtoffer 8] . De jongen bleef herhalen dat hij van de politie was. De jongen verliet de woning met meerdere sieraden, bankpassen en een contant geldbedrag van 1.000,00.24 Telefonisch heeft [slachtoffer 8] haar pincode doorgegeven.25 Vervolgens is met de bankpas van [slachtoffer 8] een geldbedrag van
500,00 en een geldbedrag van 600,00 gepind bij een Geldmaat in Voorschoten.26 Verdachte heeft zijn betrokkenheid als chauffeur ter terechtzitting bekend.27
Aangever [slachtoffer 10] (zaaksdossier 18)
Aangever [slachtoffer 10] (hierna ook: [slachtoffer 10] ), woonachtig [adres], heeft verklaard dat hij op 11 juni 2025 op zijn vaste telefoon werd gebeld door een man die vertelde dat de politie twee inbrekers had aangehouden. De politie wilde voorkomen dat er bij [slachtoffer 10] spullen zouden worden gestolen. De man vertelde dat er een collega van hem aan de deur zou komen en een code zou noemen. Vervolgens verscheen er een man aan de deur die de verificatiecode noemde en om geld, sieraden, bankpassen en verzekeringen vroeg. [slachtoffer 10] heeft de man een contant geldbedrag van 115,00, twee bankpassen en een telefoon meegegeven. Van de bankrekening van [slachtoffer 10] is vervolgens een bedrag van 500,00 gepind bij een geldautomaat in Julianadorp.28 Verdachte heeft zijn betrokkenheid als chauffeur ter terechtzitting bekend.29
Aangever [slachtoffer 11] (zaaksdossier 21)
Aangever [slachtoffer 11] (hierna ook: [slachtoffer 11] ), woonachtig aan [adres], heeft verklaard dat hij op 18 juni 2025 op zijn huistelefoon werd gebeld door een man die zich voorstelde als medewerker van de politie. De man vertelde dat er vannacht ingebroken was in de woning van [slachtoffer 11] en dat er een poging was gedaan om geld van zijn rekening af te halen. De man vertelde dat hij een andere man van de politie zou langs sturen die vervolgens een naam en code zou noemen. Ook moest [slachtoffer 11] zijn pincode opnoemen, hetgeen hij heeft gedaan. Het duurde niet lang voordat er een man aan de deur stond.30 De man liep de woonkamer in en pakte de door [slachtoffer 11] klaargelegde goederen, te weten meerdere sieraden, een bankpas en een contant geldbedrag van ongeveer 7.000,00, en liep weer naar buiten. Vervolgens is er 500,00 van de rekening van [slachtoffer 11] afgeschreven bij een Geldmaat in Bergen op Zoom.31 Verdachte heeft zijn betrokkenheid als chauffeur ter terechtzitting bekend.32
Medeplegen
De politie heeft de telefoon van verdachte onderzocht, hieruit blijkt onder meer dat in de telefoon van verdachte de adressen van aangeefster [slachtoffer 1] , aangeefster [slachtoffer 4] , aangeefster [slachtoffer 5] , aangeefster [slachtoffer 6] en aangever [slachtoffer 7] zijn opgezocht.33 Daarnaast blijkt uit onderzoek naar de telefoon van verdachte dat er op 14 juli 2025 en op 16 juli 2025 met zijn toestel
eveneens locaties van geldautomaten in Leidschendam en Nunspeet zijn opgezocht.34 Aangeefster [slachtoffer 8] heeft verklaard dat er op 14 juli 2024 met haar ontvreemde bankpas is gepind in Leidschendam. 35 Aangeefster [slachtoffer 6] heeft verklaard dat er op 16 juli 2025 is gepind met haar ontvreemde bankpas in Nunspeet. 36 Voorts blijkt uit het onderzoek naar de telefoon van verdachte dat hij samen met medeverdachten aan chatgesprekken heeft deelgenomen.37 In deze chatgesprekken heeft verdachte onder meer gevraagd of hij nog langs kon komen voor doekoe (de rechtbank begrijpt: geld). 38
De medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de ontvreemde geldbedragen altijd in het dashboardkastje van het voertuig achterliet.39 Tijdens de aanhouding op 22 juli 2025 heeft de politie in het dashboardkastje van het voertuig, waarvan verdachte de bestuurder was, onder meer een groot geldbedrag, een bankpas en meerdere sieraden aangetroffen.40
Bewijsoverweging
Feitelijkheden
Aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] hebben niet verklaard dat zij hun pincode hebben afgegeven. Gelet op het feit dat er in die zaken wel geldopnames hebben plaatsgevonden kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn, dan dat er (al dan niet bewust) sprake is geweest van de afgifte van de pincode door aangevers.
Aangeefster [slachtoffer 2] heeft niet verklaard dat er tijdens het telefoongesprek dat zij met de oplichter had, gezegd is dat de persoon die haar belde een agent zou zijn. Gelet op de planmatige, gescripte en overeenkomstige werkwijze in de zaken waar de verdachte bij betrokken is, is de rechtbank van oordeel dat desondanks bewezen kan worden dat dit wel degelijk ook tegen aangeefster [slachtoffer 2] is gezegd.
Medeplegen
De rechtbank stelt op grond van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat verdachte betrokken is geweest bij de oplichtingen en diefstallen van bovengenoemde aangevers. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte gekwalificeerd dient te worden.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.41
De rechtbank stelt vast dat de rol van verdachte bestond uit het besturen van het voertuig en het rondrijden van medeverdachten naar adressen van de slachtoffers en naar geldautomaten waar vervolgens werd gepind met de ontvreemde bankpassen. Uit onderzoek naar de telefoon van verdachte is gebleken dat met zijn telefoon meerdere adressen van aangevers zijn opgezocht en dat er is gezocht naar locaties van geldautomaten in de buurt van plaatsen waar de diefstallen en oplichtingen hebben plaatsgevonden.
Bovendien heeft verdachte actief deelgenomen aan chatgesprekken met zijn medeverdachten, waarin lijkt te worden gesproken over oplichtingen als deze, waarbij adressen worden gedeeld en waarin verdachte na zijn aanhouding zelf meldt “ons aangehouden”. Daarnaast heeft medeverdachte [medeverdachte]
verklaard dat de ontvreemde goederen in het dashboardkastje van het voertuig van verdachte werden gelegd. Deze verklaring wordt ondersteund door het feit dat er na de aanhouding op 22 juli 2025 in het dashboardkastje ontvreemde goederen van aangever [slachtoffer 1] zijn aangetroffen. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat verdachte bij een groot aantal oplichtingen betrokken is geweest.
Hoewel een chauffeur in beginsel als medeplichtige zal worden aangemerkt, is de rechtbank, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verdachte niet enkel als chauffeur heeft opgetreden, maar dat zijn rol groter is geweest. Voornoemde omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, maken dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank een voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan de oplichtingen en diefstallen. Naar het oordeel van de rechtbank dient verdachte dan ook te worden aangemerkt als medepleger. De verklaring van verdachte dat hij niet altijd heeft geweten wat er ging gebeuren, acht de rechtbank ongeloofwaardig.
Conclusie
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan een meerdere diefstallen en oplichtingen. De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten dan ook wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de oplichting en diefstal van aangeefster [slachtoffer 9] en zal verdachte hiervan vrijspreken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feit 1, feit 2 en feit 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 9 juni 2025 tot en met 22 juli 2025 te Heerenveen, Leiden, Roermond, Gouda en Zaandam, tezamen en in vereniging met anderen,
toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen sieraden, contante geldbedragen, telefoons en bankpassen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, door bovengenoemde slachtoffers - zakelijk weergegeven -
- telefonisch te benaderen en zich voor te doen als medewerker van de politie,
hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2025 tot en met 16 juli 2025 te IJsselmuiden, Leidschendam, Rotterdam, Julianadorp en Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, personen, te weten
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten
door bovengenoemde slachtoffers zakelijk weergegeven
hij in de periode van 9 juni 2025 tot en met 22 juli 2025 te Heerenveen, Rutten, Kampen, Nunspeet, Voorschoten, Leiden, Roermond, Julianadorp, Bergen op Zoom, Gouda, Rotterdam en Zaandam, tezamen en in vereniging met anderen, geldbedragen, te weten
die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten bankpassen tot het gebruik waarvan hij niet gerechtigd was en de bijbehorende pincodes van bovengenoemde slachtoffers, door, meermalen, goederen te kopen en/of een geldbedrag bij een pinautomaat te pinnen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, meermalen gepleegd.
Feit 2:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
Feit 3:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor alle ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een taakstraf en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de duur van het voorarrest is gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte niet passend, nu dit ertoe zal leiden dat het huidige traject van begeleiding van verdachte zal worden onderbroken, verdachte zijn woning kwijt zal raken, hij zijn opleiding niet kan vervolgen en hij uit bewind zal raken, waardoor zijn schulden zullen oplopen. Bovendien is verdachte gelet op zijn psychische gesteldheid te kwetsbaar om een gevangenisstraf te ondergaan.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van zes weken samen met anderen schuldig gemaakt aan een groot aantal oplichtingen en diefstallen. Door middel van babbeltrucs zijn, van op leeftijd zijnde slachtoffers, waarvan het oudste slachtoffer 91 jaar was, op slinkse wijze onder meer grote hoeveelheden sieraden en geld bemachtigd. Verdachte trad hierbij op als chauffeur van de medeverdachten die bij de slachtoffers thuis kwamen. Daarnaast is gebleken dat verdachte de adressen van diverse slachtoffers heeft opgezocht, alsmede adressen van geldautomaten in de buurt. De slachtoffers waren in de veronderstelling dat de medeverdachten medewerkers van de politie betroffen. Met zijn handelen heeft verdachte het vertrouwen van de slachtoffers in de politie en de medemens, van wie zij vaak afhankelijk zijn, in ernstige mate geschaad. Dat juist oudere mensen tot slachtoffer zijn gemaakt, vindt de rechtbank extra kwalijk, omdat deze mensen doorgaans kwetsbaarder en afhankelijker zijn van anderen. Daarnaast heeft verdachte grote financiële en emotionele schade bij de slachtoffers aangericht. Naast grote geldbedragen, is er eveneens een groot aantal sieraden bemachtigd. De slachtoffers hadden deze sieraden vaak al lang in hun (familie)bezit en vertegenwoordigen dan ook vaak een emotionele waarde die niet in geld is uit te drukken. Desondanks heeft verdachte met zijn handelen enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.
Persoon van verdachte
Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit de justitiële documentatie van 29 december 2025 blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De rechtbank heeft daarnaast gelet op het reclasseringsrapport van 30 december 2025. Uit het rapport blijkt dat de reclassering problematiek constateert op verschillende leefgebieden. Er is gedurende langere tijd sprake van psychische problematiek bij verdachte. Verdachte beschikt niet over adequate copingvaardigheden en gebruikt al enige tijd cannabis om met zijn psychische problematiek om te gaan. Daarnaast is er gedurende langere tijd sprake van financiële problematiek en gebrek aan financiële vaardigheden. Het recidiverisico wordt door de reclassering als gemiddeld ingeschat. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling met een mogelijke kortdurende klinische opname, dagbesteding en ambulante begeleiding. Verdachte heeft ter terechtzitting ingestemd met naleving van die voorwaarden.
Op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van langere duur de enige passende straf is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere afdoening van de zaak miskend zou worden. Naast de ernst van het feit heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank ziet hierin, anders dan door de raadsvrouw is aangevoerd, echter geen aanleiding om een andere strafmodaliteit op te leggen. De rechtbank acht de eis van de officier van justitie passend en zal deze dan ook volgen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk passend en oplegging daarvan geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden verbinden, waaraan verdachte zich gedurende een proeftijd van drie jaren moet houden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis
De voorlopige hechtenis van verdachte is op 11 september 2025 onder voorwaarden geschorst. De officier van justitie heeft gevorderd dat het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis zal worden opgeheven, zodat de voorlopige hechtenis van verdachte zal herleven. De rechtbank zal die vordering afwijzen en overweegt daartoe als volgt. Bij de beslissing of tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis kan worden overgegaan, dient de rechtbank een afweging te maken tussen de belangen van strafvordering en de persoonlijke belangen van verdachte. Bij het maken van die afweging staat voorop dat voorlopige hechtenis een ingrijpend dwangmiddel is, dat terughoudend moet worden toegepast. Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025 blijkt dat de omstandigheid dat bij een veroordelend vonnis een gevangenisstraf wordt opgelegd die de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis overstijgt, geen zelfstandige grond is voor opheffing van de schorsing.42 De schorsingsperiode, die inmiddels ruim vier maanden heeft geduurd, is positief verlopen. Verdachte houdt zich aan de gestelde voorwaarden en heeft bovendien verklaard baat te hebben bij de begeleiding van de reclassering. De rechtbank stelt dan ook vast dat de schorsingsperiode verdachte ten goede is gekomen en het gevaar voor recidive is afgenomen. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om de schorsing te laten voortduren.
Benadeelde partij
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen voor gehele toewijzing in aanmerking komen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd de hoofdelijkheid toe te passen voor zover de vordering van toepassing is op zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] .
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 11] met betrekking tot het weggenomen contante geldbedrag gematigd dient te worden, nu het weggenomen geldbedrag niet exact kan worden vastgesteld. De raadsvrouw heeft ten aanzien van de overige verzoeken tot schadevergoeding geen verweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 1] Materiële schade
De benadeelde partij heeft 400,00 aan vergoeding van materiële schade gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde feit. De vordering waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Het totaal aan toe te wijzen schade bedraagt daarmee 400,00.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 2] Materiële schade
De benadeelde partij heeft 500,00 aan vergoeding van materiële schade gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde feit. De vordering waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Het totaal aan toe te wijzen schade bedraagt daarmee 500,00.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 3] Materiële schade
De benadeelde partij heeft 724,88 aan vergoeding van materiële schade gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten. De vordering waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft daarnaast 350,00 aan vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van angst, schuld en wantrouwen vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de gevolgen die de aard en ernst van de normschending voor de benadeelde partij heeft gehad, niet dermate ingrijpend zijn (en van de gebruikelijke gevolgen afwijkend) dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon op andere wijze.43 De rechtbank zal de vordering van immateriële schade dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het totaal aan toe te wijzen schade bedraagt daarmee 724,88.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 5] Materiële schade
De benadeelde partij heeft 1.153,89 aan materiële schade gevorderd. De schadeposten betreffende de aanschaf van een nieuwe telefoon ( 558,89) en het gepinde geldbedrag met de ontvreemde pinpas van aangever ( 500,00) zal de rechtbank toewijzen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten. Deze schadeposten zijn niet door de verdediging betwist.
De rechtbank zal de schadepost betreffende het weggenomen contante geldbedrag ( 95,00) gedeeltelijk toewijzen. Uit de aangifte blijkt dat er een contant geldbedrag van 90,00 door de medeverdachte is weggenomen. De rechtbank zal de schadepost, die niet door de verdediging is betwist, matigen tot het bedrag zoals genoemd in de aangifte. De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.
Het totaal aan toe te wijzen schade bedraagt daarmee 1.148,89.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 11] Materiële schade
De benadeelde partij heeft 7.500,00 aan materiële schade gevorderd. De schadepost betreffende het gepinde geldbedrag met de ontvreemde pinpas van aangever ( 500,00) zal de rechtbank toewijzen. Naar
het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten.
De rechtbank zal de schadepost betreffende het weggenomen contante geldbedrag
( 7.000,00) eveneens toewijzen. De benadeelde partij heeft de schadepost gemotiveerd onderbouwd. De rechtbank ziet daarnaast geen reden om te twijfelen aan de aangifte. Bovendien blijkt uit het dossier dat er fotos zijn aangetroffen die zijn gemaakt in de woning van verdachte. Op deze fotos is een grote stapel contant geld zichtbaar. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank gelet op het voorgaande niet onrechtmatig voor, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om het gevorderde bedrag te matigen.
Het totaal aan toe te wijzen schade bedraagt daarmee 7.500,00.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt tekens vast dat verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door (één van) de medeverdachte(n) is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank telkens de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal verdachte telkens veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de toegewezen schadebedragen telkens toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.
In beslag genomen goederen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen personenauto en telefoon verbeurd verklaard dienen te worden, nu met behulp van deze goederen de strafbare feiten zijn begaan.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de personenauto en telefoon dienen te worden teruggegeven aan verdachte.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat het voertuig weliswaar op de naam van de partner van verdachte staat, maar in feite in eigendom van verdachte was. Verdachte heeft verklaard dat hij nagenoeg de enige is die het voertuig gebruikt en dat de auto is overschreven op zijn partner in overleg met zijn bewindvoerder. De partner heeft zelf geen rijbewijs. De rechtbank zal de in beslag genomen personenauto en de telefoon verbeurd verklaren, nu de bewezenverklaarde feiten met behulp van deze goederen zijn begaan.
Verdachte heeft met dit voertuig meermalen personen rondgereden om de oplichtingen en diefstallen uit te voeren en heeft op zijn telefoon meerdere adressen van slachtoffers en geldautomaten opgezocht.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 47, 57, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
1. dat de veroordeelde zich zal melden bij GGZ Reclassering Fivoor, [adres] , op de door de reclassering te bepalen plaatsen en tijdstippen, zolang en zo vaak de reclassering dat nodig vindt.
2. dat de veroordeelde zich zal laten behandelen door GGZ Delftland of een soortgelijke zorgverlener, zulks ter bepaling van de reclassering, teneinde zich te laten behandelen voor zijn psychische problematiek en verslavingsproblematiek, en indien nodig mee zal werken aan diagnostiek. Indien daartoe aanleiding is, zoals bij een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld van de veroordeelde, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal veroordeelde zich, nadat dit door de rechter is bevolen, laten opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor de plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal 7 weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;
3. dat de veroordeelde zich zal inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk, een opleiding en/of vrijetijdsbesteding, zulks ter goedkeuring van de reclassering.
4. dat de veroordeelde zich zal laten begeleiden door E25 of een soortgelijke zorgverlener, zulks ter bepaling van de reclassering, voor zolang de reclassering dit nodig acht.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Wijst de vordering tot opheffing van de schorsing af.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1], feit 3
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 1] te betalen:
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 400,00 (zegge: vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 4 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2] , feit 3
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 2] te betalen:
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 5 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 3] , feit 1 en feit 3
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 3] te betalen:
Verklaart de vordering van [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 724,88 (zegge: zevenhonderdvierentwintig euro en achtentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 7 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 5] , feit 1 en feit 3
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 5] te betalen:
- het bedrag van 1.148,89 (zegge: duizendhonderdachtenveertig euro en negenentachtig eurocent);
Wijst de vordering van [slachtoffer 5] voor het overige af.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.148,89 (zegge: duizendhonderdachtenveertig euro en negenentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 11 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 11] , feit 2 en feit 3
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 11] te betalen:
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 11] aan de Staat te betalen een bedrag van 7.500 (zegge: zevenduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 62 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen goederen:
- personenauto Seat Ibiza met kenteken [kenteken] (goednummer: PL0100-2025196785-1850380);
- telefoon (goednummer: PL0100-2025196785-1850412).
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Maring, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door mr. R.D. Ensel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 januari 2026.
1. Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpaginas betreft dit delen van ambtsedige
processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2025196785, doorgenummerd 1 tot en met 1030.
2 p. 399.
3 p. 404.
4 p. 450.
5 p. 434.
6 p. 226, 227 en 228.
7 p. 314.
8 p. 579.
9 p. 608.
10 p. 217.
11 p. 138
12 p. 682 en p. 683.
13 de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 januari 2026.
14 p. 759 en p. 760.
15 de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 januari 2026.
16 p. 919 en p. 920.
17 de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 januari 2026.
18 p. 482.
19 p. 483.
20 p. 482.
21 de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 januari 2026.
22 p. 519.
23 de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 januari 2026.
24 p. 534 en p. 535.
25 p. 537.
26 p. 537.
27 de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 januari 2026.
28 p. 696 en p. 697.
29 de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 januari 2026.
30 p. 737.
31 p. 738.
32 de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 januari 2026.
33 p. 314 en p. 315.
34 p. 316.
35 p. 537.
36 p. 482.
37 p. 316 en p. 317
38 p. 285.
39 p. 218.
40 p. 227 en p. 228.
41 HR 14 april 2025, ECLI:NL:HR:2015:928.
42 HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987.
43 HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1118.