RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.219712.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. I.M. Schaafsma.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 24 maart 2025 tot en met 22 juli 2025 te Heerenveen en/of Leiden en/of Amstelveen en/of Roermond en/of Gouda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen sieraden en/of contante geldbedragen en/of telefoons en/of bankpassen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, door bovengenoemde slachtoffers - zakelijk weergegeven -
2.
hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2025 tot en met 16 juli 2025 te IJsselmuiden em/of Leidschendam en/of Bilthoven en/of Leiden en/of Rotterdam en/of Julianadorp en/of Bergen op Zoom en/of Roermond en/of Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door
het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer personen, te weten
- [ slachtoffer 8] , en/of
- [ slachtoffer 9] , en/of
- [ slachtoffer 10] , en/of
- [ slachtoffer 11] , en/of
- [ slachtoffer 12] , en/of
- [ slachtoffer 13] , en/of
- [ slachtoffer 14] , en/of
- [ slachtoffer 15] , en/of
- [ slachtoffer 16] , en/of
- [ slachtoffer 17] , en/of
- [ slachtoffer 18] , en/of
- [ slachtoffer 19] , en/of
- [ slachtoffer 20] ,
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten
- sieraden,
- contante geldbedragen,
- telefoons, en/of
- bankpassen met bijbehorende pincodes
door bovengenoemde slachtoffers zakelijk weergegeven
- telefonisch te benaderen en zich voor te doen als medewerker van de politie,
- hen voor te houden dat er gevaar voor inbraak dreigde en/of hun bankpas vervangen moest worden en/of op een andere wijze voor te houden dat er een probleem was en dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), hen zou(den) helpen het probleem te verhelpen door (onder andere) te verzoeken waardevolle goederen zoals sieraden en/of contante bedragen en/of telefoons en/of bankpassen klaar te leggen, en/of
- naar de woning van bovengenoemde slachtoffers toe te gaan om de genoemde waardevolle goederen te fotograferen en/of in ontvangst te nemen en/of mee te nemen, waardoor bovengenoemde slachtoffers werden bewogen tot voornoemde afgifte;
3.
hij in of omstreeks de periode van 6 maart 2025 tot en met 22 juli 2025 te Heerenveen en/of Rutten en/of Kampen en/of Nunspeet en/of Voorschoten en/of Leiden en/of Bilthoven en/of Roermond en/of Julianadorp en/of Bergen op Zoom en/of Gouda en/of Rotterdam en/of Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, geldbedragen, te weten
- 1.400 euro te Heerenveen en/of Rutten van [slachtoffer 1] , en/of
- 1.003,99 euro te Kampen en/of Nunspeet van [slachtoffer 8] , en/of
- 1.100 euro te Voorschoten van [slachtoffer 10] , en/of
- 500 euro te Leiden van [slachtoffer 2] , en/of
- 170 euro te Bilthoven van [slachtoffer 11] , en/of
- 500 euro te Roermond van [slachtoffer 4] , en/of
- 500 euro te Julianadorp van [slachtoffer 15] , en/of
- 500 euro te Bergen op Zoom van [slachtoffer 16] , en/of
- 907,50 euro te Gouda en/of Rotterdam van [slachtoffer 5] , en/of
- 990 euro te Rotterdam van [slachtoffer 17] , en/of
- 1.502,50 euro te Rotterdam en/of Apeldoorn van [slachtoffer 19] ,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten bankpassen tot het gebruik waarvan hij niet gerechtigd was en (de bijbehorende) pincodes van bovengenoemde slachtoffers, door (meermalen) goederen te kopen en/of een geldbedrag bij een pinautomaat te pinnen;
4.
hij op of omstreeks 13 maart 2025 te Woerden en/of Den Haag, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 1.000 euro, heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle ten laste gelegde feiten, met uitzondering van de onder 2 en 3 ten laste gelegde diefstal ten aanzien van [slachtoffer 10] .
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van de diefstal met betrekking tot aangeefster [slachtoffer 10] partieel dient te worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft ten aanzien van de overige feiten geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Partiële vrijspraak feit 2 en feit 3
Met de officier van justitie en de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat het dossier ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten met betrekking tot aangeefster [slachtoffer 10] onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat, zodat de rechtbank verdachte hiervan partieel zal vrijspreken. Aan de hand van het dossier kan de betrokkenheid van verdachte niet worden vastgesteld.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
De rechtbank past de bewijsmiddelen toe zoals die zullen worden opgenomen in een eventueel later op te maken aanvulling van dit vonnis. Deze bewijsmiddelen bevatten de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverweging
Aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 17] hebben niet verklaard dat zij hun pincode hebben afgegeven. Gelet op het feit dat er in die zaken wel geldopnames hebben plaatsgevonden kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn, dan dat er (al dan niet bewust) sprake is geweest van de afgifte van de pincode door aangevers.
Aangeefsters [slachtoffer 2] en [slachtoffer 13] hebben niet verklaard dat er tijdens het telefoongesprek dat zij met de oplichter hadden, gezegd is dat de persoon die hun belde een agent zou zijn. Gelet op de planmatige, gescripte en overeenkomstige werkwijze in de zaken waar de verdachte bij betrokken is, is de rechtbank van oordeel dat desondanks bewezen kan worden dat dit wel degelijk ook tegen aangeefsters [slachtoffer 2] en [slachtoffer 13] is gezegd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de feiten 1, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 24 maart 2025 tot en met 22 juli 2025 te Heerenveen, Leiden, Amstelveen, Roermond en Gouda, tezamen en in vereniging met anderen,
toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen sieraden, contante geldbedragen, telefoons en bankpassen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, door bovengenoemde slachtoffers - zakelijk weergegeven -
- eenmaal binnen in de woning (terwijl bovengenoemde slachtoffers hun aandacht elders hadden) de (klaar gelegde) sieraden en/of contante geldbedragen en/of telefoons en/of bankpassen mee te nemen;
2.
hij in de periode van 4 maart 2025 tot en met 16 juli 2025 te IJsselmuiden, Leidschendam, Bilthoven, Leiden, Rotterdam, Julianadorp, Bergen op Zoom, Roermond en Apeldoorn, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, personen, te weten
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten
door bovengenoemde slachtoffers zakelijk weergegeven
3.
hij in de periode van 6 maart 2025 tot en met 22 juli 2025 te Heerenveen, Rutten, Kampen, Nunspeet, Voorschoten, Leiden, Bilthoven, Roermond, Julianadorp, Bergen op Zoom, Gouda, Rotterdam en Apeldoorn, tezamen en in vereniging met anderen, geldbedragen, te weten
die aan een ander toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten bankpassen tot het gebruik waarvan hij niet gerechtigd was en de bijbehorende pincodes van bovengenoemde slachtoffers, door meermalen goederen te kopen en/of een geldbedrag bij een pinautomaat te pinnen;
4.
hij op 13 maart 2025 te Den Haag, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 1.000 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, meermalen gepleegd.
Feit 2:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
Feit 3:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
Feit 4:
witwassen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat toepassing wordt gegeven aan het jeugdstrafrecht en dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 360 dagen, waarvan 317 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat aan het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering geadviseerde voorwaarden worden verbonden met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de officier van justitie een werkstraf voor de duur van 200 uren gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft eveneens verzocht om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht. Volgens de raadsman is de eis van de officier van justitie passend. Een nu nog op te leggen onvoorwaardelijke
jeugddetentie van langere duur dan het ondergane voorarrest is niet wenselijk. Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende noodzaak bestaat voor de bijzondere voorwaarde die ziet op het verplicht innemen van medicatie. De overige bijzondere voorwaarden, zoals geformuleerd in het rapport van de reclassering, zijn wel passend en kunnen worden opgelegd.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim vier maanden samen met anderen schuldig gemaakt aan een groot aantal oplichtingen en diefstallen. Door middel van babbeltrucs zijn, van op leeftijd zijnde slachtoffers, waarvan het oudste slachtoffer 95 jaar was, op slinkse wijze onder meer grote hoeveelheden sieraden en geld bemachtigd. Verdachte was degene die bij de slachtoffers thuiskwam en de goederen van de slachtoffers meenam. Vervolgens heeft verdachte met de ontvreemde pinpassen geld gepind. De slachtoffers waren in de veronderstelling dat verdachte en zijn medeverdachten medewerkers van de politie betroffen. Met zijn handelen heeft verdachte het vertrouwen van de slachtoffers in de politie en de medemens, van wie zij vaak afhankelijk zijn, in ernstige mate geschaad. Dat juist oudere mensen tot slachtoffer zijn gemaakt, vindt de rechtbank extra kwalijk, omdat deze mensen doorgaans kwetsbaarder en afhankelijker zijn van anderen. Daarnaast heeft verdachte grote financiële en emotionele schade bij de slachtoffers aangericht. Naast grote geldbedragen, is er eveneens een groot aantal sieraden bemachtigd. De slachtoffers hadden deze sieraden vaak al lang in hun (familie)bezit en vertegenwoordigen dan ook vaak een emotionele waarde die niet in geld is uit te drukken. Desondanks heeft verdachte met zijn handelen enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Bovendien is verdachte na een eerdere aanhouding ter zake van soortgelijke feiten vrijwel direct doorgegaan met het plegen van oplichtingen en diefstallen. Het contact met de politie heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden om door te gaan met het plegen van strafbare feiten. Hij is hiermee pas gestopt nadat hij opnieuw werd aangehouden en in voorarrest kwam te zitten.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen door zijn bankrekeningnummer beschikbaar te stellen aan onbekend gebleven medeverdachten. Het slachtoffer heeft onder valse voorwendselen een bedrag van 1.000,00 overgemaakt op de bankrekeningnummer van verdachte. Met zijn handelen is verdachte mede verantwoordelijk voor deze oplichting. De rechtbank neemt dit alles verdachte kwalijk.
Persoon van verdachte
Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft de strafbare feiten gepleegd toen hij 19 jaar oud was. Uit de justitiële documentatie van 29 december 2025 blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De rechtbank heeft daarnaast gelet op het reclasseringsadvies van 31 december 2025. Verdachte is van 23 juli 2025 tot en met 4 september 2025 gedetineerd geweest, waarna zijn voorlopige hechtenis is geschorst onder een aantal voorwaarden. Het toezicht verloopt wisselend. Op 19 november 2025 heeft verdachte
een officiële waarschuwing gekregen, omdat hij zich niet heeft gehouden aan de meldplicht. Het contact met verdachte is inmiddels verbeterd. Daarnaast heeft verdachte zich ingezet voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van werk en school en is hij gestopt met gokken. Uit het rapport blijkt voorts dat de reclassering risicos constateert op meerdere leefgebieden. Zo worden financiën, het psychosociaal functioneren van verdachte, zijn gokverslaving en dagbesteding als risicofactoren aangemerkt. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld. Gelet op voornoemde risicofactoren acht de reclassering het wenselijk dat er toezicht en begeleiding plaats zal vinden. Bij veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening.
Toepassing volwassenstrafrecht of jeugdstrafrecht
De rechtbank stelt vast dat verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft begaan toen hij 19 jaar oud was. Het uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte die ten tijde van de strafbare feiten meerderjarig is, volgens het volwassenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank kan echter besluiten voor jongvolwassen met toepassing van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, jeugdsancties toe te passen indien daartoe grond wordt gevonden in de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.
De reclassering heeft geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen, onder meer gelet op de handelingsvaardigheden van verdachte. Zo schat verdachte de risicos van zijn handelen slecht in, heeft hij moeite met het organiseren van zijn eigen gedrag, handelt hij impulsief en lijkt hij gemakkelijk beïnvloedbaar te zijn. Daarnaast zie de reclassering pedagogische mogelijkheden voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Verdachte neemt nog actief deel aan een gezin en continuering van zijn schoolgang is noodzakelijk.
De rechtbank neemt gelet op het voorgaande het advies van de reclassering over en zal het jeugdstrafrecht toepassen. Daarbij heeft de rechtbank enerzijds in aanmerking genomen dat het jeugdstrafrecht passend is bij de handelingsvaardigheden van verdachte en dat hij nog kan profiteren van een pedagogische aanpak en anderzijds dat contra-indicaties voor de toepassing van het jeugdstrafrecht niet aan de orde zijn.
Ondanks het advies om het jeugdstrafrecht toe te passen, adviseert de reclassering om de volwassenreclassering met het toezicht te belasten. Verdachte wordt reeds begeleid door de volwassenreclassering. Daarnaast is verdachte in staat om zelfstandig op afspraken te komen en is er geen gezinsgerichte hulpverlening nodig.
Op te leggen straf
Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Ondanks de ernst van de feiten, zal de rechtbank aan verdachte geen langere jeugddetentie opleggen dan dat het voorarrest heeft geduurd. Aan verdachte wordt een deels voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 44 dagen. De rechtbank overweegt daartoe dat in het jeugdstrafrecht, anders dan in het volwassenstrafrecht, de nadruk vooral ligt op de pedagogische beïnvloeding en het voorkomen van recidive en minder op vergelding. De rechtbank is met de reclassering van oordeel dat het van belang is dat verdachte onder begeleiding en toezicht zal blijven staan, zodat het recidiverisico kan worden verminderd en laag blijft.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 360 dagen, met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest, waarvan 316 dagen voorwaardelijk, passend en oplegging daarvan geboden is. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering in haar rapport geformuleerde bijzondere voorwaarden verbinden, waaraan verdachte zich gedurende een proeftijd van twee jaren moet houden. De rechtbank ziet geen aanleiding om in de bijzondere voorwaarden op te nemen dat verdachte mee zal werken aan het innemen van medicatie, nu de noodzaak daartoe niet is gebleken. Gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies zal de rechtbank bepalen dat de volwassenreclassering het toezicht uitoefent. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf opleggen voor de duur van 200 uren.
Benadeelde partij
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
6. [ slachtoffer 12] , tot een bedrag van 578,00, bestaande uit materiële schade;
5. [ slachtoffer 19] , tot een bedrag van 2.032,50, bestaande uit 1.532,50 aan materiële schade en 500,00 aan immateriële schade.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen voor gehele toewijzing in aanmerking komen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd de hoofdelijkheid toe te passen voor zover de vordering van toepassing is op zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] .
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 1] Materiële schade
De benadeelde partij heeft 400,00 aan vergoeding van materiële schade gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde feit. De vordering waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Het totaal aan toe te wijzen schade bedraagt daarmee 400,00.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 2] Materiële schade
De benadeelde partij heeft 500,00 aan vergoeding van materiële schade gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde feit. De vordering waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Het totaal aan toe te wijzen schade bedraagt daarmee 500,00.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 4] Materiële schade
De benadeelde partij heeft 724,88 aan vergoeding van materiële schade gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten. De vordering waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft daarnaast 350,00 aan vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van angst, schuld en wantrouwen vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de gevolgen die de aard en ernst van de normschending voor de benadeelde partij heeft gehad, niet dermate ingrijpend zijn (en van de gebruikelijke gevolgen afwijkend) dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon op andere wijze.1 De rechtbank zal de vordering van immateriële schade dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het totaal aan toe te wijzen schade bedraagt daarmee 724,88.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 16] Materiële schade
De benadeelde partij heeft 7.500,00 aan vergoeding van materiële schade gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. De vordering waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Het subtotaal aan toe te wijzen schade bedraagt daarmee 7.500,00.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 12] Materiële schade
De benadeelde partij heeft 578,00 aan vergoeding van materiële schade gevorderd. De schadepost betreffende het weggenomen contante geldbedrag ( 100,00) zal de rechtbank toewijzen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde feiten. De schadepost waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen.
De rechtbank zal de schadepost betreffende de aanschaf van een nieuwe telefoon ( 478,00) niet-ontvankelijk verklaren. Nu de schadepost niet voorzien is van een onderbouwing, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het subtotaal aan toe te wijzen schade bedraagt daarmee 100,00.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 19] Materiële schade
De rechtbank begrijpt de toelichting op het ingevulde wensenformulier van de benadeelde partij aldus dat 1.532,50 aan vergoeding van materiële schade wordt gevorderd, bestaande uit 30,00 aan contant geld dat zou zijn weggenomen en 1.502,50 aan geld dat gepind zou zijn met de bankpassen van benadeelde partij. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. De vordering waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft daarnaast 500 aan vergoeding van immateriële schade gevorderd. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen kan in dit geval slechts vergoeding van immateriële schade worden toegewezen, indien er sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Gevoelens van angst, schuld en wantrouwen vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. De rechtbank zal de vordering van immateriële schade dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het totaal aan toe te wijzen schade bedraagt daarmee 1.532,50
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt telkens vast dat verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door (één van) de medeverdachte(n) is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank telkens de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. Het aantal dagen dat gijzeling kan worden toegepast bepaalt de rechtbank vanwege de toepassing van het jeugdstrafrecht telkens op nul.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal verdachte telkens veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de toegewezen schadebedragen telkens toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.
In beslag genomen goederen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen telefoon van verdachte verbeurd verklaard dient te worden. De ten laste gelegde feiten zijn met behulp van de telefoon begaan. Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag ter grootte van 49,10 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het bedrag eveneens verbeurd verklaard dient te worden.
Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte het geldbedrag heeft verworven middels het plegen van de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen goederen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de in beslag genomen telefoon vatbaar voor verbeurdverklaring, nu de bewezenverklaarde feiten met behulp van deze telefoon begaan. Verdachte heeft op zijn telefoon meerdere adressen van slachtoffers en locaties van geldautomaten opgezocht. De rechtbank acht het in beslag genomen geldbedrag ter grootte van 49,10 eveneens vatbaar voor verbeurdverklaring, nu dit bedrag aan verdachte toebehoort en aannemelijk is geworden dat dit bedrag geheel of grotendeels door middel van de bewezenverklaarde feiten is verkregen. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank dat verdachte ten tijde van de aanhouding geen beschikking had over een andere bron van inkomsten.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 360 dagen.
Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 316 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
1. dat de veroordeelde zich zal melden bij GGZ Reclassering Fivoor, [adres] , op de door de reclassering te bepalen plaatsen en tijdstippen, zolang en zo vaak de reclassering dat nodig vindt.
2. dat de veroordeelde zich zal laten behandelen door De Waag, Youz, Ambulant Centrum Fivoor, Brijder, Humanitas, Levvel of een soortgelijke zorgverlener, zulks ter bepaling van de reclassering, teneinde zich te laten behandelen voor zijn gokverslaving, het weerbaarder maken tegen sociale druk en het eerst nadenken en dan doen, indien en voor zolang de reclassering dat nodig vindt.
3. dat de veroordeelde zich zal inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk, een opleiding en/of vrijetijdsbesteding, zulks ter goedkeuring van de reclassering.
4. dat de veroordeelde mee zal werken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, waarbij de veroordeelde op aanwijzing van de reclassering inzicht zal geven in zijn financiële situatie.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1], feit 3
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 1] te betalen:
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 400,00 (zegge: vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast op 0 dagen.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2] , feit 3
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 2] te betalen:
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast op 0 dagen.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 4] , feit 1 en feit 3
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 4] te betalen:
Verklaart de vordering van [slachtoffer 4] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat te betalen een bedrag van 724,88 (zegge: zevenhonderdvierentwintig euro en achtentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast op 0 dagen.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 16] , feit 2 en feit 3
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 16] te betalen:
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 16] aan de Staat te betalen een bedrag van 7.500 (zegge: zevenduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast op 0 dagen.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 12] , feit 2
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 12] te betalen:
Verklaart de vordering van [slachtoffer 12] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 12] aan de Staat te betalen een bedrag van 100,00 (zegge: honderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast op 0 dagen.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 19] , feit 2 en feit 3
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 19] te betalen:
Verklaart de vordering van [slachtoffer 19] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 19] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.532,50 (zegge: duizendvijfhonderdtweeëndertig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast op 0 dagen.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen goederen:
- telefoon (goednummer: PL0100-2025196785-1850409);
- geldbedrag ter grootte van 49,10 (goednummer: PL0100-2025196785-1850389).
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Maring, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door mr. R.D. Ensel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 januari 2026.
1. HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1118.