RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[veroordeelde] ,
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/299808-22
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 5 februari 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde.
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 16 januari 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 108.178,00 ter ontneming van het uit het in de
zaak met parketnummer 18/299808-22 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 22 januari 2026. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. E.M. Bakx, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P. van der Vliet.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op 108.178,00. De officier van justitie heeft dat bedrag gebaseerd op de inhoud van het proces-verbaal witwassen d.d. 17 mei 2024.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de in de onderliggende strafzaak door haar bepleite vrijspraak.
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het volgende bewijsmiddel:
- het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 5 februari 2026 in de onderliggende strafzaak en de daarin opgenomen bewijsmiddelen.
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 5 februari 2026 in de zaak met parketnummer 18/299808-22 veroordeeld ter zake van gewoontewitwassen.
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van het door hem gepleegde strafbare feit. Op grond van deze veroordeling kan het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de baten van het bewezenverklaarde feit aan veroordeelde worden ontnomen.
Met betrekking tot de hoogte van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank neemt het proces-verbaal witwassen als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormeld strafbaar feit wordt geschat.
Uit de berekening in het proces-verbaal witwassen blijkt dat veroordeelde in totaal 108.178,00 wederrechtelijk aan voordeel heeft genoten. Dit bedrag betreft onverklaarbaar contant vermogen. In dit bedrag is het aankoopbedrag van een Rolex, te weten 9.850,00, meegenomen. Dit is in de hoofdzaak echter niet in de tenlastelegging opgenomen en derhalve ook niet bewezenverklaard. De rechtbank zal het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom vaststellen op 98.328,00. Nu de redelijke termijn is overschreden, zal de rechtbank een korting toepassen op dit bedrag en de betalingsverplichting vaststellen op
85.000,00.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank:
Wijst de vordering van de officier van justitie gedeeltelijk toe.
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 85.000,00.
Legt [veroordeelde] , voornoemd, de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 85.000,00 (zegge: vijfentachtigduizend euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 850 dagen.
Wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Deze uitspraak is gewezen door mr. H. van der Werff, voorzitter, mr. C. Brouwer en
mr. K. Offerein-Hulshoff, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2026.
Mr. K. Offerein-Hulshoff is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.