[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de inspecteur van de Belastingdienst Particulieren, kantoor Eindhoven, de inspecteur,
(gemachtigde: [naam 1] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 1 mei 2026.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2022 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.455.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiser € 490 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de belastingrentebeschikking.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiser heeft gereageerd op het verweerschrift.
De inspecteur heeft aanvullend verweer gevoerd.
Eiser heeft gereageerd op het aanvullende verweer.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de inspecteur van 1 mei 2026 op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, en namens van de inspecteur mr. [naam 2] en [naam 3] MSc LLB.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Feiten
Aan eiser is voor het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 uitstel verleend tot 1 mei 2024.
De inspecteur heeft op 16 april 2024 de aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 van eiser ontvangen. De aangifte is ingediend door een door eiser ingeschakelde boekhouder.
In de aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 staat onder meer opgenomen dat eiser € 4.821 inkomen van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft ontvangen.
De inspecteur heeft met dagtekening 7 juni 2024 een voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2022 opgelegd. Hij heeft daarbij de aangifte van eiser gevolgd. Uit de voorlopige aanslag volgt een te betalen bedrag van € 6.632 aan belasting. Bij de aanslag is € 473 belastingrente in rekening gebracht.
Bij brief van 29 juli 2025 heeft de inspecteur eiser meegedeeld dat hij voornemens is om bij het opleggen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2022 af te wijken van de aangifte van eiser. De afwijking betreft het inkomen ontvangen van de SVB. De inspecteur schrijft dat uit zijn informatie volgt dat eiser € 11.368 van de SVB heeft ontvangen.
Naar aanleiding van de brief van 29 juli 2025 hebben eiser en de inspecteur per e-mail gecorrespondeerd.
Met dagtekening 16 september 2025 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV voor het jaar 2022 vastgesteld. Daarbij is de inspecteur van de aangifte van eiser afgeweken zoals hij had aangekondigd in zijn brief van 29 juli 2025. Bij de aanslag is € 490 belastingrente in rekening gebracht.
Bij zijn aanvullend verweer heeft de inspecteur de aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 van eiser overgelegd. In die aangifte is een bedrag van € 4.821 opgenomen als inkomen ontvangen van de SVB.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt in deze zaak enkel of bij het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2022 terecht, en niet teveel, belastingrente in rekening is gebracht. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank oordeelt dat terecht en niet teveel belastingrente in rekening is gebracht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. In dit geval is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2022 belastingrente berekend omdat de aanslag hoger is dan de eerder opgelegde voorlopige aanslag (zie 2.4). De belastingrente is daarbij conform de wet- en regelgeving berekend.
6. Onder omstandigheden kunnen algemene beginselen van behoorlijk bestuur ertoe nopen dat minder, of helemaal geen, belastingrente wordt berekend. Daarvoor moet dan sprake zijn van bijzondere omstandigheden.
7. Eiser heeft de volgende omstandigheden aangevoerd:
8. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden opleveren op grond waarvan geen of minder belastingrente berekend had moeten worden. De belastingrente is het gevolg van een fout in de aangifte, waardoor de voorlopige aanslag naar een te laag bedrag is vastgesteld. Dat levert niet een situatie op waarin de algemene beginselen van behoorlijk bestuur aan het berekenen van belastingrente in de weg staan. De omstandigheden die eiser aanvoert maken dat niet anders.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat de belastingrentebeschikking niet verminderd wordt. Eiser krijgt zijn griffierecht daarom niet terug. Voor vergoeding van proceskosten bestaat ook geen aanleiding.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier.
Uitgesproken op 22 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.