RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer / rekestnummer: 12074238 \ AR VERZ 26-6
Beschikking van 24 juli 2026
in de zaak van
TOTALENERGIES EP NEDERLAND B.V.,
te Den Haag,
verzoekende partij in het verzoek ex artikel 7:761b BW,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: TEPNL,
gemachtigden: mr. F.E. Stewart en mr. Y.S. Farzanh,
tegen
[verweerder] ,
te [woonplaats] ,
verwerende partij in het verzoek ex artikel 7:761b BW,
verzoeker in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. S.H.S. ten Haaf.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties
- de dagbepaling voor de mondelinge behandeling
- het verzoek van partijen om aanhouding van de zaak
- de nieuwe dagbepaling voor de mondelinge behandeling
- het verweerschrift met producties
- de aanvullende producties 16 en 17 van TEPNL
- de mondelinge behandeling van 1 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de aanhouding van de beslissing
- het gezamenlijk verzoek van partijen van 10 juli 2026 om beschikking te wijzen.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
[verweerder] , geboren [geboortedatum] 1961, is sinds 1 augustus 1989 in dienst bij TEPNL. Tot 13 november 2018 heeft [verweerder] diverse functies in Nederland uitgeoefend.
Vanaf 13 november 2018 heeft [verweerder] als expat enkele functies in het buitenland vervuld voor (buitenlandse) vennootschappen die behoren toe het TotalEnergiesconcern.
Tot juni 2020 is hij werkzaam geweest in Nigeria. Deze opdracht is vanwege de Covid-19 pandemie voortijdig beëindigd. Na zijn terugkeer in Nederland heeft [verweerder] enige maanden werkzaamheden in Nederland verricht. In november 2020 is hij weer naar Nigeria gegaan. Per augustus 2022 heeft [verweerder] een nieuwe opdracht in het buitenland aanvaard, wederom in Nigeria. Per 1 april 2023 is [verweerder] in Denemarken gaan werken.
Gedurende de uitzendingen naar het buitenland is de arbeidsovereenkomst tussen TEPNL en [verweerder] opgeschort. [verweerder] is in deze buitenlandperiodes in dienst geweest bij TotalEnergies Gestion Internationale (TGI) op basis van met TGI gesloten arbeidsovereen-komsten. Tussen TEPNL en [verweerder] werd voorafgaand aan de uitzending naar het buitenland een ‘return letter’ of ‘contract of re-assignment’ gesloten waarin - kort gezegd - was bepaald dat de arbeidsovereenkomst tussen TEPNL en [verweerder] herleefde bij het eindigen van de opdracht in het buitenland.
De verwachting bij het aanvaarden van de laatste opdracht in Denemarken was dat deze zou duren tot 31 maart 2028. In december 2024 is door Total Denemarken echter een vooraankondiging gedaan dat de werkzaamheden voortijdig zouden eindigen. Op 15 februari 2025 is bevestigd dat het werk zou eindigen per 31 augustus 2025. Als gevolg van het in acht nemen van een opzegtermijn is het dienstverband tussen TGI en [verweerder] uiteindelijk ingaande 1 oktober 2025 geëindigd. De arbeidsovereenkomst tussen TEPNL en [verweerder] is per die datum herleefd.
Het is niet gelukt om voor [verweerder] werkzaamheden bij TEPNL te vinden. TEPNL heeft [verweerder] op 1 oktober 2025 een voorstel gedaan tot beëindiging van het dienstverband. [verweerder] heeft dit voorstel afgewezen.
Het TotalEnergiesconcern bestaat wereldwijd uit een groot aantal vennootschappen. Binnen het concern is een centraal platform, het Job Posting Platform, waarop vennootschappen hun openstaande vacatures kunnen plaatsen. Werknemers hebben toegang tot dit platform.
3. Het verzoek en het verweer
TEPNL verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden vanwege de in artikel 7:669 lid 3 onder h BW genoemde grond, onder toekenning van een transitie-vergoeding van € 123.021,92.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en refereert zich aan een oordeel voor een ambtshalve ontbinding op een andere grond. Verder verzoekt hij om een transitievergoeding van bruto € 196.823,00, althans bruto € 190.133,61 en om toekenning van een billijke vergoeding van bruto € 543.398,55, alsmede het behoud van bestaande rechten op 100 Total-aandelen.
Bij wijze van (zelfstandig voorwaardelijk) tegenverzoek vordert [verweerder] :
a. voor recht te verklaren dat het basissalaris per 1 oktober 2025 berekend dient te
worden op basis van de per die datum geldende wisselkoers, uitgaand van de weergave
door Oanda.com (1 CHF = 1,06932 EUR) en vast te stellen dat dit een bedrag van
€ 9.211,67 is, alsmede voor recht te verklaren dat het basissalaris met ingang van
1 januari 2026 € 9.488,02 bruto per maand bedraagt;
b. TEPNL te veroordelen tot betaling van het met ingang van 1 oktober 2025 op basis van
deze vaststelling achterstallige basissalaris, ex artikel 7:625 BW te vermeerderen met
de verschuldigde wettelijke verhoging daarover alsmede te vermeerderen met de
wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover, met ingang van de 1e van elke maand
volgend op die waarin dat volledige basissalaris betaald had moeten zijn tot aan de dag
der algehele voldoening;
c. te gelasten dat TEPNL binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking, althans
binnen 3 dagen na betekening daarvan aan [verweerder] op basis van de beschikking gecorrigeerde loonstroken (inclusief pensioenafdrachten vakantiegeldopbouwcorrectie) over de periode met ingang van 1 oktober 2025 tot aan de uitgevoerde correctie te verstrekken, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag voor elke dag dat TEPNL na betekening van de beschikking in gebreke blijft, tot een maximum van € 10.000,-;
d. TEPNL te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 365,42 terzake van buitengerechtelijke kosten, en, voor zover sprake zou zijn van een proceskostenveroor-deling, TEPNL in de proceskosten te veroordelen;
e. [verweerder] ten laste van TEPNL een kostenvergoeding voor juridische en financiële kosten van € 27.526,48 netto althans € 12.661,68 netto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag toe te kennen;
en in het verzoek en het tegenverzoek om:
TEPNL te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure (het salaris van de gemachtigde en € 144,- nakosten daaronder begrepen), met bepaling dat TEPNL de proceskostenveroordeling binnen veertien dagen na dagtekening aan [verweerder] dient te voldoen, bij gebreke waarvan TEPNL vanaf genoemde termijn de wettelijke rente over de proceskostenveroordeling verschuldigd wordt, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
TEPNL heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van [verweerder] .
4. De beoordeling
Het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst
TEPNL verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op basis van de zogenoemde h-grond. Dit is de in artikel 7:669 lid 3 onder h, BW genoemde opzeggings-ontbindingsgrond die volgens deze bepaling bestaat uit een andere dan de in artikel 7:669 lid 3 a tot en met g genoemde omstandigheden - omstandigheden die een redelijke opzeggings-/ontbindingsgrond vormen -, die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
Het primaire verweer van [verweerder] hiertegen is dat er in feite sprake is van een ontslag om bedrijfseconomische redenen - de onder artikel 7:669 lid 3 onder a, BW genoemde grond - en dat daarom het verzoek van TEPNL niet kan worden toegewezen.
De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] dit verweer terecht naar voren heeft gebracht. Daartoe geldt het volgende.
TEPNL heeft gesteld dat zij direct nadat in februari 2025 de beslissing van Total Denemarken dat de opdracht van [verweerder] zou eindigen duidelijk werd, is begonnen met het zoeken van een nieuwe functie voor [verweerder] . Hierin is zij echter niet geslaagd. Op functies bij andere vennootschappen binnen het concern heeft zij geen zicht. [verweerder] heeft zelf enige malen op vacatures via het Job Posting Platform gesolliciteerd, maar zonder succes. Volgens TEPNL is [verweerder] een zogenoemde bankzitter en is zijn situatie hetzelfde als die van de werknemer in de zogenoemde Shell-beschikking. Uit deze uitspraak van de Hoge Raad volgt dat de arbeidsovereenkomst met een werknemer in deze situatie kan worden ontbonden op grond van het bepaalde in artikel 7:669 lid 3 onder h, BW.
Uit het door [verweerder] aangevoerde en uit de door TEPNL gegeven toelichting leidt de kantonrechter af dat aan het tot op heden niet kunnen herplaatsen van [verweerder] bedrijfseconomische redenen ten grondslag liggen. TEPNL heeft gesteld dat het niet kunnen vinden van een nieuwe functie voor [verweerder] in hoofdzaak is te wijten aan het feit dat TEPNL krimpt en het aantal fte’s wordt verminderd. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat de gaswinningsactiviteiten op de Noordzee, waarvoor [verweerder] eerder werkzaam was, worden afgebouwd en binnen een aantal jaren zullen stoppen. TEPNL wordt om deze reden afgebouwd en zal worden beëindigd. TEPNL heeft begin 2025 al een vrijwillige vertrek-regeling geïntroduceerd waarmee 15 werknemers zijn vertrokken en vijf arbeidsovereen-komsten voor bepaalde tijd niet zijn verlengd. TEPNL heeft volgens haar zeggen gedurende de lopende periode gemotiveerde contractors nodig en als er terugkerende expats geplaatst moeten worden, blijven er geen gemotiveerde contractors over.
Deze achterliggende reden van het niet kunnen herplaatsen van [verweerder] betreft naar het oordeel van de kantonrechter bij uitstek een bedrijfseconomische reden zoals is bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder a, BW. Het gaat immers om het verval van functies in verband met het afbouwen van de activiteiten en niet om een reden die is gelegen in de persoon van [verweerder] . Het ontslag, dat wil zeggen de onderliggende reden en de keuzes die TEPNL daarbij maakt ten aanzien van haar personeelsbeleid, zal binnen dat kader moeten worden getoetst. De vergelijking met de Shell-beschikking zoals TEPNL die heeft gemaakt gaat niet op omdat deze concrete situatie daar niet speelde.
Sinds de invoering van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) in 2015 is de beoordeling van een ontslagaanvraag wegens een bedrijfseconomische reden voorbehouden aan het UWV. Een ontslagaanvraag waaraan deze reden ten grondslag ligt kan niet door middel van het aanvoeren van de h-grond bij de kantonrechter worden gebracht.
De kantonrechter ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om ambtshalve een andere ontbindingsgrond te hanteren. Daartoe is te weinig gesteld. Dit leidt er het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden afgewezen, zonder dat verder nog wordt ingegaan op herplaatsingsmogelijkheden. Ook over de (hoogte van) de transitievergoeding, een mogelijke billijke vergoeding en de aanspraak van [verweerder] op aandelen behoeft daarom niet te worden beslist en hetgeen in het kader van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst verder nog is aangevoerd behoeft niet te worden besproken.
De tegenverzoeken
Tussen partijen speelt verder een verschil van mening over de hoogte van het loon van [verweerder] . Dit verschil van mening is terug te voeren op de afspraken die zijn gemaakt in het kader van de tewerkstelling bij TGI en de terugkeer na het eindigen van de werkzaamheden in het buitenland.
In artikel 13.1.3 van de laatste arbeidsovereenkomst tussen TGI en [verweerder] was het basisloon vastgesteld op CHF 7.446,04. Artikel 13.1.3 (Exchange rate) luidt:
In order to determine the base salary and the origin allowance in Swiss Francs (CHF) for the assignment to Esbjerg, Denmark, the average exchange rate used is 1 EUR = 0.9888 CHF.
If the employee changes assignment, the base salary and the origin allowance in Swiss Francs (CHF) will be reviewed using the average exchange rate determined for the new assignment between the EUR and the CHF.
In artikel 3.1 van de ‘returnletter’ is bepaald:
On the date of revival of the employment agreement, the annual gross basic salary will
correspond to the latest recorded annual gross reference basic salary during the
international assignment at TotalEnergies Gestion Internationale.
[verweerder] ontving van TGI een loon in Zwitserse franken. Hij stelt zich op het standpunt dat TEPNL hem op grond van artikel 3.1 vanaf 1 oktober 2025 een loon in euro’s moet betalen dat is gebaseerd op de wisselkoers die gold op 1 oktober 2025. Deze wisselkoers was volgens hem op die datum 1 CHF = 1,06932 euro, hetgeen met inachtneming van het laatstelijk bij TGI genoten loon resulteert in een maandloon van
€ 9.211,67 bruto.
TEPNL heeft aangevoerd dat moet worden uitgegaan van het laatstverdiende loon bij TGI, maar met inachtneming van de in artikel 13.1.3 genoemde wisselkoers. [verweerder] heeft hiertegen aangevoerd dat TEPNL geen beroep toekomt op artikel 13.1.3 omdat dit een overeenkomst betreft tussen [verweerder] en TGI, waarbij TEPNL geen partij was.
De kantonrechter constateert dat in de overeenkomst tussen TEPNL en [verweerder] (vertaald in het Nederlands) is bepaald dat het loon bij terugkeer (herleving van de arbeidsovereenkomst) zal corresponderen (ofwel overeenstemmen) met het laatstgenoten loon bij TGI. Over een wisselkoersverhouding is niets bepaald. Artikel 13.1.3 is een onderdeel van de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en TGI en bepaalt de hoogte van het aanvangsloon bij TGI op basis van de in deze bepaling genoemde wisselkoersverhouding. Dit zegt echter niets over de situatie bij terugkeer van [verweerder] naar TEPNL, nog afgezien ervan dat TEPNL geen partij was bij de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en TGI en aan die overeenkomst daarom geen aanspraken kan ontlenen. De in artikel 13.1.3 genoemde wisselkoersverhouding kan dan ook geen maatstaf vormen voor de bepaling van het loon van [verweerder] bij TEPNL in euro’s vanaf 1 oktober 2025. Omdat in artikel 3.1, dat wel betrekking heeft op de terugkeer van [verweerder] bij TEPNL, niets anders is bepaald dan dat het loon bij TEPNL zal corresponderen met het laatstverdiende loon bij TGI, zal de omrekening bij afwezigheid van een gefixeerde omrekenfactor moeten plaatsvinden op basis van de op dat moment, in dit geval 1 oktober 2025, geldende wisselkoers. Immers leidt dat tot het loon dat overeenstemt met het laatste in Zwitserse franken genoten loon. Het door [verweerder] berekende en gestelde bedrag als zodanig is door TEPNL niet weersproken en daarom zal daarvan worden uitgegaan.
De verzoeken van [verweerder] onder a. en b., zullen gezien het voorgaande worden toegewezen. De kantonrechter betrekt daarbij dat loonsverhoging per 1 januari 2026 door Total niet is weersproken. De verzochte wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente zullen eveneens worden toegewezen omdat Total te laat is met (volledige) loonbetaling.
Het verzoek van [verweerder] onder c. tot het verstrekken van gecorrigeerde loonstroken zal eveneens worden toegewezen, zij het dat TEPNL deze loonstroken binnen een maand na dagtekening van deze beschikking zal dienen te verstrekken. De door [verweerder] in dit verband gevorderde dwangsom zal worden gematigd tot een bedrag van € 50,00 per maand, tot een maximum van € 1.000,00.
Voor het toewijzen van de verzochte vergoeding voor kosten van advies en bijstand is geen naar het oordeel van de kantonrechter geen grond. Er is en was tussen partijen sprake van een verschil van mening over de hiervoor behandelde onderwerpen, maar een dergelijk verschil van mening is niet ongebruikelijk. Dat, zoals [verweerder] heeft gesteld, er sprake was van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door TEPNL is niet gebleken.
Voor zover [verweerder] met dit onderdeel van het verzoek een volledige proceskosten-vergoeding beoogt zal dit worden afgewezen. Van het daartoe benodigde misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen aan de zijde van TEPNL is niet gebleken.
De eveneens verzochte toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten is door [verweerder] niet gemotiveerd en lijkt samen te hangen met de door hem verzochte transitievergoeding en billijke vergoeding. Omdat aan de beoordeling daarvan niet wordt toegekomen, is er geen grond voor toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten.
De proceskosten in het verzoek en in het tegenverzoek komen voor rekening van TEPNL, omdat zij (overwegend) ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden in het verzoek zowel als in het tegenverzoek begroot op € 865,00 (totaal € 1.730,00) aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van deze beschikking tot aan de dag van algehele voldoening. Indien TEPNL niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en tot betekening van deze beschikking wordt overgegaan, zal TEPNL tevens de kosten van betekening moeten betalen.
5. De beslissing
in het verzoek
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
in het tegenverzoek
verklaart voor recht dat het basisloon per 1 oktober 2025 berekend dient te
worden op basis van de per die datum geldende wisselkoers, uitgaand van de weergave
door Oanda.com (1 CHF = 1,06932 EUR) en stelt vast dat dit een bedrag van
€ 9.211,67 is en verklaart alsmede voor recht dat het basisloon met ingang van
1 januari 2026 € 9.488,02 bruto per maand bedraagt;
veroordeelt TEPNL tot betaling van het met ingang van 1 oktober 2025 op basis van de vaststelling onder 5.2 verschuldigde achterstallige basisloon, ex artikel 7:625 BW te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke verhoging daarover alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover, met ingang van de 1e van elke maand
volgend op die waarin dat volledige basisloon betaald had moeten zijn tot aan de dag
der algehele voldoening;
gelast TEPNL om binnen een maand na dagtekening van de beschikking aan [verweerder] op basis van de beschikking gecorrigeerde loonstroken (inclusief pensioenafdrachten vakantiegeldopbouwcorrectie) over de periode met ingang van 1 oktober 2025 tot aan de uitgevoerde correctie te verstrekken, zulks op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag voor elke dag dat TEPNL na betekening van de beschikking in gebreke blijft, tot een maximum van € 1.000,00;
wijst het anders of meer verzochte af;
in het verzoek en het tegenverzoek
veroordeelt TEPNL in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] begroot op
€ 1.730,00) aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van deze beschikking tot aan de dag van algehele voldoening. Indien TEPNL niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en tot betekening van deze beschikking wordt overgegaan, zal TEPNL tevens de kosten van betekening moeten betalen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft hetgeen is toegewezen onder 5.3, 5.4 en 5.6.
Deze beschikking is gegeven door mr. R. Giltay en in het openbaar uitgesproken op
24 juli 2026.
c. 324