ECLI:NL:RBNNE:2026:3132

ECLI:NL:RBNNE:2026:3132

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 15-07-2026
Datum publicatie 30-07-2026
Zaaknummer LEE 25/1777
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Mijnbouwschade. Het Instituut heeft terecht geoordeeld dat er geen sprake is van aardbevingsschade. Er is geen sprake van strijd met het motiveringsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , eiser

Instituut Mijnbouwschade Groningen

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/1777

(gemachtigde: mr. R.J.A. Steenbergen),

en

(gemachtigde: mr. A.H. Beijer en mr. S.C. Goldbohm).

1. Deze uitspraak gaat over het besluit tot afwijzing van de aanvraag van eiser voor de vergoeding van schade. Eiser is het niet eens met het besluit tot weigering van de schadevergoeding. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Instituut terecht heeft geweigerd om eiser schadevergoeding toe te kennen, dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd en dat er geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor vergoeding van schade door aardbevingen als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Het Instituut heeft deze aanvraag met het besluit van 1 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 april 2025 op het bezwaar van eiser is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Op 3 september 2025 heeft een regiezitting plaatsgevonden.

Het Instituut heeft op 30 oktober 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift, waarbij het Instituut een nader advies van 21 oktober 2025 heeft overgelegd van deskundige D. Kiestra (Kiestra) van 10BE ingenieurs en bouwkundig bureau (10BE).

Eiser heeft op 9 februari 2026 een aanvullende reactie gegeven op het verweerschrift en het nadere advies van Kiestra, waarbij eiser een contra-expertise van Vergnes Expertise B.V. (Vergnes) van 30 januari 2026 heeft overgelegd.

De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het Instituut, bijgestaan door deskundige Kiestra.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden

3. Eiser heeft op 20 mei 2023 bij het Instituut een aanvraag gedaan voor de vergoeding van schade aan zijn woning als gevolg van trillingen door mijnbouwactiviteiten.

Op 29 september 2023 heeft de door het Instituut benoemde deskundige, J. van Donselaar van 10BE (Van Donselaar), de schade aan de woning opgenomen. Hij heeft drie schades geconstateerd.

Van Donselaar heeft op 5 oktober 2023 een rapport opgemaakt, waarin hij adviseert om de aanvraag af te wijzen.

Eiser heeft een zienswijze op het rapport gegeven.

Het Instituut heeft de deskundige op 27 juni 2024 om nader advies gevraagd.

Van Donselaar heeft op 19 juli 2024 nader advies uitgebracht, waarbij hij een inhoudelijke reactie op de zienswijze heeft gegeven.

Het Instituut heeft in de zienswijze geen aanleiding gezien om af te wijken van het advies en heeft de aanvraag afgewezen in het primaire besluit.

Eiser heeft bezwaar gemaakt.

Het Instituut heeft een nader advies van een deskundige gevraagd. Deskundige H. Pierik (Pierik) van 10BE heeft dit nadere advies uitgebracht op 7 maart 2025.

Op 28 maart 2025 heeft eiser zijn bezwaren toegelicht tijdens een hoorzitting.

Het Instituut heeft het bezwaar op 10 april 2025 ongegrond verklaard.

In het bij het verweerschrift gevoegde nadere advies van 25 oktober 2025 heeft Kiestra de schades opnieuw beoordeeld. In navolging van dit advies heeft het Instituut de rechtbank in het verweerschrift verzocht om het beroep ongegrond te verklaren.

Bij zijn reactie van 9 februari 2026 heeft eiser een contra-expertise van Vergnes van 30 januari 2026 gevoegd.

Toetsingskader

4. Niet in geschil is dat het bewijsvermoeden van toepassing is op de schade aan de woning van eiser. Bij fysieke schade aan gebouwen en werken wordt op grond van het bewijsvermoeden vermoed dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk. Dat is alleen het geval als de schade naar haar aard redelijkerwijs schade zou kunnen zijn die is veroorzaakt door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of gasopslag bij Norg.

Het Instituut weerlegt het bewijsvermoeden als aan de hand van een deskundigenadvies is aangetoond dat de schade is te herleiden tot een evidente en autonome oorzaak, waarvan (met een hoge mate van zekerheid) aannemelijk is dat die bodembeweging als (mede)oorzaak van die schade uitsluit. Deze werkwijze is in de rechtspraak aanvaardbaar geacht.

In het kader van de vergewisplicht toetst het Instituut aan de hand van welke feiten de ingeschakelde deskundige tot de conclusie is gekomen dat er met een voldoende hoge mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak voor de schade is aan te wijzen. Het Instituut acht het bewijsvermoeden pas weerlegd als de deskundige een hoge mate van zekerheid heeft over de oorzaak van de door hem aangewezen schade. Van de deskundige wordt niet gevergd dat hij met 100% zekerheid kan uitsluiten dat de schade is ontstaan en/of verergerd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag een bestuursorgaan, als in een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze verslag is gedaan van het door de deskundige verrichte onderzoek en op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid naar voren zijn gebracht.

Heeft het Instituut terecht geoordeeld dat er geen sprake is van aardbevingsschade?

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de schades zijn veroorzaakt door aardbevingen als gevolg van mijnbouwactiviteiten en dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Hij voert aan dat er nader had moeten worden onderzocht of de cumulatieve effecten van trillingen in de loop der jaren van invloed zijn geweest op het ontstaan of het verergeren van de schades. Hij stelt dat het Instituut ten onrechte gebruik maakt van de trillingstool. Dit is namelijk geen algemeen aanvaarde internationale norm, zoals bijvoorbeeld de schaal van Richter. Eiser mist een onderbouwing waaruit blijkt dat de grenswaarden ook bij cumulatie voldoende veilig zijn. Eiser stelt dat de schades eerder zouden zijn ontstaan, als zij waren veroorzaakt door de oorzaken die de deskundigen van het Instituut aanvoeren. Ten aanzien van schade 1 stelt eiser dat er geen grote wisselingen zijn in de temperatuur of het vochtgehalte. Aan de andere zijde van de wand is bovendien geen schade zichtbaar. Ook is er geen zichtbare doorbuiging van de plafondvloer waar te nemen. Bij schade 2 en 3 merkt eiser op dat hij deze heeft opgemerkt op 16 november 2021, de dag van de aardbeving in Garrelsweer. Deze beving was ook in de stad Groningen goed voelbaar en heeft daar ook schade veroorzaakt.

Het Instituut blijft bij het standpunt dat de schades evident en aantoonbaar een andere uitsluitende oorzaak hebben dan bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Het verwijst naar de adviezen van zijn deskundigen en meent dat het zijn oordeel daarop mocht baseren. Het Instituut wijst daarnaast op rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waaruit blijkt dat het mag uitgaan van berekende trillingssnelheden en daarvoor de trillingstool mag gebruiken die is gebaseerd op het wetenschappelijk onderzoek van Bommer e.a. uit 2019. De maximaal berekende trillingssnelheid op de locatie van de woning van eiser is 6,78 mm/s. Het Instituut weegt de betekenis van deze trillingssnelheid af met het Beoordelingskader Mijnbouwschade. Op basis daarvan is gekeken naar de mogelijkheid dat de schade is ontstaan door overbelasting als gevolg van trillingen. Het Instituut gaat uit van een conservatievere maatstaf dan geldt bij een onverkorte toepassing van de SBR Trillingsrichtlijn. In de werkwijze van het Instituut wordt namelijk rekening gehouden met een extra veiligheidsfactor van 1,5, waarbij onder meer het risico van herhaalde trillingen wordt ondervangen, alsook de risico’s op triggerwerking of de verergering van schade. Als de grenswaarden niet zijn overschreden, is de kans op schade ruimschoots kleiner dan 1%. In dat geval is het niet aannemelijk dat de schade waar volgens de deskundige een autonome oorzaak voor bestaat tóch is ontstaan of verergerd door trillingen door aardbevingen. In dat geval is het bewijsvermoeden weerlegd.

De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank overweegt als volgt.

Schade 1 is een enkelvoudige, horizontale scheur, zichtbaar in het oppervlak. De scheur zit in de aansluiting van de wand en het plafond, heeft een wijdte tussen de 1 mm en 3 mm en een totale lengte van 0,7 m. Over schade 1 is in het advies van deskundige Kiestra aangegeven dat bij geringe doorbuiging, krimp of geringe temperatuurwerking van de plafondvloer ter plaatse van de aansluiting met de binnenwand spanningsconcentraties ontstaan in de afwerking, die zich uiten als een horizontale scheur tot circa 2 cm onder de plafondlijn. Het ontbreken van een flexibele voegafwerking heeft ertoe geleid dat deze spanningen niet konden worden geabsorbeerd, waardoor de spacklaag is gescheurd. Nu een flexibele voeg ontbreekt, ontstaat als gevolg van werking onder invloed van wisselingen in temperatuur en (lucht)vochtigheid scheurvorming in de harde spacklaag.

Schade 2 en 3 zijn enkelvoudige, grillige scheuren, zichtbaar in het plafond. Beide schades hebben een wijdte tussen de 1 mm en 3 mm. Schade 2 heeft een lengte van 3,2 m en schade 3 van 3 m. Over schade 2 en schade 3 heeft Kiestra aangegeven dat dit type schade regelmatig voorkomt bij nieuwbouw en kan worden verklaard vanuit het materiaalgedrag van beton en de wijze waarop de afwerking doorgaans wordt aangebracht. In het werk gestort beton ondergaat na plaatsing onvermijdelijk krimp en kruip. De aangebrachte plafondafwerking is een dunne, brosse laag die nauwelijks trek- of schuifspanningen kan opnemen. De afwerking kan de vervormingsverschillen van de onderliggende platen niet volgen. Dit resulteert in spanningsconcentraties die zich ontladen in de vorm van een doorgaande scheur, precies boven de voeg, aldus Kiestra.

De rechtbank stelt vast dat de verschillende deskundigen van het Instituut steeds dezelfde oorzaken hebben aangewezen voor de drie schades. In hun rapportages is op objectieve en onpartijdige wijze verslag is gedaan van het door de deskundigen verrichte onderzoek en op inzichtelijke wijze aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd. Deze conclusies acht de rechtbank niet onbegrijpelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Vergnes voor alle drie de schades onvoldoende tegen de deskundigenadviezen ingebracht om te twijfelen aan de juistheid daarvan. Ter zitting heeft Kiestra uitgelegd dat juist dit soort schade begint met haarscheurtjes die niet voor het blote oog zichtbaar zijn. Gedurende de tijd ontwikkelen deze zich tot zichtbare scheuren. Ook is uitgelegd dat de schades niet allemaal op hetzelfde moment ontstaan. De juistheid van de stelling van Vergnes, dat dit soort schade zich enkel kort na de oplevering van een pand kan openbaren, is niet gebleken.

Het Instituut heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht opgemerkt dat uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de deskundigen de trillingstool mochten gebruiken.

De stelling dat het Instituut niet heeft onderbouwd dat de grenswaarden ook bij cumulatie nog veilig zijn, kan de rechtbank niet volgen. Het Instituut heeft namelijk uitgelegd dat ook het risico van herhaalde trillingen is meegenomen door rekening te houden met een extra veiligheidsfactor van 1,5.

Is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel?

6. Eiser voert vervolgens aan dat het bestreden besluit onvolledig is gemotiveerd omdat uit het adviesrapport in bezwaar niet blijkt of de deskundige de schades opnieuw heeft beoordeeld en op grond van welk protocol. Ook is niet toegelicht wat het oude protocol inhoudt, op basis waarvan schades van buren zijn beoordeeld, en wat de verschillen zijn met het nieuwe protocol. Hierover heeft eiser tijdens de hoorzitting een opmerking gemaakt, maar hierop is niet gereageerd in het bestreden besluit. In zijn reactie op het verweerschrift weerspreekt eiser de stelling dat in het adviesrapport in bezwaar de vragen over schade 2 en 3 wel degelijk zijn beantwoord. Uit dat rapport blijkt volgens eiser niet op welke wijze de schades zijn beoordeeld. Dat er is volstaan met een kort, niet onderbouwd, antwoord is in de visie van eiser onvoldoende.

Het Instituut stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een motiveringsgebrek. Het Instituut wijst erop dat deskundige Pierik de gestelde vragen op pagina 7 van zijn advies heeft beantwoord. Met betrekking tot de schades 1 tot en met 3 is steeds gemotiveerd aangegeven waarom zij niet voor vergoeding in aanmerking komen en wat het toepasselijke toetsingskader is.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bestreden besluit en het daarbij behorende verslag van de hoorzitting, in samenhang met de verschillende adviesrapporten, duidelijk hoe de schades zijn beoordeeld en wat het verschil is met de beoordeling volgens het eerdere protocol. Als de deskundige niet zeker weet wat de schadeoorzaak is, wordt aangenomen dat er sprake is van aardbevingsschade. Als de deskundige wel zekerheid heeft over een andere oorzaak, wordt de berekende trillingssnelheid gebruikt om te beoordelen of de schade kan zijn verergerd door een aardbeving. Dat laatste is een nieuw element in het nieuwe beoordelingsprotocol.

Is het bestreden besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel?

7. Eiser voert tot slot aan dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Vergelijkbare schades aan twee woningen en aan gemeenschappelijke ruimtes, allen in hetzelfde appartementencomplex, zijn door deskundigen van het Instituut aangemerkt als aardbevingsschade. Die oordelen staan vast en daarom kan het Instituut zich er niet op beroepen dat er in die gevallen fouten zijn gemaakt. Eiser stelt dat zijn schade op grond van het gelijkheidsbeginsel voor vergoeding in aanmerking komt. Hij vindt dat hij niet de dupe mag worden van fouten die eventueel bij de beoordeling van vergelijkbare schades in andere woningen zijn gemaakt.

Het Instituut stelt zich op het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. Er zijn verschillende oorzaken waardoor voor (vergelijkbare) schade aan een andere woning in de nabijheid van de woning van eiser een schadevergoeding kan zijn toegekend. Verschillende beoordelingen zijn niet uit te sluiten bij een schadeafhandeling die zo grootschalig is als die in Groningen. In het geval van eiser hebben meerdere onafhankelijke deskundigen geoordeeld dat voor de schades met een voldoende mate van zekerheid een autonome oorzaak bestaat. Deskundigen gingen in het verleden verschillend om met de vraag of het aannemelijk was dat een schade waarvoor een autonome oorzaak bestond, toch kon zijn ontstaan door bodembeweging door mijnbouw of althans daardoor kon zijn verergerd. Daarom heeft het Instituut per 1 juli 2021 één uniform beoordelingskader uitgevaardigd. Het Instituut is niet gehouden om de foute afwegingen die deskundigen in andere gevallen hebben gemaakt, te herhalen in andere dossiers. Deskundige Kiestra heeft de schades in de door eiser genoemde andere gevallen in hetzelfde gebouw vergeleken met de schades van eiser. Hij heeft aangegeven dat het ofwel niet gaat om vergelijkbare schade, ofwel dat de schades (gedeeltelijk) vergelijkbaar zijn, maar dat voor die schades een andere autonome oorzaak valt aan te wijzen die ten onrechte door de betreffende deskundige niet is benoemd. Hij heeft dat aan de hand van de schadekenmerken toegelicht.

De rechtbank kan onder verwijzing naar de in deze uitspraak eerder gegeven overwegingen de stelling van het Instituut volgen dat, als er sprake is van identieke scheuren, een fout is gemaakt bij de beoordeling van die schade. In dit verband komt dan betekenis toe aan vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daaruit blijkt dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver strekt dat gemaakte fouten moeten worden herhaald. Anders dan eiser stelt, wordt hij daardoor niet benadeeld, maar alleen niet bevoordeeld. Deze beroepsgrond kan dan ook niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van mr. T.C.A. Hofman-Aupers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. T.C.A. Hofman-Aupers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand