RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
locatie Groningen
zaaknummers: LEE 23/894, 23/895, 23/896, 23/898, 23/899, 23/900, 23/901, 23/902 en 23/903
uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 31 juli 2026 in de zaak tussen
1. [eiseres]gevestigd in [plaats], eiseres sub 1,
2. [eiseres]in [plaats], eiseres sub 2,
3. [eiseres]in [plaats], eiseres sub 3,
4. [eiseres]in [plaats], eiseres sub 4,
5. [eiseres]in [plaats], eiseres sub 5,
6. [eiseres].in [plaats], eiseres sub 6,
7. [eiseres].in [plaats], eiseres sub 7,
8. [eiseres]in [plaats], eiser sub 8,
9. [eiseres]in [plaats], eiser sub 9,
Hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. J.T.A.M. van Mierlo),
en
de minister voor Natuur en Stikstof (nu: de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), de minister,
(gemachtigde: mr. R.H.M. Sipman).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de [belanghebbende], gevestigd te [plaats], derde-belanghebbende,
(gemachtigde: mr. V. Wösten).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden van de minister van 22 november 2022 (het wijzigingsbesluit).
Bij het wijzigingsbesluit heeft de minister ter uitvoering van de Habitatrichtlijn (Hrl) de aanwijzingsbesluiten van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland gewijzigd.
Tegen het wijzigingsbesluit hebben eisers beroep ingesteld.
De formeel bevoegde rechtbank Gelderland heeft deze rechtbank, na overleg met de andere rechtbanken, om proceseconomische gronden gevraagd de zaken die betrekking hebben op de Natura 2000-gebieden die in dit arrondissement liggen, te behandelen, omdat hier de beroepen zijn ingesteld. Deze rechtbank heeft hiermee ingestemd en heeft dat bij brief van 7 april 2023 aan partijen medegedeeld.
De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 12 maart 2026. Eiseres sub 1 is vertegenwoordigd door [naam], bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiseres sub 2 is vertegenwoordigd door [namen], bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiseressen sub 3 tot en met 7 en eisers sub 8 en 9 zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, ing. D. Bal en mr. J.J. Jorritsma. Derde-belanghebbende is vertegenwoordigd door haar gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het wijzigingsbesluit aan de hand van de gronden die eisers hebben aangevoerd.
3. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen van eisers ongegrond moeten worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten
4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Voorgeschiedenis
De minister is voornemens ter uitvoering van de Hrl de aanwijzingsbesluiten van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland te wijzigen. De bedoeling van het voornemen is het corrigeren van wat ten aanzien van de te beschermen habitattypen van Bijlage I en soorten van Bijlage II van de Hrl niet goed is gegaan bij het nemen en publiceren van de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten. Het betreft vooral het alsnog beschermen van habitattypen en soorten die op het moment van aanwijzen (in voldoende mate en duurzaam) aanwezig bleken te zijn. Deze waarden en de daarvoor gestelde instandhoudingsdoelstellingen worden met dit wijzigingsbesluit aan de betreffende aanwijzingsbesluiten toegevoegd.
De minister heeft een ontwerpbesluit tot wijziging van de instandhoudingsdoelstellingen van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland genomen. De minister heeft dit ontwerpbesluit gepubliceerd in de Staatscourant. Verder heeft de minister dit ontwerpbesluit gedurende de periode van 9 maart tot en met
19 april 2018 ter inzage gelegd. Daarbij is een ieder in de gelegenheid gesteld om gedurende deze periode een zienswijze bij de minister in te dienen.
Bij het wijzigingsbesluit heeft de minister ter uitvoering van de Hrl de aanwijzingsbesluiten van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland gewijzigd.
Juridisch kader
5. Uit de Hrl volgt dat op het Europees grondgebied een ecologisch netwerk van speciale beschermingszones wordt gevormd. Dat netwerk bestaat uit door lidstaten aan te wijzen Natura 2000-gebieden. Een gebied moet als zodanig worden aangewezen, wanneer in dat gebied een bepaald type natuurlijke habitat of habitat van een bepaalde soort aanwezig is die staat genoemd in bijlage I of II van de Hrl. Lidstaten zijn verplicht om maatregelen te treffen om die habitats te behouden of herstellen.
Deze Europeesrechtelijke verplichting is in de nationale wetgeving geïmplementeerd in artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb). In dat artikel staat dat de minister van LNV ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van de Habitatrichtlijngebieden in Nederland aanwijst als speciale beschermingszones, die worden aangeduid als ‘Natura 2000-gebied’. Ook staat in dat artikel dat de minister van LNV bevoegd is om een dergelijk aanwijzingsbesluit te wijzigen.
Het wijzigingsbesluit
6. De Hrl bepaalt dat een coherent Europees ecologisch netwerk moet worden gevormd van speciale beschermingszones: het Natura 2000-netwerk. Dit netwerk is bedoeld om bepaalde dieren, planten en hun natuurlijke leefomgeving te beschermen en zo de biodiversiteit te behouden. De gebieden worden aangewezen vanwege hun relatieve belang voor de in bijlage I van de Hrl genoemde habitattypen en de in bijlage II van de Hrl genoemde habitatsoorten. Een gebied wordt in beginsel geselecteerd, wanneer het voor een habitattype of soort, afhankelijk van de omstandigheid of het een prioritair habitattype of prioritaire soort betreft, tot de vijf of tien belangrijkste gebieden in Nederland behoort.
De procedure voor de aanwijzing van de Habitatrichtlijngebieden bestaat uit drie fases. In de eerste fase meldt de lidstaat een lijst met gebieden aan bij de Europese Commissie (EC). In de tweede fase stelt de EC, in samenspraak met de lidstaat, de lijst van gebieden van communautair belang vast. Vervolgens wijst de lidstaat in de derde fase binnen zes jaar de gebieden op die lijst aan als Habitatrichtlijngebieden. Deze aanwijsverplichting is in Nederland geïmplementeerd in artikel 2.1 van de Wnb.
De EC heeft op 7 december 2004 een lijst van gebieden van communautair belang vastgesteld die geldt voor Nederland. Deze lijst is daarna meermaals geactualiseerd. Vanaf 2008 zijn in Nederland aanwijzingsbesluiten gepubliceerd voor deze Habitatrichtlijngebieden. In deze besluiten zijn de grenzen van de gebieden, de habitattypen en -soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen en de instandhoudingsdoelstellingen voor die habitattypen en -soorten opgenomen.
Het wijzigingsbesluit omvat 102 artikelen. In de artikelen 1 tot en met 101 is per Habitatrichtlijngebied aangegeven welke habitattypen of habitatsoorten aan het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit worden toegevoegd of daaruit worden verwijderd. Artikel 102 regelt de bekendmaking en inwerkingtreding van het besluit. In de nota van toelichting op het besluit is per Habitatrichtlijngebied aangegeven welke wijzigingen worden aangebracht in de nota’s van toelichting bij de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten. Dat betreft ook de toevoeging van nieuwe of de wijziging van bestaande instandhoudingsdoelstellingen.
Met het wijzigingsbesluit is beoogd te corrigeren wat niet goed is gegaan bij de oorspronkelijke aanwijzing van de Habitatrichtlijngebieden. Op het moment van aanwijzen waren in veel gevallen de habitattypenkaarten, waarop de aanwijzingen zijn gebaseerd, nog niet compleet. Met het wijzigingsbesluit zijn de habitattypen en -soorten, die op het moment van aanwijzen van het desbetreffende Habitatrichtlijngebied al in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig waren, alsnog toegevoegd aan de aanwijzingsbesluiten. In een (beperkt) aantal gevallen bleken habitattypen en -soorten op het moment van aanwijzen niet in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig te zijn. Deze zijn met het wijzigingsbesluit verwijderd. Verder voorziet het wijzigingsbesluit in de aanpassing van sommige instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen of -soorten waarvoor de gebieden al zijn aangewezen. Het wijzigingsbesluit brengt geen wijzigingen aan in de begrenzingen van de Habitatrichtlijngebieden en gaat niet over de Vogelrichtlijngebieden.
Overgangsrecht
7. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is, dan blijft op grond van artikel 2.9, tweede lid, onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.
Het wijzigingsbesluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpbesluit is op 9 maart 2018 ter inzage gelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Het geschil
8. Tussen partijen is in geschil of de minister de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden “Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving”, “Van Oordts Mersken”, “Wijnjeterper Schar”, “Bakkeveense Duinen”, “Holtingerveld”, “Dwingelderveld”, “Mantingerzand” en “Brandemeer en Rottige Meenthe” heeft kunnen wijzigen. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.
Is de rechtbank bevoegd om op het beroep van eiseressen te beslissen?
9. Derde-belanghebbende betoogt dat alleen de rechtbank Gelderland bevoegd is om over het beroep te oordelen. Derde-belanghebbende voert aan dat de verdeling van de beroepen over de verschillende rechtbanken niet verenigbaar is met artikel 8:7 van de Awb.
De rechtbank ziet geen aanleiding om zich onbevoegd te verklaren. Zij licht dat hierna verder toe.
Het bestreden besluit is genomen door de minister. Op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Awb is dan de rechtbank bevoegd binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft. Op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de Awb worden, indien tegen hetzelfde besluit bij meer dan één bevoegde rechtbank beroep is ingesteld, de zaken verder behandeld door de bevoegde rechtbank waarbij als eerste beroep is ingesteld.
Tegen het wijzigingsbesluit zijn meer dan 700 beroepen bij verschillende rechtbanken ingesteld. In dit geval is als eerste beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland. De rechtbank Gelderland is daarom bevoegd om deze beroepen te behandelen. De rechtbank Gelderland heeft aan andere rechtbanken gevraagd om de behandeling van bepaalde beroepen over te nemen. Het gaat dan om beroepen die gericht zijn tegen de wijziging van de aanwijzing van Habitatrichtlijngebieden die liggen in het arrondissement van die andere rechtbank. Deze rechtbank heeft daarmee ingestemd.
De beroepen van eisers gaan onder meer over de wijziging van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden “Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving”, “Van Oordts Mersken”, “Wijnjeterper Schar”, “Bakkeveense Duinen”, “Holtingerveld”, “Dwingelderveld”, “Mantingerzand” en “Brandemeer en Rottige Meenthe”. Die Natura 2000-gebieden liggen in het arrondissement Noord-Nederland. De rechtbank ziet, gelet op de gemaakte proceseconomische afspraken en met het oog op een effectieve geschilbeslechting, geen aanleiding om zich onbevoegd te verklaren en de zaak te verwijzen naar de rechtbank Gelderland.
Zijn eisers belanghebbenden bij het wijzigingsbesluit?
10. Derde-belanghebbende betoogt, kort samengevat, dat eisers geen rechtstreeks belang hebben bij het bestreden besluit, omdat er niets wijzigt in de geldende wettelijke bescherming. Zij hebben volgens derde-belanghebbende geen onderscheidend belang bij natuurbescherming ten opzichte van andere burgers. Er is alleen sprake van een tegengesteld belang indien het meest nabij het bedrijfsperceel nieuw toegevoegde natuurperceel krachtens het wijzigingsbesluit, een kritische depositiewaarde (KDW) kent die lager ligt dan de reeds eerder aangewezen natuurpercelen op gelijke of kortere afstand tot het bedrijfsperceel.
In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb staat dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, wordt onder meer gekeken naar de factoren afstand tot, zicht op en ruimtelijke uitstraling van het Habitatrichtlijngebied dat in het wijzigingsbesluit is betrokken. Bij de factor afstand gaat het dan om de afstand tot de grens van het Habitatrichtlijngebied, waarvan de wijziging wordt bestreden.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in een uitspraak van 4 december 2024 al een oordeel heeft gegeven wie belanghebbende kunnen zijn bij het wijzigingsbesluit. Eiseressen sub 2 tot en met 7 en eisers 8 en 9 zijn agrariërs die stikstofveroorzakende bedrijfsmatige activiteiten uitvoeren buiten een Habitatrichtlijngebied. De rechtbank heeft vastgesteld dat zij werkzaam zijn binnen 25 kilometer van een Natura 2000-gebied waarvan een instandhoudingsdoelstelling voor stikstofgevoelige natuurwaarden is toegevoegd of gewijzigd. De Afdeling heeft geoordeeld dat voor deze categorie eisers geldt dat zij dan belanghebbenden zijn bij de Habitatrichtlijngebieden waarvan zij de wijziging bestrijden. De rechtbank ziet geen aanleiding daarover voor de eiseressen 2 tot en met 7 en eisers 8 en 9 anders te oordelen. De rechtbank merkt hen daarom aan als belanghebbenden bij het wijzigingsbesluit.
Eiseres sub 1 komt, statutair en feitelijk, op voor de belangen van agrariërs. Dat statutaire belang is betrokken bij het bestreden besluit. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiseres sub 1 ook opkomt voor agrariërs die binnen 25 kilometer van een of meer Habitatgebieden waarvan met het wijzigingsbesluit de instandhoudingsdoelstelling voor stikstofgevoelige natuurwaarden zijn toegevoegd of gewijzigd. Ook eiseres sub 1 kan daarom als belanghebbende worden aangemerkt.
Procesbelang
11. Derde-belanghebbende betoogt dat eisers geen procesbelang hebben omdat zij alleen maar willen bereiken dat zij geen beperkingen ondervinden van natuurbeschermingsmaatregelen. Dat doel kan volgens derde-belanghebbende niet worden bereikt met vernietiging van het wijzigingsbesluit.
Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit, belang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
De rechtbank is van oordeel dat niet is uitgesloten dat het wijzigingsbesluit, in het bijzonder ook door de instandhoudingsdoelstellingen die horen bij alsnog opgenomen habitattypen, gevolgen kan hebben voor (de bedrijfsvoering van) deze eisers. Het betoog van de derde-belanghebbende dat eisers juist gebaat zijn bij natuurbeschermingsmaatregelen en dat het motief van eisers slechts is dat zij geen beperkingen willen ondervinden, maakt dat niet anders. Dit maakt namelijk niet dat ieder belang bij de procedure ontbreekt. Om die reden is er sprake van een actueel procesbelang aan de zijde van eisers.
Relativiteitsvereiste
12. Voor zover derde-belanghebbende betoogt dat in dit geval het relativiteitsvereiste aan eisers dient te worden tegengeworpen, volgt de rechtbank dat niet. Eisers komen met hun beroep op voor hun belang gevrijwaard te blijven van de gevolgen voor hun bedrijfsvoering door de onnodige bescherming van habitattypen en soorten. Daarmee beroepen zij zich op schending van artikel 2.1, eerste, vierde en zevende lid, van de Wnb. De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat deze artikelen mede strekken ter bescherming van het belang waar eiseressen zich op beroepen. Het relativiteitsvereiste staat daarom niet in de weg aan vernietiging van onderdelen van het wijzigingsbesluit waar het beroep van eisers zich tegen richt.
Afbakening
13. De rechtbank begrijpt dat eisers deze beroepsprocedure vooral zijn gestart omdat ze bang zijn voor de gevolgen die het wijzigingsbesluit voor hun bedrijven kan hebben. Zo leidt de rechtbank uit de beroepen af, dat zij niet van tevoren wisten dat de aanwijzing van de Natura 2000-gebieden zoveel impact zou hebben op hun bedrijven, en daarmee vaak ook op hun families. Verder voelen eisers een enorme druk van de stikstofproblematiek en de regelgeving die erop is gericht om de stikstofuitstoot in Nederland te verminderen. Veel eisers vinden het ook onredelijk dat (vooral) de agrarische sector hier de dupe van lijkt te worden. Vaak is in de beroepen benadrukt dat misschien nog wel het belangrijkste voor hen is dat zij niet weten waar zij aan toe zijn. Die onzekerheid speelt hen parten en maakt het volgens eisers bijna onmogelijk om een agrarisch bedrijf te (blijven) runnen. Het wijzigingsbesluit vergroot hun gevoel van onzekerheid, omdat nu blijkt dat de eerder aangewezen Natura 2000-gebieden achteraf kunnen worden veranderd en wijzigingen ook onbeperkt mogelijk lijken.
De rechtbank wil benadrukken dat deze beroepsprocedures zich beperken tot de vraag of de minister met dit specifieke wijzigingsbesluit van 22 november 2022 habitattypen en -soorten en instandhoudingsdoelstellingen kon toevoegen aan bestaande
Natura 2000-gebieden. De rechtbank kan in deze zaken geen oordeel geven over bijvoorbeeld het systeem van de Hrl en de Wnb, besluiten uit het verleden, mogelijk toekomstige wijzigingen van Natura 2000-gebieden, de (oorzaak van de) stikstofproblematiek of de verdeling van de lasten over de samenleving.
Beroepsgronden
14. In de zaken waar deze uitspraak over gaat zijn deels dezelfde beroepsgronden naar voren gebracht. De rechtbank gaat hierna eerst in op deze beroepsgronden. Voor zover eisers afzonderlijke gronden met betrekking tot specifieke Natura 2000-gebieden naar voren hebben gebracht die nog niet zijn besproken, zal de rechtbank daar afzonderlijk op ingaan.
Niet ter inzage leggen van de habitattypenkaarten en het achterliggende documentatiemateriaal bij het ontwerpbesluit
15. Eisers betogen dat de onderbouwing van het wijzigingsbesluit ondoorzichtig en incompleet is. Belanghebbenden hebben geen kennis kunnen nemen van de bronnen die in het besluit worden genoemd, waaronder met name de habitattypenkaarten. Ook achterliggende documentatie ontbreekt. Eisers voeren aan dat er weliswaar habitatkaarten beschikbaar zijn om op te vragen bij de provincie Drenthe, maar dat dit niet het geval is bij de provincie Fryslân. Bovendien is er volgens eisers slechts in incidentele gevallen achterliggende informatie beschikbaar om op te vragen (denk aan een vegetatiekartering van rond de peildatum) In Fryslân is deze niet beschikbaar, omdat deze informatie er niet is of in de private archieven van een terrein beherende organisatie (TBO) ligt. In Drenthe is sommige informatie beschikbaar, maar is een verzoek op grond van de Wet open overheid nodig om het te kunnen bekijken. De conclusie van eisers is dat informatie niet beschikbaar is, dan wel niet publiekelijk toegankelijk is.
De minister stelt zich op het standpunt dat in het wijzigingsbesluit is vermeld wat de gebruikte bronnen zijn, zoals met name de habitatkaarten. Die kaarten zijn van de provincies, Rijkswaterstaat en Defensie. Omdat de minister weliswaar gebruik heeft gemaakt van de kaarten, maar zelf geen bronhouder is, is ervoor gekozen om niet zelfstandig alle kaarten bij de terinzagelegging op internet te publiceren. In plaats daarvan is bij de bekendmaking (in advertenties in alle regionale bladen) gewezen op de mogelijkheid tot het opvragen van (achtergrond)documenten bij het klantcontactcentrum van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Daar is door meerdere personen inderdaad gebruik van gemaakt. De minister acht van belang dat uit de tekst van het (ontwerp)besluit voldoende blijkt voor welke habitattypen en -soorten instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd aan het betrokken natuurgebied. Een verbeelding in de vorm van een habitattypekaart voegt hieraan volgens de minister niets toe. Dat geldt evenzeer voor het documentatiemateriaal waarop de kaarten zijn gebaseerd. De minister voert aan dat het toevoegen van een instandhoudingsdoelstelling namelijk geldt voor het gehele gebied en niet voor een specifieke locatie. Het doet er vanuit het oogpunt van eisers in het kader van het wijzigingsbesluit dan ook niet toe waar het habitattype zich exact bevindt. Gelet daarop is de minister van mening dat alle voor de beoordeling van het (ontwerp)besluit noodzakelijke stukken ter inzage hebben gelegen. De minister wijst er tot slot nog op dat de minister in het kader van de beroepsprocedures alsnog afbeeldingen (in pdf-formaat) van de habitattypenkaarten heeft gepubliceerd.
De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eisers zo dat zij stellen dat ten onrechte niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken - de habitattypenkaarten en het achterliggende documentatiemateriaal - ter inzage zijn gelegd bij het ontwerpwerpbesluit. De rechtbank bespreekt die beroepsgrond hieronder.
Op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. Dit artikel is een uitwerking van de actieve openbaarmakingsplicht: een bestuursorgaan moet uit eigen beweging informatie verstrekken. Doel van de terinzagelegging is onder andere dat betrokkenen kennis kunnen nemen van het ontwerp van het besluit. Zij kunnen dan de gegevens en de aannames waarop het besluit is gebaseerd controleren, de keuzes in het besluit beoordelen en afwegen of zij daartegen willen opkomen. De aan het besluit ten grondslag liggende gegevens moeten daarom volledig, tijdig en uit eigen beweging op een passende wijze openbaar worden gemaakt.
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de habitattypenkaarten op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. De rechtbank stelt vast dat op een habitattypenkaart te zien is waar een bepaald habitattype voorkomt in een Natura 2000-gebied en in welke omvang. Habitattypenkaarten komen tot stand op basis van onderliggend documentatiemateriaal, zoals vegetatiekaarten die zijn vastgesteld door ecologisch deskundigen die hebben onderzocht welke habitattypen op de peildatum in een gebied voorkwamen. De minister heeft voor de Natura 2000-gebieden twee soorten habitattypenkaarten overgelegd: één overzichtskaart, waarop is aangegeven waar de desbetreffende habitattypen op de peildata in de Natura 2000-gebieden voorkwamen, en één typenkaart, waarop is aangegeven hoe groot de oppervlaktes waren van de op de peildata aanwezige habitattypen. In een enkel geval heeft de minister volstaan met één soort habitattypenkaart. Daarbij heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat habitattypen in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen, als van dat type minimaal 0,01 hectare (100 m²; één are) aanwezig is. Voor bossen geldt een minimale oppervlakte van 0,1 ha (1.000 m²; 10 are).
Uit het wijzigingsbesluit volgt dat de in de aanwijzingsbesluiten aangebrachte wijzigingen ten aanzien van de habitattypen zijn gebaseerd op de (gevalideerde) habitattypenkaarten. De minister stelt zich op het standpunt dat de habitattypenkaarten niet nodig waren om het ontwerpbesluit te kunnen beoordelen, maar de rechtbank volgt de minister daarin niet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de habitattypenkaarten op de zaak betrekking hebbende stukken, omdat de kaarten gebruikt zijn voor de correcties op de aanwijzingsbesluiten en daarmee de basis vormen van het wijzigingsbesluit. Dat maakt ook dat de habitattypenkaarten redelijkerwijs nodig zijn om het ontwerpbesluit te kunnen beoordelen. Voor zover het wijzigingsbesluit is gebaseerd op deze kaarten, maken deze habitattypenkaarten het voor een belanghebbende mogelijk om te controleren of en, zo nodig, te betwisten dat een habitattype op de peildatum in meer dan verwaarloosbare mate in het Natura 2000-gebied aanwezig was. Dat voor de besluitvorming niet van belang is op welke exacte locaties de habitattypen voorkomen, maakt dit niet anders. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister in strijd heeft gehandeld met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb door de habitattypenkaarten niet uit eigen beweging met het ontwerpbesluit ter inzage te leggen.
Voor het documentatiemateriaal waarop de habitattypenkaarten zijn gebaseerd, geldt naar het oordeel van de rechtbank dat dit niet rechtstreeks aan het wijzigingsbesluit ten grondslag is gelegd. Dit brengt met zich dat het documentatiemateriaal niet valt aan te merken als stukken die op de zaak betrekking hebben. Dit betekent dat de minister dit documentatiemateriaal niet uit eigen beweging ter inzage heeft hoeven leggen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister dit documentatiemateriaal op verzoek heeft kunnen verstrekken en dat de beroepsgrond van eisers in zoverre faalt.
Dat de habitattypenkaarten niet ter inzage hebben gelegen is een gebrek in de voorbereiding van het wijzigingsbesluit. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat eisers en/of andere belanghebbenden niet zijn benadeeld door het gebrek. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister in beroep de habitattypenkaarten alsnog beschikbaar heeft gesteld op een openbare website. Eisers hebben daarna voldoende tijd gehad om de kaarten te bekijken en daarop te reageren. De rechtbank acht het verder aannemelijk dat andere belanghebbenden niet zijn benadeeld doordat de habitattypenkaarten niet ter inzage hebben gelegen. In het ontwerpbesluit staat immers dat wijzigingen worden onderbouwd met de habitattypenkaarten, waardoor een ieder op de hoogte kon zijn van het bestaan van deze kaarten en daarover een zienswijze had kunnen indienen.
Is het aanwijzen van habitattypen noodzakelijk?
16. Eisers voeren aan dat de aanwijzing van extra habitattypen niet noodzakelijk is. Volgens eisers heeft de minister dat ten onrechte afgeleid uit het document van 24 juni 2003 van de EC en uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof). Ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen eisers naar een bijlage bij het rapport “Doorlichting Natura 2000”. Daaruit zou volgen dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat de opvatting van de EC dat het beschermingsregime van Natura 2000-gebieden zich uitstrekt tot iedere soort die en ieder habitattype dat in meer dan verwaarloosbare omvang of oppervlakte in een gebied aanwezig is, steun vindt in de Hrl. Eisers verwijzen hiervoor naar het Holohan-arrest van het Hof.
De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen was de minister verplicht om alle in bijlagen I en II van de Hrl genoemde habitattypen en -soorten die ten tijde van de aanwijzing in meer dan verwaarloosbare mate voorkwamen in de Habitatrichtlijngebieden in de aanwijzingsbesluiten op te nemen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister nader uitvoering gegeven aan die verplichting, door onvolledigheden en eerder gemaakte fouten ten aanzien van de - al aangewezen - Habitatrichtlijngebieden te herstellen.
In de verwijzing naar de bijlage bij het rapport ‘Doorlichting Natura 2000’ ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel. Het daarin aangehaalde Holohan-arrest gaat namelijk over passende beoordelingen voor projecten en plannen in (de buurt van) Natura 2000-gebieden en niet over aanwijzings- of wijzigingsbesluiten voor die gebieden.
Is de onderbouwing van het wijzigingsbesluit met habitattypenkaarten en vegetatiekartering deugdelijk?
17. Eisers voeren aan dat het wijzigingsbesluit niet is voorzien van een deugdelijke motivering. Zij betogen dat het noodzakelijk is om kennis te kunnen nemen van objectieve en accurate informatie om te kunnen controleren of het wijzigingsbesluit correct is en op juiste gronden is genomen. Die informatie - de habitatkaarten en achtergronddocumenten - is volgens eisers veelal niet beschikbaar. Verder wijzen eisers erop dat de habitatkaarten niet de situatie rond het moment van aanwijzen (peildatum) weergeven en om die reden niet gehanteerd kunnen worden voor het beoordelen van dit besluit. Ook is door eiseres sub 1 vastgesteld dat in veel gevallen de vegetatiekartering is uitgevoerd door een TBO dan wel in opdracht van een TBO. Gelet op de belangen die TBO’s in het krachtenveld van Natura 2000 hebben, is het volgens eisers niet vanzelfsprekend om deze onderbouwing op voorhand als objectief en deugdelijk te beschouwen.
De rechtbank is van oordeel dat het wijzigingsbesluit in algemene zin voldoende is onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met de habitattypenkaarten in beginsel voldoende aannemelijk gemaakt dat de habitattypen in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig waren in het gebied ten tijde van de aanwijzing. Het is vervolgens aan eisers om aannemelijk te maken dat deze habitattypenkaarten zodanige leemten of gebreken bevatten dat de minister deze kaarten niet bij de besluitvorming mocht betrekken. Ook blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de door de minister aangehouden minimum-oppervlakte van 100 m² (één are) niet onredelijk is.
Het is weliswaar voorstelbaar dat het lastig is om te controleren of een habitattypenkaart klopt, omdat dit betekent dat jaren na de vaststelling van de aanwijzingsbesluiten moet worden gecontroleerd of een habitattype ten tijde van de aanwijzing al aanwezig was, maar dat betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit niet mogelijk is. Wat betreft de stelling over de beschikbaarheid van de achtergronddocumenten en habitattypenkaarten, verwijst de rechtbank naar de rechtsoverwegingen 15.6. en 15.7.
De rechtbank volgt eisers evenmin in het betoog dat de habitattypenkaarten de situatie ten tijde van de aanwijzing niet zouden weergeven. De stelling dat gebruik is gemaakt van informatie en veldonderzoek van na de datum van de aanwijzingsbesluiten, is daarvoor onvoldoende. De minister heeft in het wijzigingsbesluit en op de zitting toegelicht dat habitattypen alleen zijn toegevoegd als aan de hand van waarnemingen kon worden geconcludeerd dat deze ook al ten tijde van het aanwijzingsbesluit aanwezig waren. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de minister dit niet zo had mogen doen.
Het betoog ten aanzien van de door TBO’s uitgevoerde vegetatiekartering, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft toegelicht dat de habitattypenkaarten worden gevalideerd door diegene die de betreffende kaart heeft laten maken en door de interbestuurlijke Projectgroep Habitatkartering. Voordat de kaarten worden vastgesteld, worden die nogmaals grondig bekeken door ecologen van het ministerie en de provincie samen. Daarbij wordt (ook) gekeken of het ecologisch verklaarbaar is dat een habitattype op die plek op dat moment voorkwam. Waar nodig wordt nog opnieuw het veld ingegaan. In wat eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de gehanteerde werkwijze onzorgvuldig is.
Belangenafweging
18. Eisers betogen samengevat dat er ten onrechte geen belangenafweging heeft plaatsgevonden. Volgens eisers heeft de minister ten onrechte geen rekening gehouden met de economische, sociale en culturele belangen bij zowel bij de aanwijzing van habitattypen en soorten als bij het bepalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Eisers wijzen in dit verband naar het Natura 2000-gebied Bakkeveense Duinen en het toegevoegde habitattype H4030 ‘Droge heiden’. In het wijzigingsbesluit is voor dit habitattype een verbeterdoelstelling opgenomen, maar volgens eisers volgt uit het wijzigingsbesluit niet hoe de sociaal-maatschappelijke en economische belangen daarbij zijn meegewogen.
Belangenafweging habitattypen en soorten
19. Zoals hiervoor al is overwogen was de minister verplicht om alle in bijlagen I en II van de Hrl genoemde habitattypen en soorten die ten tijde van de aanwijzing in meer dan verwaarloosbare mate voorkwamen in de Habitatrichtlijngebieden in de aanwijzingsbesluiten op te nemen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister nader uitvoering gegeven aan die verplichting, door onvolledigheden en eerder gemaakte fouten ten aanzien van de al aangewezen Habitatrichtlijngebieden te herstellen. Gelet op die verplichting is er naar het oordeel van de rechtbank bij het toevoegen van habitattypen en soorten geen ruimte om rekening te houden met economische, sociale of culturele belangen. Deze grond van eisers slaagt niet.
Belangenafweging bij het bepalen van instandhoudingsdoelstellingen
20. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij de wijze van het formuleren van instandhoudingsdoelstellingen rekening mag worden gehouden met, onder andere, economische overwegingen.De rechtbank is van oordeel dat eisers niet hebben onderbouwd waarom in dit geval bij het bepalen van de instandhoudingsdoelstellingen onvoldoende rekening is gehouden met sociaal, economische en agrarische belangen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister bij het formuleren van de instandhoudingsdoelstellingen heeft toegelicht dat hij wel rekening heeft gehouden met deze belangen, nu in de meeste gevallen is gekozen voor de laagst mogelijke doelstelling (‘behoud’) en niet voor de voor eiseressen ingrijpendere uitbreidings- of verbeterdoelstelling.
Voor zover eisers verwijzen naar het in het Natura 2000-gebied Bakkeveense Duinen aangewezen habitattype H4030, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de enkele keuze voor een verbeterdoelstelling onvoldoende is voor het oordeel dat de minister geen rekening heeft gehouden met de door eiseressen genoemde belangen. De rechtbank acht van belang dat uit het wijzigingsbesluit voor dit habitattype volgt dat voor de verbeterdoelstelling is aangesloten bij de landelijke doelstelling. Verder heeft de minister toegelicht dat het wijzigingsbesluit in beginsel geen gevolgen heeft voor het bestaande legale gebruik in de nabijheid van de Natura 2000-gebieden omdat dat gebruik mag worden voortgezet. Ook heeft de minister, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010, toegelicht dat hij niet op bedrijfsniveau inzichtelijk hoeft te maken welke gevolgen een (gewijzigde) aanwijzing heeft buiten het aangewezen gebied. Dat is door eisers niet gemotiveerd bestreden. Het betoog slaagt niet.
Individuele beroepsgronden
Ten aanzien van het Natura 2000-gebied “Oudegaasterbrekken en Fluessen en omgeving”
21. Eiseres sub 1 en eiseres sub 2 betwijfelen of op het moment van het aanwijzen van het Natura 2000-gebied “Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving” het habitattype Overgangs- en trilvenen (H7140) in dat gebied voorkwam, omdat uit het Standard Data Form (SDF) van 2011 niet blijkt dat dit habitattype aanwezig was.
Met het wijzigingsbesluit zijn meerdere habitattypen toegevoegd aan het Natura 2000-gebied “Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving”. Het gaat onder meer om habitattype H7140 Overgangs- en trilvenen (veenmosrietland subtype B) en H91D0 Hoogveenbossen. De omvang en locatie van deze habitattypen zijn weergegeven op de habitattypenkaart van het gebied.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseres sub 1 en eiseres sub 2 niet aannemelijk gemaakt dat de habitattypenkaarten van het Natura 2000-gebied “Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving” dusdanige leemten of gebreken bevatten dat die niet aan het wijzigingsbesluit ten grondslag mogen worden gelegd. De rechtbank stelt vast dat uit de door de minister overgelegde habitattypenkaarten blijkt dat op de peildatum (de datum van de publicatie van het aanwijzingsbesluit van 27 december 2010) meer dan één are (100 m²) van het habitattype Overgangs- en trilvenen (H7140) in het Natura 2000-gebied “Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving” aanwezig was. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de toelichting van het wijzigingsbesluit blijkt dat de aanwezigheid van dit habitattype in dit Natura 2000-gebied wordt bevestigd door ecologische rapporten die inhoudelijk niet zijn weersproken door eiseressen. De rechtbank overweegt dat het daarom niet van doorslaggevend belang is of het toe te voegen habitattype H7140 is vermeld in het SDF van 2011.
Ook indien er sprake is van een onjuist of onvolledig ingevuld SDF leidt dat niet tot de conclusie dat het habitattype niet aanwezig was. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat als dit habitattype wel was opgenomen in het SDF, dit habitattype zou zijn opgenomen in het aanwijzingsbesluit. Een correctie door middel van het wijzigingsbesluit was in dat geval niet nodig geweest.
Met betrekking tot de stelling van deze eiseressen dat habitattype H7140 niet aanwezig was in een bestendige vorm, omdat uit het SDF van 2018 volgt dat er sprake was van een lage kwaliteit van het veenmosrietland in de Oudegaaster Brekken (en geen enkele bijdrage levert aan de landelijke staat van instandhouding van het habitat veenmosrietland), overweegt de rechtbank dat de aanduiding ‘C’ in het SDF betekent dat er sprake is van een beduidend belang. Al om die reden kunnen deze eiseressen niet worden gevolgd in het betoog dat de kwaliteit van dit habitattype met zich brengt dat het niet moet worden aangewezen.
Voor zover deze eiseressen betogen dat ten aanzien van dit Natura 2000-gebied een uitzondering moet worden gemaakt op de algemene verplichting tot aanwijzing van aanwezige habitattypes, verwijst de rechtbank naar overweging 19. De rechtbank ziet in wat deze eiseressen hebben aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Dit betekent dat de minister met het wijzigingsbesluit nader uitvoering heeft gegeven aan de op hem rustende verplichting door onvolledigheden en eerder gemaakte fouten ten aanzien van de - al aangewezen - Habitatrichtlijngebieden te herstellen. Gelet op die verplichting is er naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte om rekening te houden met economische, sociale of culturele belangen. De stellingen van deze eiseressen dat aanwijzing van een stikstofgevoelig habitattype in dit gebied (via de vertaalslag in de AERIUS-calculator) de hele economie in Zuidwest-Fryslân op slot kan zetten en dat door aanwijzing van dit stuk habitat (0,4 hectare) slechts een verwaarloosbare bijdrage van aan het bereiken van een goede staat van instandhouding van dit habitattype op nationale schaal wordt bereikt, maken het voorgaande niet anders. Deze grond van deze eiseressen slaagt niet.
Wat deze eiseressen overigens hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de minister niet op de habitattypenkaarten mocht afgaan.
Ten aanzien van het Natura 2000-gebied “Bakkeveense Duinen”
22. Eiseres sub 1 en eiseres sub 5 betwijfelen of op het moment van het aanwijzen van het Natura 2000-gebied “Bakkeveense Duinen” het habitattype Zwakgebufferde vennen (H3130) in dat gebied voorkwam, omdat uit het SDF van 2014 en andere geraadpleegde informatiebronnen niet blijkt dat dit habitattype aanwezig was.
Met het wijzigingsbesluit zijn meerdere habitattypen toegevoegd aan het Natura 2000-gebied “Bakkeveense Duinen”. Het gaat onder meer om het habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen. De omvang en locatie van dit habitattype is weergegeven op de habitattypenkaarten van het gebied.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben deze eiseressen niet aannemelijk gemaakt dat de habitattypenkaarten van het Natura 2000-gebied “Bakkeveense Duinen” dusdanige leemten of gebreken bevatten dat die niet aan het wijzigingsbesluit ten grondslag mogen worden gelegd. De rechtbank stelt vast dat uit de door de minister overgelegde habitattypenkaarten blijkt dat op de peildatum (de datum van de publicatie van het aanwijzingsbesluit van 23 mei 2013) meer dan één are (100 m²) van het habitattype Zwakgebufferde vennen (H3130) in het Natura 2000-gebied “Bakkeveense Duinen” aanwezig was. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de toelichting van het wijzigingsbesluit blijkt dat de aanwezigheid van dit habitattype in dit Natura 2000-gebied wordt bevestigd door een kaart uit 2004 van de provincie Fryslân en ecologische rapporten die inhoudelijk niet zijn weersproken door eiseressen. Daarbij wordt opgemerkt dat niet aannemelijk is gemaakt dat een onderzoek uit 2015 waaraan in het wijzigingsbesluit is gerefereerd, voor deze eiseressen niet raadpleegbaar was. De rechtbank overweegt dat het daarom niet van doorslaggevend belang is of het toe te voegen habitattype H3130 is vermeld in het SDF van 2014.
Ook indien er sprake is van een onjuiste of onvolledig ingevulde SDF leidt dat niet tot de conclusie dat het habitattype niet aanwezig was. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat als dit habitattype wel was opgenomen in het SDF, dit habitattype zou zijn opgenomen in het aanwijzingsbesluit. Een correctie door middel van het wijzigingsbesluit was in dat geval niet nodig geweest. Dat de habitatkaart uit 2013 zoals opgenomen in het beheerplan uit 2016 niet representatief zou zijn – wat daar verder ook van zij - leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft toegelicht waarom hij zich in dit geval mocht baseren op de overgelegde habitatkaarten uit 2004 en bijbehorende ecologische rapporten.
Met betrekking tot de stelling dat habitattype H3130 niet in een bestendige vorm aanwezig was omdat volgens deze eiseressen sprake is van een zeer jong stadium van zich ontwikkelende natuur (doordat in de jaren negentig van de vorige eeuw in het kader van natuurontwikkeling waterpartijen gegraven zijn die in 2004 op basis van een vegetatiekartering zijn gekenschetst als zwakgebufferd ven), overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat dit habitattype is ontstaan door de aanleg van een plas en/of ven geen reden is om het niet toe te voegen aan het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit. Op de minister rust de verplichting om elk habitattype dat in meer dan verwaarloosbare mate voorkomt aan te wijzen en te beschermen. Daarbij heeft de minister toegelicht dat het eventueel verdwijnen van dit habitattype voorkomen moet worden omdat dit Natura 2000-gebied op de communautaire lijst staat.
Wat deze eiseressen overigens hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de minister niet op die habitattypenkaarten mocht afgaan. Deze grond van deze eiseressen slaagt niet.
Ten aanzien van het Natura 2000-gebied “Van Oordt’s Mersken”
23. Eiseres sub 1 en eiseres sub 3 betwijfelen of op het moment van het aanwijzen van het Natura 2000-gebied “Van Oordt’s Mersken” het habitattype Zwakgebufferde vennen (H3130) in dat gebied voorkwam, omdat zij de aanwezigheid niet kunnen afleiden uit openbare en vrij toegankelijke informatie en omdat in het SDF van 2011 geen informatie verstrekt wordt over de (mogelijke) aanwezigheid en mate van instandhouding van dit habitattype in het jaar van aanwijzen (2013).
Met het wijzigingsbesluit zijn meerdere habitattypen toegevoegd aan het Natura 2000-gebied “Van Oordt’s Mersken”. Het gaat onder meer om het habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen. De omvang en locatie van dit habitattype is weergegeven op de habitattypenkaarten van het gebied.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseressen niet aannemelijk gemaakt dat de habitattypenkaarten van het Natura 2000-gebied “Van Oordt’s Mersken” dusdanige leemten of gebreken bevatten dat die niet aan het wijzigingsbesluit ten grondslag mogen worden gelegd. De rechtbank stelt vast dat uit de door de minister overgelegde habitattypenkaarten blijkt dat op de peildatum (de datum van de publicatie van het aanwijzingsbesluit van 4 juli 2013) meer dan één are (100 m²) van het habitattype Zwakgebufferde vennen (H3130) in het Natura 2000-gebied “Van Oordt’s Mersken” aanwezig was. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de toelichting van de minister blijkt dat de aanwezigheid van dit habitattype in dit Natura 2000-gebied wordt bevestigd door veldonderzoek van de provincie Fryslân en een habitattypekaart uit 2005 van de provincie Fryslân. Daarbij is door de minister gecontroleerd of die gegevens de situatie ten tijde van de peildatum van het aanwijzingsbesluit weergeven. Niet gebleken is dat die controle door de minister onzorgvuldig of onjuist is uitgevoerd. De rechtbank overweegt dat het daarom niet van doorslaggevend belang is of het habitattype H3130 is vermeld in het SDF van 2011.
Ook indien er sprake is van een onjuiste of onvolledig ingevulde SDF leidt dat niet tot de conclusie dat het habitattype niet aanwezig was. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat als dit habitattype wel was opgenomen in het SDF van 2011, dit habitattype dan zou zijn opgenomen in het aanwijzingsbesluit. Een correctie door middel van het wijzigingsbesluit was dan niet nodig geweest.
Met betrekking tot de stelling dat habitattype H3130 niet in een bestendige vorm aanwezig was omdat het zwakgebufferde ven volgens deze eiseressen in het afgelopen decennium is ontstaan in een gebied waar grondverzet heeft plaatsgevonden, overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat dit habitattype zou zijn ontstaan door grondverzet geen reden is om het niet toe te voegen aan het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit. Ook het vermoeden van deze eiseressen dat door veranderende omstandigheden - zijnde de verbetering van de voedselarme situatie en de aanwezige snelweg in het gebied - het habitattype in komende decennia zal doorontwikkelen naar iets anders dan een zwakgebufferd ven, vormt - wat daar ook van zij - geen reden om niet tot aanwijzing over te gaan. Op de minister rust de verplichting om elk habitattype dat in meer dan verwaarloosbare mate voorkomt aan te wijzen en te beschermen. Daarbij heeft de minister toegelicht dat het eventueel verdwijnen van dit habitattype voorkomen moet worden omdat dit Natura 2000-gebied op de communautaire lijst staat.
Wat deze eiseressen overigens hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de minister niet op die habitattypenkaarten mocht afgaan. Deze grond van deze eiseressen slaagt niet.
Ten aanzien van het Natura 2000-gebied “Wijnjeterperschar”
24. Eiseres sub 1 betoogt dat uit de kaarten enerzijds duidelijk wordt dat in de actuele weergave op de website van de provincie Fryslân inderdaad een zwakgebufferd ven wordt weergegeven, maar dat het onderzoek dat daaraan ten grondslag ligt uit 2005 komt. Ook in het beheerplan wordt aan dit onderzoek gerefereerd en het jaar van onderzoek genoemd. Eiseres sub 1 vraagt zich af of in de verwijzing naar veldonderzoek van de provincie in de toelichting van het wijzigingsbesluit, gedoeld wordt op het onderzoek uit 2005 of ander onderzoek dat niet tot hun beschikking is gekomen. Zij voert aan dat in de SDF-rapportage geen informatie verstrekt wordt over de (mogelijke) aanwezigheid en mate van instandhouding van de habitattypes in het jaar van aanwijzen (2013). Volgens eiseres sub 1 wordt er in de update van 2011 met geen woord gerept over de aanwezigheid van het habitattype zwakgebufferd ven. Verder bestaat er bij eiseres sub 1 gerede twijfel over de bestendigheid van het habitattype zwakgebufferde ven ter plaatse. In dit verband wijst zij erop dat het feit dat daar nu plantgemeenschappen zouden kunnen worden waargenomen die neigen naar de aanwezigheid van zwakgebufferde vennen, niets zegt over de situatie ten tijde van de aanwijzing. Daarbij speelt een rol dat het zwakgebufferde ven in het afgelopen decennium is ontstaan in een gebied waar grondverzet heeft plaatsgevonden. Dit ten behoeve van de heischrale graslanden en blauwgraslanden die zich in hetzelfde gebied bevinden. Het weghalen van grond ter plaatse van het zwakgebufferde ven heeft volgens eiseres sub 1 geleid tot het ontstaan van een laagte waar zich in een voedselarme situatie plantengemeenschappen hebben kunnen vormen die lijken op die van een zwakgebufferd ven. Daar komt bij dat de aanwezigheid van een drukke autosnelweg die het gebied doorsnijdt een factor is die de milieuomstandigheden zodanig beïnvloeden dat naar de overtuiging van eiseres sub 1 het zwakgebufferd ven zich in haar pure vorm niet zal kunnen handhaven.
Met het wijzigingsbesluit zijn meerdere habitattypen toegevoegd aan het Natura 2000-gebied “Wijnjeterperschar”. Het gaat onder meer om het habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen. De omvang en locatie van dit habitattype is weergegeven op de habitattypenkaarten van het gebied.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseressen niet aannemelijk gemaakt dat de habitattypenkaarten van het Natura 2000-gebied “Wijneterperschar” dusdanige leemten of gebreken bevatten dat die niet aan het wijzigingsbesluit ten grondslag mogen worden gelegd. De rechtbank stelt vast dat uit de door de minister overgelegde habitattypenkaarten blijkt dat op de peildatum (de datum van de publicatie van het aanwijzingsbesluit van 22 december 2009) meer dan één are (100 m²) van het habitattype Zwakgebufferde vennen (H3130) in het Natura 2000-gebied “Wijnjeterperschar” aanwezig was. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de toelichting van de minister blijkt dat de aanwezigheid van dit habitattype in dit Natura 2000-gebied wordt bevestigd door het beheerplan en een concept-kaart van Staatsbosbeheer en de Dienst Landelijk Gebied uit 2010 waarop het habitattype H3130 te zien is. Daarbij is door de minister gecontroleerd of die gegevens de situatie ten tijde van de peildatum van het aanwijzingsbesluit weergeven. Niet gebleken is dat die controle door de minister onzorgvuldig of onjuist is uitgevoerd. De rechtbank overweegt dat het daarom niet van doorslaggevend belang is of het habitattype H3130 is vermeld in het SDF van 2011 of 2013.
Ook indien er sprake is van een onjuist of onvolledig ingevuld SDF leidt dat niet tot de conclusie dat het habitattype niet aanwezig was. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat als dit habitattype wel was opgenomen in het SDF van 2011 of 2013, dit habitattype dan zou zijn opgenomen in het aanwijzingsbesluit. Een correctie door middel van het wijzigingsbesluit was dan niet nodig geweest.
Met betrekking tot de stelling dat habitattype H3130 niet in een bestendige vorm aanwezig was omdat het zwakgebufferde ven volgens eiseres sub 1 in het afgelopen decennium is ontstaan in een gebied waar grondverzet heeft plaatsgevonden, overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat dit habitattype recent zou zijn ontstaan door grondverzet geen reden is om het niet toe te voegen aan het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit. Ook het vermoeden van eiseres sub 1 dat door veranderende omstandigheden - zijnde de verbetering van de voedselarme situatie en de aanwezige snelweg in het gebied - het habitattype in komende decennia zal doorontwikkelen naar iets anders dan een zwakgebufferd ven, vormt - wat daar ook van zij - geen reden om niet tot aanwijzing over te gaan. Op de minister rust de verplichting om elk habitattype dat in meer dan verwaarloosbare mate voorkomt aan te wijzen en te beschermen. Daarbij heeft de minister toegelicht dat het eventueel verdwijnen van dit habitattype voorkomen moet worden omdat dit Natura 2000-gebied op de communautaire lijst staat.
Wat eiseres sub 1 overigens heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de minister niet op die habitattypenkaarten mocht afgaan. Deze grond van eiseres sub 1 slaagt niet.
Ten aanzien van het Natura 2000-gebied “Rottige Meenthe en Brandemeer”
25. Eiseres sub 1 en eiser sub 9 betwijfelen of op het moment van het aanwijzen van het Natura 2000-gebied “Rottige Meenthe & Brandemeer” het habitattype Heischrale graslanden (H6230) in dat gebied voorkwam, omdat zij de aanwezigheid niet kunnen afleiden uit openbare en vrij toegankelijke informatie en omdat uit de update van het SDF van 2013 blijkt dat dit habitattype niet voorkwam.
Met het wijzigingsbesluit zijn meerdere habitattypen toegevoegd aan het Natura 2000-gebied “Rottige Meenthe en Brandemeer”. Het gaat onder meer om het habitattype H6230 Heischrale graslanden. De omvang en locatie van dit habitattype is weergegeven op de habitattypenkaarten van het gebied.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseres sub 1 en eiser sub 9 niet aannemelijk gemaakt dat de habitattypenkaarten van het Natura 2000-gebied “Rottige Meenthe & Brandemeer” dusdanige leemten of gebreken bevatten dat die niet aan het wijzigingsbesluit ten grondslag mogen worden gelegd. De rechtbank stelt vast dat uit de door de minister overgelegde habitattypenkaarten blijkt dat op de peildatum (de datum van de publicatie van het aanwijzingsbesluit van 25 april 2013) meer dan één are (100 m²) van het habitattype heischrale graslanden (H6230) in het Natura 2000-gebied “Rottige Meenthe & Brandemeer” aanwezig was. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de toelichting van de minister blijkt dat de aanwezigheid van dit habitattype in dit Natura 2000-gebied wordt bevestigd door het relevante deel van de vegetatiekartering uit 2013, waarbij de droge variant is opgenomen. Daarbij is door de minister gecontroleerd of die gegevens de situatie ten tijde van de peildatum van het aanwijzingsbesluit weergeven. Niet gebleken is dat die controle door de minister onzorgvuldig of onjuist is uitgevoerd. De rechtbank overweegt daarom dat het niet van doorslaggevend belang is of het toe te voegen habitattype H6230 is vermeld in het SDF van 2013 of dat dit SDF afwijkt van het SDF van 2018.
Ook indien er sprake is van een onjuist of onvolledig ingevuld SDF leidt dat niet tot de conclusie dat het habitattype niet aanwezig was. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat als dit habitattype wel was opgenomen in het SDF van 2013, dit habitattype zou zijn opgenomen in het aanwijzingsbesluit. Een correctie door middel van het wijzigingsbesluit was in dat geval niet nodig geweest.
Verder overweegt de rechtbank dat de verwijzing van eiseressen naar de AERIUS-Calculator, waarin de natte variant van dit habitattype is opgenomen, niet afdoet aan de juistheid en zorgvuldigheid van het wijzigingsbesluit. Uit de toelichting van het wijzigingsbesluit blijkt dat de minister op grond van het relevante deel van de vegetatiekartering uit 2013 gekozen heeft voor het toevoegen van de droge variant van dit habitattype. De enkele (niet onderbouwde) stelling van eisers dat het gebied nogal nat is, geeft geen aanleiding aan de juistheid van deze toevoeging te twijfelen. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat het de verantwoordelijkheid van de provincie Fryslân is om niet de KDW van de droge variant van dit habitattype in de AERIUS-Calculator op te (laten) nemen.
Voor zover deze eisers betogen dat in de PAS-analyse en het beheerplan wordt aangegeven dat er weinig informatie is over de verspreiding en trends van habitatsoorten in dit Natura 2000-gebied, wijst de rechtbank erop dat met habitatsoorten wordt gedoeld op de soorten van bijlage II van de Hrl en dat dit geen betrekking heeft op de aanwezigheid van de met het wijzigingsbesluit toegevoegde habitattypen van bijlage I.
Wat deze eisers overigens hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de minister niet op die habitattypenkaarten mocht afgaan. Deze grond van deze eisers slaagt niet.
Ten aanzien van het Natura 2000-gebied “Holtingerveld”
26. Eiseres sub 1 en eiseres sub 6 betwijfelen of op het moment van het aanwijzen van het Natura 2000-gebied “Holtingerveld” het habitattype Zwakgebufferde vennen (H3130) in dat gebied voorkwam, omdat zij de aanwezigheid niet kunnen afleiden uit openbare en vrij toegankelijke informatie en omdat uit het SDF van 2016 blijkt dat dit habitattype niet aanwezig was op de peildatum.
Met het wijzigingsbesluit zijn meerdere habitattypen toegevoegd aan het Natura 2000-gebied “Holtingerveld”. Het gaat onder meer om het habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen. De omvang en locatie van dit habitattype is weergegeven op de habitattypenkaarten van het gebied.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseres sub 1 en eiseres sub 6 niet aannemelijk gemaakt dat de habitattypenkaarten van het Natura 2000-gebied “Holtingerveld” dusdanige leemten of gebreken bevatten dat die niet aan het wijzigingsbesluit ten grondslag mogen worden gelegd. De rechtbank stelt vast dat uit de door de minister overgelegde habitattypenkaarten blijkt dat op de peildatum (de datum van de publicatie van het aanwijzingsbesluit van 25 april 2013) meer dan één are (100 m²) van het habitattype zwakgebufferde vennen (H3130) in het Natura 2000-gebied “Holtingerveld” aanwezig was. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de toelichting van de minister blijkt dat habitattypekaart in dit geval is gebaseerd op de vegetatiekaart uit 2011 en de veldkartering uit 2014. Uit de vegetatiekaart uit 2011 blijkt dat er twee locaties zijn in dit Natura 2000-gebied waar dit habitattype aanwezig was. Uit de veldkartering uit 2014, bevestigd door een luchtfoto uit 2012 van dit Natura 20000-gebied, blijkt dat er drie locaties zijn gevolgd waar dit habitattype aanwezig was. Daar komt bij dat ook uit het beheerplan Holtingerveld volgt dat dit habitattype in dit Natura 2000-gebied voorkomt. De rechtbank overweegt dat het daarom niet van doorslaggevend belang is of het toe te voegen habitattype H3130 is vermeld in het SDF van 2016.
Ook indien sprake is van een onjuist of onvolledig ingevuld SDF leidt dat niet tot de conclusie dat het habitattype niet aanwezig was. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat als dit habitattype wel was opgenomen in het SDF, dit habitattype opgenomen zou zijn geweest in het aanwijzingsbesluit. Een correctie door middel van het wijzigingsbesluit was in dat geval niet nodig geweest.
Wat deze eiseressen overigens hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de minister niet op die habitattypenkaarten mocht afgaan. Deze grond van deze eiseressen slaagt niet.
Ten aanzien van het Natura 2000-gebied “Dwingelderveld”
27. Eiseres sub 1 en eiseres sub 7 betwijfelen of op het moment van het aanwijzen van het Natura 2000-gebied “Dwingelderveld” het habitattype Zeer zwakgebufferde vennen (H3110) in dat gebied voorkwam, omdat uit het SDF van 2016 blijkt dat dit habitattype niet aanwezig was en dit habitattype ook niet voorkomt in het beheerplan met bijbehorende kaarten en niet was opgenomen in de AERIUS-Monitor.
Met het wijzigingsbesluit zijn meerdere habitattypen toegevoegd aan het Natura 2000-gebied “Dwingelderveld”. Het gaat onder meer om het habitattype H3110 Zeer zwakgebufferde vennen. De omvang en locatie van dit habitattype is weergegeven op de habitattypenkaarten van het gebied.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseres sub 1 en eiseres sub 7 niet aannemelijk gemaakt dat de habitattypenkaarten van het Natura 2000-gebied “Dwingelderveld” dusdanige leemten of gebreken bevatten dat die niet aan het wijzigingsbesluit ten grondslag mogen worden gelegd. De rechtbank stelt vast dat uit de door de minister overgelegde habitattypenkaarten blijkt dat op de peildatum (de datum van de publicatie van het aanwijzingsbesluit van 4 juli 2013) meer dan één are (100 m²) van het habitattype Zeer zwakgebufferde vennen (H3110) in het Natura 2000-gebied “Dwingelderveld” aanwezig was. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de toelichting van de minister blijkt dat dit habitattype niet is genoemd in het beheerplan 2016, omdat de provincie Drenthe zich in het beheerplan heeft beperkt tot de op dat moment aangewezen habitattypen. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan het gegeven dat dit habitattype niet is vermeld in het beheerplan van 2016 daarom niet de waarde worden toegekend die deze eiseressen eraan gehecht wensen te zien. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat dit beheerplan geen betrekking heeft op de aanwezigheid van dit habitattype ten tijde van de peildatum van het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de verwijzing naar de AERIUS-Monitor door deze eiseressen. De opgenomen informatie in de AERIUS-Monitor heeft ook geen betrekking op de aanwezigheid van dit habitattype ten tijde van de peildatum van het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit.
Dat er sprake is van een onjuist of onvolledig ingevuld SDF leidt evenmin tot de conclusie dat het habitattype niet aanwezig was. Met betrekking tot het gebiedje met de “Littorellionvegetaties” heeft de minister toegelicht dat in delen van het ven sprake was van een vegetatie met waterlobelia en dat die vegetatie behoort tot het verbond “Littorellion” maar dat de Associatie van Biesvaren en Waterlobelia op grond van het Natura 2000-profielendocument behoort tot het habitattype H3110. De rechtbank ziet geen aanleiding om tot de conclusie te komen dat de door de minister gegeven toelichting onjuist is.
28. Verder betogen deze eiseressen dat in het licht van de uitbreidingsdoelstelling die voor het zeer zwak gebufferde ven in het wijzigingsbesluit is gekozen, het in de rede ligt om een belangenafweging uit te voeren.
In rechtsoverweging 20. is al verwezen naar vaste jurisprudentie van de Afdeling waaruit volgt dat bij de wijze van het formuleren van instandhoudingsdoelstellingen rekening mag worden gehouden met, onder andere, economische overwegingen.
In het verweerschrift heeft de minister aangevoerd dat wel een zekere beoordelingsmarge bestaat ten aanzien van het ambitieniveau van de instandhoudingsdoelstellingen, mits daarmee wordt voldaan aan de vereisten van artikel 6 van de Hrl en het bereiken van een landelijk gunstige staat van instandhouding niet wordt bemoeilijkt.
De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat de minister bij het vaststellen van het ambitieniveau voor het habitattype H3110 zeer zwakgebufferde vennen die in het wijzigingsbesluit zijn toegevoegd aan het Natura 2000-gebied “Dwingelderveld” onvoldoende rekening heeft gehouden met de (bedrijfs)belangen van eiseressen. Daarvoor hebben eiseressen die belangen, en ook de gevolgen die het wijzigingsbesluit voor hen heeft of kan hebben, onvoldoende onderbouwd. Zij hebben niet concreet inzichtelijk gemaakt op welke manier het wijzigingsbesluit daadwerkelijk een (extra) belemmering voor hun bedrijfsvoering zal opleveren. Daar komt bij dat eiseressen hun belangen (ook) in de zienswijzefase niet gemotiveerd naar voren hebben gebracht, zodat die voor de minister bij de vaststelling van het wijzigingsbesluit niet duidelijk kenbaar waren. In wat eisers in beroep hebben aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om te oordelen dat hun (bedrijfs)belangen onevenredig worden geschaad door het ambitieniveau voor het habitattype H3110 die in het wijzigingsbesluit is toegevoegd aan het Natura 2000-gebied “Dwingelderveld”. Deze grond van deze eiseressen slaagt niet.
Wat deze eiseressen overigens hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de minister niet op die habitattypenkaarten mocht afgaan. Deze grond van deze eiseressen slaagt niet.
Ten aanzien van Natura 2000-gebied “Mantingerzand”
29. Eiseres sub 1 en eisers sub 8 en 9 betwijfelen of op het moment van het aanwijzen van het Natura 2000-gebied “Mantingerzand” het habitattype Zwakgebufferde vennen (H3130) in dat gebied voorkwam, omdat uit het SDF van 2016 blijkt dat dit habitattype niet aanwezig was in 2013.
Met het wijzigingsbesluit zijn meerdere habitattypen toegevoegd aan het Natura 2000-gebied “Mantingerzand”. Het gaat onder meer om het habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen. De omvang en locatie van dit habitattype is weergegeven op de habitattypenkaarten van het gebied.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseres sub 1 en eisers sub 8 en 9 niet aannemelijk gemaakt dat de habitattypenkaarten van het Natura 2000-gebied “Mantingerzand” dusdanige leemten of gebreken bevatten dat die niet aan het wijzigingsbesluit ten grondslag mogen worden gelegd. De rechtbank stelt vast dat uit de door de minister overgelegde habitattypenkaarten blijkt dat op de peildatum (de datum van de publicatie van het aanwijzingsbesluit van 25 april 2013) meer dan één are (100 m²) van het habitattype Zwakgebufferde vennen (H3130) in het Natura 2000-gebied “Mantingerzand” aanwezig was. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de toelichting van de minister blijkt dat dit habitattype in veel kaartvlakken voorkomt en door meerdere vegetatietypen, gekarteerd in 2012, wordt onderbouwd. De habitattypekaart is in dit geval gebaseerd op de vegetatiekaart uit 2011 en de veldkartering uit 2014. De rechtbank overweegt dat het daarom niet van doorslaggevend belang is dat het toe te voegen habitattype H3130 niet is vermeld in het SDF (2016) voor het jaar 2013.
Ook indien sprake is van een onjuist of onvolledig ingevuld SDF leidt dat niet tot de conclusie dat het habitattype niet aanwezig was. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat als dit habitattype wel was opgenomen in het SDF, dit habitattype opgenomen zou zijn in het aanwijzingsbesluit. Een correctie door middel van het wijzigingsbesluit was in dat geval niet nodig geweest.
Het enkele gegeven dat het habitattype H3130 zich - zoals onder meer volgt uit het beheerplan - in een pioniersfase bevindt, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit habitattype niet in een (bestendige) meer dan verwaarloosbare mate aanwezig was in dit Natura 2000-gebied ten tijde van de peildatum. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de habitatkaart 2014, deel uitmakend van het beheerplan, kan worden afgeleid dat een oppervlakte van circa 8,5 hectare van dit habitattype in dit Natura 2000-gebied voorkomt, terwijl deze habitattypenkaart van vlak na het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit is. Bovendien geldt voor de minister de verplichting om dit habitattype op te nemen bij een aanwezigheid daarvan vanaf één are.
Wat deze eiseressen overigens hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de minister niet op die habitattypenkaarten mocht afgaan. Deze grond van deze eiseressen slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
30. Gelet op de voorgaande overwegingen zijn de beroepen van eiseressen ongegrond. Eiseressen krijgen geen gelijk en het wijzigingsbesluit blijft in stand.
Vanwege het in overweging 15.5. geconstateerde gebrek moet de minister wel het griffierecht en de proceskosten van eisers betalen. De proceskosten worden vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarbij houdt de rechtbank er rekening mee dat eisers zijn bijgestaan door dezelfde gemachtigde. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kunnen deze kosten die de minister aan eisers gezamenlijk moet vergoeden worden begroot op € 2.802,- (beroepschrift één punt en het verschijnen ter zitting één punt; waarde per punt € 934,-; gewicht van de zaken: gemiddeld) in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarbij heeft de rechtbank met toepassing van het bepaalde in de bijlage bij het Bbp onder C2 (vier zaken of meer) een wegingsfactor van 1,5 toegekend.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, voorzitter, mr. S. Ketelaars-Mast en
mr. E. Hardenberg, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Habitatrichtlijn
Artikel 1
(…),
e. Onder staat van instandhouding van een natuurlijke habitat wordt verstaan: de som van invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten op het in artikel 2 bedoelde grondgebied. De “staat van instandhouding” wordt als gunstig beschouwd wanneer:
- het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en
- de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en
- de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is als bedoeld in letter i.
(…),
i. De staat van instandhouding van een soort wordt als “gunstig beschouwd” wanneer uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden.
(…).
Artikel 2
1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is.
2. De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantesoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.
3. In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.
Artikel 3
1. Er wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk, dat bestaat uit gebieden met in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats en habitats van in bijlage II genoemde soorten, moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen . Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de Lid-Staten overeenkomstig Richtlijn 79 /409 /EEG aangewezen speciale beschermingszones.
2. Elke Lid-Staat draagt bij tot de totstandkoming van Natura 2000 al naar gelang van de aanwezigheid op zijn grondgebied van de typen natuurlijke habitats en habitats van soorten als bedoeld in lid 1. Hij wijst daartoe, overeenkomstig artikel 4 en met inachtneming van de doelstellingen van lid 1, gebieden als speciale beschermingszones aan.
Artikel 4
1. Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke Lid-Staat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Voor diersoorten met een zeer groot territorium komen deze gebieden overeen met de plaatsen, binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van die soorten , die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn . Voor aquatische soorten met een groot territorium worden deze gebieden alleen voorgesteld indien het mogelijk is een zone duidelijk af te bakenen die de fysische en biologische elementen vertoont welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Zo nodig stellen de Lid-Staten aanpassingen van de lijst voor in het licht van de resultaten van het in artikel 11 bedoelde toezicht.
De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. Deze informatie omvat een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede de gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, en wordt verstrekt op basis van een door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 opgesteld formulier.
(…),
4. Wanneer een gebied volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, wijst de betrokken Lid-Staat dat gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging
Artikel 6
1. De Lid-Staten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen.
Wet natuurbescherming
Artikel 1.5
1. Onze Minister stelt een nationale natuurvisie vast.
2. De nationale natuurvisie bevat de hoofdlijnen van het te voeren rijksbeleid gericht op het behoud en het zo mogelijk versterken van de biologische diversiteit, het duurzame gebruik van de bestanddelen daarvan en de bescherming van waardevolle landschappen, in nationaal en internationaal verband, en het behoud en het zo mogelijk versterken van de recreatieve, de educatieve en de belevingswaarde van natuur en landschap, in samenhang met het beleid om te komen tot een verduurzaming van de economie.
(…)
5. De nationale natuurvisie bevat voor zover mogelijk een kwantificering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de in Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden te beschermen habitats en soorten en verschaft in samenhang daarmee en in samenhang met de staat van instandhouding van deze habitats en soorten inzicht in voorgenomen wijzigingen van de besluiten tot aanwijzing van die Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden.
Artikel 1.8
1. Onze Minister ziet toe op de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats, de habitats van soorten en de dier- en plantensoorten, genoemd in onderscheidenlijk de bijlagen I, II, IV en V bij de Habitatrichtlijn, en van de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de Vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten.
Artikel 2.1
1. Onze Minister wijst gebieden aan als speciale beschermingszones ter uitvoering van de artikelen 3, tweede lid, onderdeel a, en 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn en de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn. De speciale beschermingszones worden aangeduid als “Natura 2000-gebied”.
2. Ingeval een gebied geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door één van Onze andere Ministers, neemt Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid in overeenstemming met die andere Minister.
3. Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt als bijlage een kaart opgenomen waarop de begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven.
4. Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. Daartoe behoren in elk geval de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van:
a. de leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, of
b. de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.
5. Op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
6. Onze Minister draagt, mede in het licht van de toepassing van artikel 1.8, eerste lid, en gevolg gevend aan het inzicht, bedoeld in artikel 1.5, vijfde lid, zorg voor de actualisatie van de besluiten, bedoeld in het eerste lid.
7. Onze Minister kan een besluit als bedoeld in het eerste lid wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de eerste volzin is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, behalve in geval van wijzigingen van ondergeschikte aard. Bij een besluit tot gedeeltelijke intrekking of wijziging kan als bijlage een kaart worden opgenomen waarop de gewijzigde begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven.