RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaak-/rolnummer.: 12169890 AR VERZ 26-33
beschikking van de kantonrechter van 9 juli 2026
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE BERKELLAND,
zetelende te Borculo,
verzoekende partij in de zaak van het verzoek,
verwerende partij in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek,
gemachtigde: mr. G.M. Hissink,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [plaats 1] ,
verwerende partij in de zaak van het verzoek,
verzoekende partij in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek,
gemachtigde: mr. M. Ichoh.
Partijen zullen hierna Berkelland en [verweerder] worden genoemd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 1 april 2026;
- het verweerschrift, tevens houdende het voorwaardelijk tegenverzoek;
- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [verweerder] is zelf niet ter zitting verschenen.
Beschikking is bepaald op heden.
2. De feiten
[verweerder] is per 1 september 2016 in dienst getreden bij Berkelland op basis van een ambtelijke aanstelling. [verweerder] was gemiddeld 36 uur werkzaam voor Berkelland als [functie] tegen een salaris van laatstelijk (op 20 juni 2018) € 4.161,00 bruto per maand.
Op 12 juni 2018 heeft [verweerder] Berkelland verzocht om hem op grond van artikel 125c van de Ambtenarenwet 1929 (hierna: de Aw 1929), met ingang van 20 juni 2018 voor zijn volledige functie-omvang buitengewoon verlof te verlenen voor de vervulling van de taken als wethouder voor de gemeente [plaats 2] .
Bij brief van 26 juni 2018 heeft Berkelland het politiek verlof aan [verweerder] toegekend. In deze brief staat voor zover van belang het volgende vermeld:
“(…)Met ingang van 20 juni 2018 verlenen we je politiek verlof op grond van artikel 125c van de Ambtenarenwet en artikel 6:4:4 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling sector gemeenten/ Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO). Het verlof geldt vooreerst voor de periode van de huidige coalitieperiode van de gemeente [plaats 2] (vier jaar).
Met het verlenen van politiek verlof wordt je tijdelijk ontheven van je functie als [functie] bij Team Bestuursondersteuning voor gemiddeld 36 uren per week (voltijd).
Politiek verlof geeft niet per definitie het recht van terugkeer. We bekijken zorgvuldig of we je na afloop van je wethouderschap weer in actieve dienst kunnen nemen. Is er geen passende of geschikte functie voorhanden dan volgt eervol ontslag op grond van artikel 8:9 van de CAR/UWO.
Bezoldiging
Bij politiek verlof bestaat geen recht op doorbetaling van het salaris en eventueel toegekende toeslagen zoals het individueel keuzebudget (IKB). Er vindt geen pensioenopbouw plaats vanuit het ambtenaarschap (ABP) omdat je voor je volledige functie-omvang politiek verlof vraagt. Via de gemeente [plaats 2] bouw je pensioen op grond van de Algemene pensioenwet politiek ambtsdragers (APPA) op. De VUT- en AAOP (arbeidsongeschiktheid) premies blijven wel verschuldigd. Dit betekent dat maandelijks sprake is van een negatief salaris. Hiervoor ontvang je van de financiële administratie maandelijks een factuur.
Afrekening
Je salaris stopt met ingang van 20 juni 2018. Je opgebouwde recht op IKB wordt afgerekend. Resterende verlof-uren en werkuren worden uitbetaald in juli.”
Op 14 juni 2022 heeft [verweerder] Berkelland verzocht om het politiek verlof te verlengen wegens zijn herbenoeming als wethouder van de gemeente [plaats 2] . Berkelland heeft dit verzoek gehonoreerd bij brief van 3 november 2022. Voor zover van belang staat in de brief het volgende vermeld:
“(…) Met ingang van 21 juni 2022 verlenen we je dit politiek verlof.
In artikel 15 van de Ambtenarenwet 2017 is overgangsrecht neergelegd (o.a.) met betrekking tot het ten gevolge van de wnra vervallen artikel 125c lid 2 van de Ambtenarenwet. In dit artikel werd het politiek verlof geregeld. Uit het overgangsrecht volgt dat de oude regeling uit artikel 125c lid 2 blijft gelden voor de gemeenteambtenaar die al voor 1 januari 2020 het politiek ambt van wethouder is gaan bekleden. Het overgangsrecht geldt ook voor deze aansluitende herbenoeming.
Met het verlenen van politiek verlof wordt je tijdelijk ontheven van je functie als [functie] bij Team Bestuursondersteuning voor gemiddeld 36 uur per week (voltijd).
Politiek verlof geeft niet per definitie recht op terugkeer. We kijken zorgvuldig of we je na afloop van het wethouderschap weer in actieve dienst kunnen nemen. Is er geen passende of geschikte functie voorhanden, da wordt de arbeidsovereenkomst op basis van ‘overige gronden ‘(artikel 7:669 lid 3 sub h BW) beëindigd.”
Op 31 maart 2025 heeft [verweerder] een aanvraag ingediend tot verlenging van het politiek verlof op grond van artikel 15 Ambtenarenwet 2017 (hierna: de Aw 2017) in verband met zijn benoeming tot burgemeester van de gemeente [plaats 1] met ingang van 1 april 2025.
In de daaropvolgende periode hebben de advocaten van partijen meerdere keren contact gehad over de uitleg van het overgangsrecht en de gevolgen hiervan voor de arbeidsovereenkomst van [verweerder] .
Op 1 december 2025 heeft Berkelland formeel gereageerd op het verzoek:
“Politiek verlof als wethouder
In de periode vanaf 20 juni 2018 is aan jou politiek verlof toegekend vanwege de vervulling van taken als wethouder van de gemeente [plaats 2] . Met de toekenning van het politiek verlof ben je tijdelijk ontheven van je functie als [functie] bij team Bestuursondersteuning voor 36 uur per week. In 2022 ben je herbenoemd als wethouder van de gemeente [plaats 2] en is het politiek verlof verlengd vanwege de overgangsregeling in artikel 15 Ambtenarenwet 2017 en de tot 1 januari 2020 geldende regeling voor ambtenaren in artikel 125c Ambtenarenwet 1929.
Bij de toekenning is aan jou bevestigd dat politiek verlof niet per definitie betekent dat wij jou ook weer een passende inzet kunnen bieden. We hebben aangegeven dat we dit zorgvuldig zullen bekijken. Daar waar er geen passende of geschikte functies voorhanden zijn, ben je erop gewezen dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst op basis van ‘overige gronden ‘(artikel 7:669 lid 3 sub h BW) in de rede ligt.
Verschil van inzicht over nieuw verzoek en afwijzing aanvraag
Jouw meest recente verzoek om (verlenging van het) politiek verlof houdt verband met jouw benoeming als burgemeester van de gemeente [plaats 1] . We hebben aangegeven dat wij menen dat er niet (opnieuw) sprake is van een verlengde situatie, waardoor het overgangsrecht niet langer van toepassing is. Voorts hebben we je aangegeven dat de vanaf 1 januari 2020 geldende regeling van artikel 7:643 BW niet geldt voor het ambt van burgemeester.
Op basis van de in de afgelopen periode gevoerde gesprekken tussen onze advocaten constateren wij dat er een blijvend verschil van inzicht bestaat omtrent het recht op politiek verlof. Gelet op ons standpunt zoals hierboven kort weergegeven, menen wij dat jij geen recht hebt op politiek verlof en wijzen jouw aanvraag af.
Beëindiging dienstverband
Het niet opnieuw toekennen van politiek verlof brengt met zich dat de tussen ons nog bestaande arbeidsovereenkomst dient te worden beëindigd. Naar ons oordeel is het meest passend als jij het initiatief neemt tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Indien dit verzoek ons niet bereikt voor 31 december 2025, dan zullen wij een verzoek indienen bij de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op basis van ‘overige gronden ‘artikel 7:669 lid 3 sub h BW). Wij verzoeken je uiterlijk om 31 december 2025 schriftelijk te reageren of je zelf tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst overgaat, zodat wij indien nodig, verdere stappen kunnen gaan ondernemen.”
Bij brief van 30 december 2025 is namens [verweerder] meegedeeld dat hij zijn eerder ingenomen standpunten handhaaft en voorgesteld om de kantonrechter op grond van artikel 96 Rv te verzoeken een oordeel te geven over rechtsvraag of [verweerder] aanspraak kan maken op verlenging van het politiek verlof. De gemachtigde van [verweerder] heeft aangegeven dat in
dat kader vooraf kan worden afgesproken dat wanneer de kantonrechter oordeelt dat [verweerder] géén recht heeft op verlenging van diens politiek verlof, [verweerder] daarin zal berusten en zelf zijn arbeidsovereenkomst zal opzeggen. Indien wordt geoordeeld dat [verweerder] wel recht heeft op verlenging van zijn politiek verlof, geeft [verweerder] daaraan de voorkeur maar is hij, als Berkelland dat wil, bereid om een vaststellingsovereenkomst te sluiten waarin hem een financiële tegemoetkoming als compensatie voor vervallen rechten wordt geboden. De gemachtigde van [verweerder] heeft aangekondigd dat wanneer Berkelland in weerwil van het voorstel eenzijdig een ontbindingsverzoek indient, een afschrift van zijn brief in het geding zal worden gebracht, om de kantonrechter te informeren dat Berkelland tegen beter weten in optreedt, onzorgvuldig en zelf ernstig verwijtbaar handelt.
Op 22 januari 2026 heeft Berkelland het voorstel van [verweerder] afgewezen en toegelicht waarom zij daarin niet meegaat. Berkelland schrijft onder meer dat een financiële tegemoetkoming, mede gelet op het vangnet dat de Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers (Appa) [verweerder] biedt, wat haar betreft niet aan de orde is en dat zij zich niet herkent in de suggestie dat zij niet zorgvuldig, of zelfs ernstig verwijtbaar zou handelen.
3. Het verzoek, het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek
Berkelland verzoekt de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
- de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op een kortst mogelijke termijn te ontbinden op grond van artikel 7:669, lid 3, sub h, BW,
- met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding.
Volgens Berkelland is sprake van een inhoudsloze arbeidsovereenkomst. Ofwel omdat Berkelland het politiek verlof met juistheid heeft geweigerd te verlengen, of wel omdat partijen niet tot een hernieuwde invulling van het dienstverband kunnen en willen komen. Indien het dienstverband om die reden wordt beëindigd, meent Berkelland dat [verweerder] geen financiële aanspraken meer jegens haar heeft, nu de laatste acht jaar geen invulling van het dienstverband heeft plaatsgevonden.
[verweerder] voert verweer strekkende tot afwijzing van het verzoek van Berkelland. Voor het geval de kantonrechter dat verzoek toewijst, verzoekt [verweerder] :
a) te bepalen dat de arbeidsovereenkomst niet eerder eindigt dan met inachtneming van de volledige opzegtermijn van twee maanden:
b) Berkelland te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van de wettelijke transitievergoeding over de volledige duur van het dienstverband, te berekenen aan de hand van het laatstgenoten bruto maandsalaris van € 6.622,00, nader te berekenen op € 25.416,12 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ontbinding;
c) Berkelland te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van een billijke vergoeding van € 35.000,00 bruto, wegens ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van Berkelland als werkgever, te vermeerderen met de wettelijke rente,
en zowel primair als subsidiair Berkelland te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente.
[verweerder] voert aan de wet geen corrigerende berekeningswijze kent voor perioden van door de werkgever verleend onbetaald verlof en dat het maandsalaris dat volgens de in december 2025 geldende loontabellen bij zijn functie hoort, inclusief vakantietoeslag en eventuele vaste looncomponenten € 7.750,85 bruto bedraagt.
Daarnaast maakt een samenstel van gedragingen van Berkelland, dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, zodat [verweerder] recht heeft op een billijke vergoeding.
Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
4. De beoordeling
Het verzoek van Berkelland
De kern van het geschil
[verweerder] is op 1 september 2016 bij Berkelland in dienst getreden. Met ingang van 20 juni 2018 heeft Berkelland aan hem op grond van artikel 125c Aw 1929 zogenoemd ‘politiek verlof’ verleend voor de duur van vier jaren voor de vervulling van de taken als wethouder voor de gemeente [plaats 2] . Op 21 juni 2022 heeft Berkelland opnieuw aan [verweerder] politiek verlof verleend voor de aansluitende herbenoeming van [verweerder] als wethouder van de gemeente [plaats 2] . [verweerder] is met ingang van 1 april 2025 benoemd tot burgemeester van de gemeente [plaats 1] . [verweerder] heeft kort voor zijn benoeming wederom een aanvraag ingediend tot verlenging van politiek verlof. Dit verzoek is door Berkelland afgewezen. Volgens Berkelland was het overgangsrecht voor politiek verlof niet van toepassing op het nieuwe verzoek van [verweerder] en moest zijn verzoek beoordeeld worden op grond van artikel 7:643 BW. Niet in geschil is dat laatstgenoemd artikel niet voor het ambt van burgemeester geldt. Berkelland verzoekt de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 sub h BW te ontbinden, omdat [verweerder] daaraan geen invulling geeft en de overeenkomst daardoor inhoudsloos is geworden. De functie van [verweerder] , [functie] , bestaat inmiddels ook niet meer, aldus Berkelland.
Volgens [verweerder] heeft hij op grond van artikel 125 c lid 2 Aw 1929 recht op politiek verlof en is Berkelland gehouden om hem dat te verlenen. Uit het overgangsrecht in artikel 15 lid 2 Aw 2017 volgt aldus [verweerder] , dat dit artikel blijft gelden voor de gemeenteambtenaar die al voor 1 januari 2020 is benoemd in een publiekrechtelijk college en zou het overgangsrecht ook blijven gelden voor een opvolgende benoeming, ongeacht of het om een benoeming in hetzelfde of in een ander college gaat. Berkelland zou dit bij besluit van 3 november 2022 ook hebben toegezegd aan [verweerder] en kan op deze toezegging niet terugkomen. Volgens [verweerder] is er geen sprake van een ‘lege huls’ bij een voortdurend verlof. [verweerder] benoemt dat burgemeesters in een kwetsbare positie verkeren en hij wil als hij zijn functie verliest, de mogelijkheid hebben om bij Berkelland terug te keren naar actieve arbeid.
Als de kantonrechter aanleiding ziet om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, verzoekt [verweerder] om aan hem een transitie- en een billijke vergoeding toe te kennen, nu de handelswijze van Berkelland onzorgvuldig en ernstig verwijtbaar is geweest.
Heeft [verweerder] recht op politiek verlof?
Anders dan door Berkelland wordt bepleit, is voor de beoordeling van het verzoek tot ontbinding naar het oordeel van de kantonrechter van belang of aan [verweerder] op grond van het overgangsrecht politiek verlof had moeten worden verleend. Als [verweerder] hierop recht heeft, is sprake van een uitbreiding van artikel 7:643 BW. In dat geval brengt een redelijke uitleg van artikel 7:670 lid 6 BW mee dat het opzegverbod van toepassing is en kan de kantonrechter op grond van artikel 7:671b lid 2 BW niet overgaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De eerste vraag is dan ook of [verweerder] als burgemeester van [plaats 1] nog recht heeft op politiek verlof.
De kantonrechter overweegt dat politiek verlof voor 1 januari 2020 was geregeld in artikel 125c Aw 1929. Berkelland heeft [verweerder] op grond van dat artikel in 2018 en 2022 tijdelijk van zijn functie ontheven om voltijds het ambt van wethouder bij de gemeente [plaats 2] te gaan vervullen. Dat een tijdelijke ontheffing is toegekend, betekent, anders dan waarvan partijen in deze procedure uit lijken te gaan, dat het eerste lid en niet het tweede lid van artikel 125c Aw1929 is toegepast. Deze bepaling luidt als volgt:
“1. Een ambtenaar, die een functie in publiekrechtelijke colleges, waarin hij is benoemd of verkozen, gezien de omvang van de daaruit voortvloeiende werkzaamheden, niet gelijktijdig kan vervullen met zijn ambt, wordt in verband daarmede tijdelijk ontheven van de waarneming van zijn ambt, tenzij het dienstbelang zich tegen ontheffing verzet. Betreffende het doorbetalen van bezoldiging kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de door of vanwege het rijk aangestelde ambtenaren, dan wel door het bevoegde gezag der provincies, gemeenten en waterschappen voor de ambtenaren door of vanwege deze lichamen aangesteld, regels worden gesteld.”
Het tweede lid van artikel 125c Aw 1929 ziet op buitengewoon verlof voor het bijwonen van vergaderingen en zittingen en het verrichten van daaruit voortvloeiende werkzaamheden als er geen tijdelijke ontheffing is verleend.
In de overgangsbepaling van artikel 15 lid 2 Aw 2017 is met betrekking tot de werking van artikel 125c Aw 1929 na de inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) het volgende opgenomen:
“De ambtenaar die op het in het eerste lid bedoelde tijdstip is benoemd of gekozen in een functie als bedoeld in artikel 125c, eerste of tweede lid, zoals dat luidde voorafgaand aan dat tijdstip, behoudt de verleende ontheffing van de waarneming van zijn ambt onderscheidenlijk het verleende buitengewoon verlof. Ingeval op de bezoldiging een inhouding wordt toegepast over de tijd dat hij verlof geniet, blijven deze inhouding en de daarop van toepassing zijnde regels van kracht.”
In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010-2011, 32550, nr 3, p. 28) staat:
“Voor zover de regeling op grond van artikel 125c Ambtenarenwet gunstiger is dan die van artikel 7:643 BW, blijft voor degenen die bij inwerkingtreding van het onderhavige voorstel van wet van artikel 125c gebruik maken, dat artikel op grond van artikel 133, derde lid, onderdeel uitmaken van de na inwerkingtreding ontstane arbeidsovereenkomst. Dit geldt niet voor ambtenaren die na inwerkingtreding van onderhavig voorstel van wet pas lid worden van een in artikel 125c bedoeld publiekrechtelijk college.”
Aan [verweerder] kan worden toegegeven dat de opmerking in de Memorie van Toelichting dat artikel 125c Aw 1929 deel uit blijft maken van de arbeidsovereenkomst als daarvan al gebruik wordt gemaakt, steun biedt aan de uitleg die hij voorstaat. De vraag is echter of dat dat artikel ook van toepassing blijft als er sprake is van een benoeming in een ander publiekrechtelijk college. [verweerder] meent van wel, terwijl Berkelland in de laatst geciteerde zin leest dat het om hetzelfde college moet gaan.
De kantonrechter volgt het standpunt van Berkelland. Zij kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan het feit dat in artikel 15 lid 2 Aw 2017 staat dat de verleende ontheffing van de waarneming van het ambt wordt behouden. Dat het politiek verlof dat Berkelland heeft verleend ziet op de werkzaamheden van [verweerder] als wethouder in [plaats 2] en dat [verweerder] voor zijn ambt als burgemeester van [plaats 1] een nieuw verzoek heeft ingediend, is niet in geschil.
Dit betekent dat Berkelland het verzoek van [verweerder] tot het verlenen van politiek verlof terecht heeft beoordeeld op basis van het na de inwerkingtreding van de Wnra per 1 januari 2020 ook voor ambtenaren geldende artikel 7:643 BW. Dat artikel biedt geen grondslag voor het verlenen van verlof aan een werknemer die het ambt van burgemeester gaat bekleden. Het verzoek van [verweerder] is door Berkelland daarom op juiste gronden afgewezen. Anders dan [verweerder] , leest de kantonrechter in de beslissing van 3 november 2022 van Berkelland niet de toezegging dat artikel 125c Aw 1929 altijd voor [verweerder] zou blijven gelden. In die beslissing, die op verzoek van [verweerder] is gegeven nadat hij opnieuw als wethouder van de gemeente [plaats 2] was benoemd, wordt verwezen naar artikel 15 Aw 2017 en vermeld dat het overgangsrecht ook blijft gelden voor zijn aansluitende herbenoeming. [verweerder] mocht er daarom niet op vertrouwen dat Berkelland hem opnieuw zou ontheffen van zijn werkzaamheden bij het aanvaarden van het burgemeestersambt.
Daar komt bij dat artikel 125c lid 1 Aw 1929 een werknemer recht geeft op een tijdelijke ontheffing van zijn functie en aan de werkgever de mogelijkheid biedt om dat niet toe te kennen als het dienstbelang zich daartegen verzet. Nu [verweerder] inmiddels acht jaar voltijds elders een bezoldigde publieke functie bekleedt en geen werkzaamheden meer voor Berkelland verricht, lijkt er sprake van een meer structurele situatie en benodigde ontheffing.
De conclusie is dat Berkelland het verzoek van [verweerder] tot het verlenen van politiek verlof terecht heeft geweigerd. Aan [verweerder] komt voor zijn nieuwe functie als burgemeester van [plaats 1] geen politiek verlof met een ontheffing van zijn werkzaamheden toe. Dat betekent dat het opzegverbod van artikel 7:670 lid 6 BW niet aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat.
Kan de arbeidsovereenkomst ontbonden worden op grond van artikel 7:669 lid 3 sub h BW?
De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 7:669, lid 3, onder h, BW de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden indien sprake is van andere dan onder a t/m g genoemde omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever niet in redelijkheid kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
Berkelland heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de arbeidsovereenkomst inhoudsloos is geworden. [verweerder] heeft na een inzet van nog geen twee jaar, gedurende een periode van zeven jaar politiek verlof genoten wegens zijn benoeming en herbenoeming als wethouder van de gemeente [plaats 2] . [verweerder] is daarna per 1 april 2025 benoemd als burgemeester van de gemeente [plaats 1] . Hij heeft hiervoor geen politiek verlof gekregen van Berkelland en is niet ingegaan op haar verzoeken om de arbeidsovereenkomst op te zeggen of - zonder financiële aanspraken - met een vaststellingsovereenkomst te beëindigen. Volgens Berkelland is er sprake van een situatie waarbij in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten.
De kantonrechter stelt voorop dat artikel 7:669 lid 3 sub h BW een zelfstandig karakter heeft en is bedoeld voor situaties die niet zijn terug te voeren naar de overige gronden genoemd in artikel 7:669 BW. Een situatie als de onderhavige, waarin een werknemer geen werkzaamheden bij zijn werkgever kan verrichten vanwege het bekleden van een functie elders, valt naar het oordeel van de kantonrechter onder deze grond. [verweerder] heeft voor het verrichten van werkzaamheden in [plaats 1] , vanaf 1 april 2025 geen ontheffing gekregen. [verweerder] heeft zijn functie bij Berkelland evenwel niet meer vervuld en hij zou vanwege die werkzaamheden ook niet in staat zijn om dat te doen. De arbeidsovereenkomst is daarmee een lege huls geworden en om die reden kan van Berkelland redelijkerwijs niet gevergd worden deze te laten voortduren.
Voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst is ook vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In dit geval is herplaatsing niet aan de orde, aangezien het ambt van burgemeester een voltijdse functie betreft en niet is gebleken dat [verweerder] deze wil opgeven om terug te kunnen keren bij Berkelland.
De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden op de h-grond en wel - gelet op de termijn van ten minste een maand die volgens artikel 7:671b lid 8 sub a BW in acht moet worden genomen - per 9 augustus 2026. De opzegtermijn van twee maanden is dan ook verstreken.
De tegenverzoeken
Billijke vergoeding
[verweerder] vordert € 35.000,00 als billijke vergoeding. [verweerder] heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat Berkelland ernstig verwijtbaar jegens hem heeft gehandeld. Die ernstige verwijtbaarheid is aldus [verweerder] gelegen in een samenstel van gedragingen waaronder (1) het verlaten van een eerder ingenomen standpunt over de toepassing van het overgangsrecht van artikel 15 Aw 2017 zonder afdoende onderbouwing, (2) de afwijzing van het voorstel om via een procedure ex artikel 96 Rv een oordeel van de kantonrechter te krijgen over de rechtsvraag zonder inhoudelijke motivering, (3) het aansturen op beëindiging zonder enig arbeidsconflict of disfunctioneren en (4) de beëindiging van een wettelijk beschermd verlof op beleidsmatige gronden.
De kantonrechter stelt voorop dat een billijke vergoeding alleen toewijsbaar is als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Berkelland. De situatie doet zich hier niet voor. De kantonrechter heeft hiervoor geconcludeerd dat Berkelland het laatste verzoek om politiek verlof van [verweerder] heeft mogen weigeren. [verweerder] heeft door daarna geen uitvoering te geven aan de arbeidsovereenkomst en deze niet op te zeggen, Berkelland grond gegeven om een ontbindingsverzoek in te dienen.
Wat betreft de artikel 96 Rv-procedure: dat Berkelland daaraan geen medewerking heeft verleend is niet verwijtbaar, laat staan ernstig verwijtbaar. Berkelland was redelijkerwijs niet gehouden om op dat voorstel van [verweerder] in te gaan. [verweerder] licht ook niet toe waarom Berkelland dat wel had moeten doen. Berkelland wenste de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te beëindigen en een oordeel te krijgen over de financiële afwikkeling daarvan en daarvoor is de onderhavige ontbindingsprocedure, met de mogelijkheid van hoger beroep, de gebruikelijke weg. De door [verweerder] verzochte billijke vergoeding zal worden afgewezen.
Transitievergoeding
[verweerder] verzoekt om bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan hem een transitievergoeding toe te kennen van € 25.416,12 bruto. Dit bedrag ziet op een dienstverband van 9 jaar en 10 maanden en een bruto maandsalaris van € 7.750,85. Berkelland betwist dat [verweerder] in de gegeven omstandigheden aanspraak kan maken op een transitievergoeding. Als dat wel het geval is, moet volgens Berkelland bij de berekening rekening worden gehouden met de het feit dat [verweerder] nog geen 20% van zijn diensterband voor Berkelland heeft gewerkt, door omstandigheden die voor zijn rekening en risico komen.
Artikel 7:673 lid 1 sub a onder 2 BW bepaalt dat wanneer een arbeidsovereenkomst op verzoek van een werkgever wordt ontbonden, de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is. Dat is anders ingeval de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Berkelland heeft niet aangevoerd dat daarvan sprake is. Dat betekent dat moet worden vastgesteld wat de transitievergoeding in dit geval is.
De transitievergoeding is afhankelijk van de arbeidsduur een het laatstverdiende salaris. Uit Memorie van Toelichting blijkt dat die vergoeding enerzijds is bedoeld om in situaties waarin de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever wordt beëindigd, de gevolgen van het ontslag voor de werknemer te verzachten en anderzijds om de overstap naar een andere baan te vergemakkelijken (MvT, kamerstuk 33.818, nr. 3, hoofdstuk 4). In dit geval doet noch het een noch het ander zich voor: [verweerder] ontvangt al sinds medio 2018 geen salaris meer van Berkelland en de ontbinding wordt juist uitgesproken omdat [verweerder] voltijds een betaalde functie elders bekleedt, waardoor hij niet in staat is om nog voor Berkelland te werken. Onder deze omstandigheden is Berkelland naar het oordeel van de kantonrechter aan [verweerder] geen transitievergoeding verschuldigd. Zij zal deze daarom afwijzen.
Proceskosten
Gelet op de aard van de zaak zal de kantonrechter de proceskosten in het verzoek compenseren.
Nu de tegenverzoeken van [verweerder] worden afgewezen, zal [verweerder] worden veroordeeld in de proceskosten in het tegenverzoek. Deze worden gelet op de samenhang met het verzoek, aan de zijde van Berkelland vastgesteld op € 432,50 aan salaris gemachtigde.
5. De beslissing
De kantonrechter
Op het verzoek
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 9 augustus 2026;
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in het verzoek;
Op het tegenverzoek
wijst de tegenverzoeken van [verweerder] af;
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten in het tegenverzoek, aan de zijde van Berkelland vastgesteld op € 432,50 voor salaris gemachtigde.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. van Rossum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
c: 353/md