RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2026 in de zaak tussen
Stichting Platform Keelbos, uit Nuth, eiseres
het college van gedeputeerde staten van de provincie Groningen, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3068
(gemachtigde: J.C. Scheffer),
en
(gemachtigde: C.Q. Herfst).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen de gemeente Midden-Groningen wegens het overtreden van de Wet natuurbescherming (Wnb). Volgens eiseres is sprake van een overtreding omdat de gemeente een groot aantal bomen en struiken gerooid heeft in de omgeving Meerwijck, Kropswolde, Strandweg, omgeving naaktstrandje, zonder dat een nieuwe beplanting gerealiseerd is. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van het handhavingsverzoek. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van een overtreding en dat het college daarom niet bevoegd was handhavend op te treden. Het college heeft het handhavingsverzoek van eiseres dan ook terecht afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft het college op 25 januari 2024 verzocht om handhavend op te treden tegen de gemeente Midden-Groningen. Het college heeft dit verzoek met het besluit van 21 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college. G.J.H. Kloppenburg was ook namens het college aanwezig.
Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Ook is de gemeente Midden-Groningen gevraagd of zij als derde-belanghebbende aan de procedure deel wilde nemen. De gemeente heeft aangegeven dit niet te willen.
De rechtbank heeft vervolgens nadere informatie gevraagd aan het college. Het college heeft een schriftelijke reactie gegeven.
Eiseres heeft aangegeven een nadere zitting wenselijk te vinden.
Deze zitting is gepland op 27 januari 2026. Eiseres heeft de rechter op de zitting gewraakt. Dit wrakingsverzoek is op 12 februari 2026 kennelijk ongegrond verklaard. De inhoudelijke behandeling is daarna voortgezet.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Was er sprake van dunning als bedoeld in artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onder h, van het Besluit activiteiten leefomgeving?
Toetsingskader
3. De toepasselijke wettelijke regels en beleidsregels staan in de bijlage bij deze uitspraak.
4. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van het handhavingsverzoek. Zij stelt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het betreffende terrein in medegebruik is als homo-ontmoetingsplaats (HOP). Ter plaatse van deze HOP wordt de beschutte plaats om zich terug te trekken, vooral gevormd door struiken en bomen in bossingels. Door de werkzaamheden van de gemeente is ontbossing en kaalslag gepleegd, waardoor er geen sprake meer is van beschutting. Doordat de beschutting weg is wordt feitelijk het gebruik als HOP ontmoedigd. Eiseres verzoekt dan ook de gemeente een aanwijzing tot herplant te geven ter plaatse van het gepleegde onderhoud.
De rechtbank constateert dat een toezichthouder van de provincie vastgesteld heeft dat er onderhoud plaatsgevonden heeft langs paden en wegen, waarbij sprake is geweest van 10 tot 30% dunning. Deze constatering is opgenomen in een inspectierapport, opgemaakt na een visuele inspectie ter plaatse.
Op de zitting heeft eiseres gesteld dat het dunnen niet heeft plaatsgevonden ten behoeve van onderhoud van de groenvoorziening, maar eigenlijk het oogmerk heeft om het gebruik als HOP te ontmoedigen. Eiseres leidt dit af uit het gebruik van het woord ‘veiligheid’ in het rapport van de toezichthouder en uit een raadsvoorstel van 22 februari 2016 van de gemeente Hoogezand-Sappemeer over de voorgestelde aanpak van overlast op het naaktstrand Meerwijck. Volgens eiseres is het woord ‘veiligheid’ voor meerderlei uitleg vatbaar en kan dit ook uitgelegd worden als het ontmoedigen van homo-ontmoetingen. Daarnaast meent eiseres dat de gemeente Midden-Groningen het beleid van de voormalige gemeente Hoogezand-Sappemeer tot ontmoediging van HOP’s in combinatie met groenbeheer heeft voortgezet en dat de betreffende werkzaamheden ook met dit doel zijn uitgevoerd.
De rechtbank begrijpt uit wat eiseres aanvoert dat zij meent dat geen sprake is geweest van dunnen in de zin van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De rechtbank is echter van oordeel dat niet gebleken is dat het dunnen plaatsgevonden heeft met het doel om het gebruik als HOP te ontmoedigen. In het inspectierapport is opgenomen dat de veiligheid in het geding komt door hellende bomen richting de paden. Hieruit blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, dat het ging om de veiligheid van de gebruikers van de paden en het voorkomen van letsel van deze gebruikers en niet om veiligheid in de door eiseres bedoelde zin.Uit het raadsvoorstel van 22 februari 2016 blijkt dat er overlast ontstaan was op het naaktstrand doordat er seksuele ontmoetingen op het naaktstrand plaatsvonden en andere recreanten hiermee (ongewild) geconfronteerd werden. In overleg met betrokkenen, waaronder eiseres, is toen gezocht naar een oplossing om de ondervonden overlast aan te pakken. Dit heeft geleid tot het uiteindelijke raadsvoorstel van 22 februari 2016. Hieruit kan evenmin worden afgeleid dat het dunnen heeft plaatsgevonden met als doel om het gebruik als HOP te ontmoedigen. De rechtbank gaat er gelet op het voorgaande van uit dat er sprake was van dunnen voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand als bedoeld in artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onder h, van het Bal en niet van vellen als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1. van de Omgevingswet.
Is sprake van een overtreding?
5. Gelet op het voorgaande is Afdeling 11.3 van het Bal niet van toepassing en is geen sprake van een herplantverplichting. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het niet bevoegd is om handhavend op te treden, omdat er geen sprake is van overtreding van een wettelijk voorschrift door de gemeente. Het college heeft het handhavingsverzoek van eiseres dan ook terecht afgewezen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerick, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels
Omgevingswet
Artikel 1.1. (begripsbepalingen)
1. De bijlage bij deze wet bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen.
(..)
Artikel 4.3. (grondslag rijksregels)
(…)
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op de doelen van de wet regels worden gesteld over de volgende activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving:
(…)
d.flora- en fauna-activiteiten.
(…)
Bijlage bij artikel 1.1 van deze wet
A. Begrippen
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
(…)
houtopstand: zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend;
(…)
vellen: rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben;
(…)
Besluit activiteiten leefomgeving
Afdeling 11.3. Activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen
§ 11.3.1. Algemeen
Artikel 11.111. (activiteiten)
1. Deze afdeling gaat over het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond na het vellen van houtopstanden of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan, en over handel in en bezit van hout of houtproducten.
2. De afdeling gaat niet over:
(…)
h. het dunnen van een houtopstand voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand;
(…)
Artikel 11.126. (melding: vellen houtopstanden)
1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder dit ten minste vier weken maar niet eerder dan een jaar voor het begin daarvan te melden.
(…)
Artikel 11.129. (plicht tot herbeplanting)
1. Als een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of als een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan, wordt zorg gedragen voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand.