ECLI:NL:RBNNE:2026:327

ECLI:NL:RBNNE:2026:327

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 05-02-2026
Datum publicatie 06-02-2026
Zaaknummer 18.236521.24
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Veroordeling ter zake overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Als bestuurder van een trekker het wegdek bevuilen met aarde waardoor het wegdek glad is geworden en ten gevolge waarvan het slachtoffer met zijn voertuig in een slip terecht is gekomen. Het slachtoffer is tegen een boom gebotst en hij is hierdoor ernstig gewond geraakt. Verdachte heeft nagelaten voorzorgsmaatregelen te treffen voor medeweggebruikers. First offender. Taakstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18.236521.24

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 januari 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Sipma, advocaat te Drachten. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. I. Kluiter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 maart 2024 te Ureterp, gemeente Opsterland, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtractor met daarachter een mestwagen), daarmee rijdende over de weg, [adres] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

ten gevolge (mede) waarvan een bestelauto (Merk Ford, type Transit, kenteken [kenteken] ) op dat wegdek is gaan slippen en/of schuiven (om uiteindelijk tegen een elektriciteitshuisje tot stilstand te komen), waardoor een inzittende van die auto (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, (te weten onder andere een breuk in rechter voet en/of rechter been en/of een gescheurde kruisband en/of geen gekneusde rib), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 maart 2024 te Ureterp, gemeente Opsterland, als bestuurder van een voertuig (landbouwtractor met daarachter een mestwagen) daarmee rijdende op de weg, [adres] , werkzaamheden heeft verricht waardoor het wegdek van [adres] besmeurd/bevuild raakte met modder en/of (een) ander(e) materia(a)l(en) (waardoor het wegdek van [adres] slipgevaarlijk werd), vervolgens is dat wegdek niet schoongemaakt en zijn er geen waarschuwingsborden geplaatst (en vervolgens wordt de plaats verlaten zonder te controleren of het wordt opgeruimd en/of er verkeer voorbij komt) en/of zijn onvoldoende, althans ontoereikende, maatregelen getroffen om naderende bestuurders op die besmeurde/bevuilde weg een veilige doorgang te verlenen, vervolgens is een voertuig (te weten een bestelauto (Merk Ford, type Transit, kenteken [kenteken] ) op dat wegdek gaan slippen en/of schuiven, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg, [adres] , werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde. Er is sprake geweest van ernstige schuld bij verdachte. Verdachte heeft als bestuurder van een trekker met een mestwagen meermalen heen en weer gereden tussen de boerderij en een perceel. Hij heeft daarbij grote hoeveelheden aarde op de weg achtergelaten. Verdachte heeft nagelaten het wegdek te controleren op gladheid dan wel schoon te maken. Daarnaast heeft verdachte geen passende maatregelen genomen om overige weggebruikers te waarschuwen voor een glad wegdek door het plaatsen van borden. Als gevolg van het gladde wegdek heeft er een ongeval plaatsgevonden waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit kan wettig en overtuigend bewezen worden op basis van de verklaring van

verdachte, de verklaring van slachtoffer [slachtoffer] , het proces-verbaal forensisch onderzoek en het verslag van het UMCG traumachirurgie.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte reed op de trekker in opdracht van zijn werkgever. De afspraak was dat zijn werkgever de weg zou schoonmaken. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verantwoordelijkheid deels bij de werkgever ligt en dat dat zou moeten leiden tot vrijspraak.

Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW)

Om tot een veroordeling op grond van overtreding van artikel 6 WVW te komen, moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand is overleden dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het juridische begrip “schuld” in het kader van de Wegenverkeerswet houdt in dat voor strafbaarheid minimaal sprake moet zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam handelen, en in zeer ernstige gevallen van roekeloos rijgedrag.

Of er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW hangt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af van het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Vaststelling van de feiten

Uit de hierna te noemen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 12 maart 2024 omstreeks 16:24 uur een verkeersongeval heeft plaatsgevonden op [adres] te Ureterp. Verdachte heeft als bestuurder van een trekker met een mestwagen als aanhanger die middag meermalen heen en weer gereden van de boerderij naar een nabij gelegen perceel aan [adres] . Tijdens het rijden over de weg is een deel van de aarde afkomstig van het land welke aan de banden van de trekker bleef kleven, los van de banden gekomen en op het wegdek terecht gekomen. Het wegdek werd als gevolg van de aarde glad. Er zijn door verdachte geen waarschuwingsborden op de weg geplaatst om medeweggebruikers te waarschuwen voor slipgevaar. Verdachte heeft het wegdek niet schoongemaakt en hij heeft ook niet gewacht tot zijn werkgever dit deed.

Het slachtoffer, [slachtoffer] , reed als bestuurder van een bestelbus Ford Transit op [adres] . Hij is vrijwel zeker als gevolg van het gladde wegdek in een ongecontroleerde slip terecht gekomen, is van de weg geraakt, over een elektriciteitskast gereden en vervolgens tegen een boom tot stilstand gekomen. Ten gevolge van deze botsing is het slachtoffer ernstig gewond geraakt.

Mate van schuld

Bevuiling en het schoonmaken van het wegdek

Uit de verklaring van verdachte volgt dat hij als bestuurder van een trekker meermalen een landbouwperceel op en af is gereden om het land te bemesten. Hij bemerkte dat er modder aan de banden

van de trekker bleef kleven en dat hierdoor modder op het wegdek terecht kwam. Verdachte heeft nagelaten het wegdek schoon te maken of te laten maken. Door de politie is vastgesteld dat de gladheid op de weg werd veroorzaakt door de aarde op het wegdek.

Waarschuwingsborden

Bij het bevuilen van het wegdek door werkzaamheden met een trekker, waarbij mogelijk gladheid op het wegdek wordt veroorzaakt, dienen waarschuwingsborden bij de weg te worden gezet. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij hiervan wist, maar dat hij heeft nagelaten dergelijke borden bij de weg te plaatsen.

Verantwoordelijkheid bestuurder

Verdachte heeft verklaard dat zijn werkgever normaal gesproken voor aanvang van de werkzaamheden waarschuwingsborden bij de weg plaatst, maar dat dit die bewuste dag niet was gebeurd. Hij heeft tevens verklaard dat zijn werkgever het wegdek zou schoonmaken. De rechtbank overweegt dat verdachte, ondanks de toezegging van zijn werkgever, zich als bestuurder ervan moest verzekeren dat het wegdek direct na zijn werkzaamheden werd schoongemaakt. Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder van de trekker, in casu verdachte, ervoor zorg te dragen dat het wegdek schoongemaakt wordt. Dat geldt ook voor het plaatsen van waarschuwingsborden.

Zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich, door te handelen als hierboven omschreven, aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen waardoor het ongeval heeft plaatsgevonden. Door toedoen van verdachte is er een gevaarlijke situatie op de weg ontstaan en verdachte heeft nagelaten dit gevaar weg te nemen.

Zwaar lichamelijk letsel

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, dient onder meer de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel te worden betrokken.

De rechtbank is van oordeel dat het letsel van [slachtoffer] , onder meer gekneusde ribben, meerdere botbreuken in het bovenbeen, een breuk in de rechtervoet en ernstig knieletsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit het verslag van het UMCG en de verklaring van [slachtoffer] volgt dat hij meermalen is geopereerd na het ongeval en 35 dagen in het ziekenhuis heeft gelegen. Drie maanden na het ongeval heeft [slachtoffer] meermalen per week fysiotherapie voor zijn been. Bij die stand van zaken is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zwaar lichamelijk letsel. Dit letsel is het gevolg van de gedragingen van verdachte.

De rechtbank acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte de ten laste gelegde handelingen duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 januari 2026;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal FO verkeer d.d. 20 april 2024, opgenomen op pagina 43 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024080272 d.d. 27 juni 2024, inhoudend het relaas van verbalisanten;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige, opgenomen op pagina 79 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;

4. Een geneeskundig verslag UMCG traumachirurgie, op 17 april 2024 opgemaakt en ondertekend door [arts assistent chirurgie] , arts assistent chirurgie, en dr. [traumachirurg] , traumachirurg, opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend zijn/haar verklaring.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 12 maart 2024 te Ureterp, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtractor met daarachter een mestwagen), daarmee rijdende over de weg, [adres] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig,

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren te vervangen door 80 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar waarvan 9 maanden voorwaarden met een proeftijd voor de duur van 2 jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de medeverantwoordelijkheid van de werkgever. De raadsman heeft verzocht een eventuele ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk op te leggen, omdat verdachte met een onvoorwaardelijke ontzegging zijn werk zal verliezen en de werkzaamheden voor zijn eigen bedrijf niet kan uitvoeren.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als bestuurder van een trekker het wegdek bevuild met modder waardoor het wegdek glad is geworden. Het slachtoffer is ten gevolge van het gladde wegdek met zijn voertuig in een slip terecht gekomen, van het wegdek gegleden en in de berm tegen een elektriciteitshuisje en een boom gebotst. Het slachtoffer is hierdoor ernstig gewond geraakt. Verdachte heeft nagelaten voorzorgsmaatregelen te treffen voor medeweggebruikers. Als bestuurder van een motorvoertuig was verdachte zelf verantwoordelijk voor de gevaarlijke verkeerssituatie die hij heeft veroorzaakt. Verdachte heeft met zijn verkeersgedrag de verkeersveiligheid geschonden. Het ongeval heeft grote gevolgen gehad voor het slachtoffer.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Voor overtreding van art. 6 WVW met zwaar lichamelijk letsel als gevolg voor het slachtoffer waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

Hoewel de ernst van het feit in beginsel een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid rechtvaardigt, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de oriëntatiepunten. De rechtbank heeft hierbij gelet op het feit dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om zijn werk te kunnen uitoefenen en de omstandigheid dat verdachte sinds het ongeval bijna twee jaar geleden geen nieuwe verkeersovertreding

heeft begaan. Alles afwegende, acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, in combinatie met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Het voorwaardelijke strafdeel dient als stok achter de deur om te bevorderen dat verdachte blijft nadenken over zijn verantwoordelijkheid om op een veilige en verantwoorde wijze aan het verkeer deel te nemen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 6 maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. R.B. Maring en H.P. Eckert, rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.A.M. Veenbaas
  • mr. R.B. Maring

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?