[naam] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S. van Gent),
en
Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut
(gemachtigde: mrs. S.C. Goldbohm en B.C. Rots).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vergoeding van schade door mijnbouw. Eiseres is het niet eens met hoogte van de schadevergoeding en de herstelmethode. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd waarom getwijfeld zou moeten worden aan de conclusies van de door het Instituut ingeschakelde deskundigen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en procesverloop
2. Sinds 2017 is eiseres eigenaar van het pand aan [adres] . Het betreft een vrijstaande woning uit 1966 met een schuur uit eind 19e eeuw. De voormalig eigenaar heeft in 2015 schade gemeld bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) en heeft gekozen voor uitbetaling van een bedrag van € 15.241,93 om de schade te herstellen.
Eiseres heeft op 14 augustus 2017 een aanvraag ingediend voor vergoeding van schade door mijnbouw. Op 1 december 2020 heeft het Instituut een vergoeding toegekend van €10.548,57 incl. rente, waarvan €1.035,- bijkomende kosten. De ingeschakelde deskundigen A. Renting en H. Buchwald van NIVRE hebben voor schades 5, 11, 12 en 13, die zich allen in de schuur bevinden, een autonome oorzaak aangewezen.
3. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De heer L. Nabben van NIVRE (hierna: Nabben) heeft hierna een nader advies uitgebracht. Nabben concludeert dat voor schades 5, 11, 12 en 13 een autonome oorzaak bestaat maar dat een mogelijke verergering van de scheurvorming als gevolg van mijnbouwactiviteiten niet uit te sluiten is en adviseert daarom een vergoeding voor die schades toe te kennen. Wat betreft het herstel van de schade is uitgegaan van het plaatselijk vervangen van het metselwerk en herstellen van de scheurvorming. Bij het rapport is ook een geotechnisch onderzoeksrapport van Koops grondmechanica gevoegd. Eiser heeft in reactie hierop een contra expertise rapport van deskundige E. Veenstra van schade en adviesbureau Tandem (hierna: Veenstra) en een offerte van Klussenbedrijf Torrenga overgelegd. In die offerte is uitgegaan van het vervangen van het metselwerk van de zij- en voorgevel tot en met de fundering, waarbij de fundering vervangen wordt door een betonnen strook. Klussenbedrijf Torrenga komt in totaal uit op een bedrag van € 27.739,25 (incl. btw). Met het bestreden besluit van 15 december 2022 op het bezwaar van eiseres heeft het Instituut het advies van Nabben gevolgd en een aanvullende schadevergoeding toegekend van € 16.106,04.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Op 5 maart 2025 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Daarbij is de mogelijkheid van ‘daadwerkelijk herstel’ besproken. Daadwerkelijk herstel houdt in dat alle schades in één keer worden hersteld tot een bedrag van €60.000,- zonder dat er gekeken wordt of de schade kan zijn veroorzaakt door mijnbouw. Partijen waren het ten tijde van de regiezitting nog niet eens over de vraag of de fundering van de schuur ook onder het schadeherstel valt. Afgesproken is dat het Instituut een verweerschrift aanlevert inclusief een deskundigenadvies.
Het Instituut heeft op 1 juli 2025 gereageerd met een verweerschrift met deskundigenbericht van Nabben. Hij beschrijft de schuur als een uit een steens voor-, achter- en linkerzijgevel en een halfsteens rechterzijgevel metselwerk bestaand bouwwerk. De schuur is ondiep gefundeerd waarbij verschillende aanlegbreedten- en diepten zijn toegepast. Voor ongeveer de gehele linkerhelft van de voorgevel is op een later moment een halfsteens metselwerk blad aangebracht die is opgetrokken op de oorspronkelijke fundering. Het dak van de schuur heeft een gebintenconstructie. Nabben concludeert dat het toegekende bedrag toereikend is om de schade te herstellen. Ook is met de gecalculeerde maatregelen de functionaliteit gewaarborgd en wordt de uiterlijke verschijningsvorm teruggebracht als voorheen. Er is volgens Nabben geen sprake van een constructief probleem waardoor de gevel opnieuw moet worden opgetrokken.
Eiseres heeft op het verweerschrift gereageerd met een deskundigenbericht van Veenstra. Veenstra laat weten dat hij gereden twijfel heeft over de kwaliteit en geschiktheid van de fundering.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar echtgenoot, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het Instituut en de door het Instituut ingeschakelde deskundigen L. Nabben en B. van der Kwaak. Pas aan het eind van de zitting is gebleken dat de schuur waar schades 5, 11, 12 en 13 zich bevinden, inmiddels is afgebroken. Eiseres heeft toegelicht dat hiertoe is overgegaan omdat de bouwkundige situatie voor met name de kinderen als te onveilig werd ervaren. De rechtbank stelt vast dat door eiseres geen nadere stukken van een deskundige in het geding gebracht zijn betreffende de veiligheidssituatie van de schuur.
Waar gaat het geschil over?
4. Partijen verschillen van mening over de herstelmethode en de schadebegroting van schades 5, 11, 12 en 13. In de kern gaat het erom of de verbetering van de fundering van de schuur onder het schadeherstel van deze schades valt en of het schadebedrag op de juiste manier is berekend.
De rechtbank stelt vast, mede gezien het standpunt van de deskundige van het Instituut, dat tussen partijen de vraag of het bewijsvermoeden al dan niet weerlegd is, niet (meer) in geschil is.
Samengevat is sprake van een tweetal geschilpunten, (1) de vraag inzake constructief herstel van de fundering en (2) de vraag of de schades juist zijn gecalculeerd. De rechtbank zal op deze twee geschilpunten hierna nader ingaan. Vooropgesteld: nu gebleken is dat de schuur is afgebroken, is het de vraag of nog sprake is van schade aangezien herstel niet meer mogelijk is. Probleem is echter dat noch eiseres, noch het Instituut naar aanleiding van de informatie omtrent afbraak, daaraan in juridisch opzicht consequenties hebben verbonden. De rechtbank zal hierop thans niet nader ingaan nu ook op andere gronden geen plaats is voor toekenning van een hoger schadebedrag dan waarvan het Instituut is uitgegaan. De rechtbank zal dat hierna nader toelichten.
Wat is het toetsingskader?
5. Niet in geschil is dat het bewijsvermoeden van toepassing is op de schade aan de woning van eiser. Op grond van het bewijsvermoeden wordt vermoed, bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of gasopslag bij Norg zou kunnen zijn, dat die schade is veroorzaak door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.
Het Instituut acht het bewijsvermoeden weerlegd als het aan de hand van een adviesrapport is aangetoond dat de schade is te herleiden tot een evidente en autonome oorzaak, waarvan (met een hoge mate van zekerheid) aannemelijk is dat die bodembeweging als (mede)oorzaak van die schade uitsluit. Deze werkwijze is aanvaardbaar geacht.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), mag een bestuursorgaan, als in een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze verslag is gedaan van het door de deskundige verrichte onderzoek en op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid naar voren zijn gebracht.
Voorts is uitgangspunt voor de beoordeling van (de omvang van) de schade dat dit plaatsvindt met toepassing de regels en normen van het civielrechtelijke (aansprakelijkheids-)recht. Concreet betekent dit dat onder meer plaats is voor een volledige toetsing inzake de causaliteit (art 6:98 BW), aldus niet alleen de zogenaamde vestigingsfase (condicio sine qua non-verband), maar ook de omvangsfase. In dat kader dient mede beoordeeld te worden de vraag of al dan niet plaats is voor een ruime toerekening naar redelijkheid. Daarnaast kan in voorkomende gevallen aan de orde zijn de vraag of plaats is voor een verrekening van voordeel (onder meer de “nieuw voor oud” situatie) en of dit al dan niet redelijk is (de situatie dat sprake is van een “opgedrongen” verbetering).
Ad. 1: Valt constructief herstel van de fundering onder het schadeherstel?
6. Eiseres stelt dat de gehele zij- en achtergevel opnieuw moet worden opgemetseld om schade 5 te kunnen herstellen. In het rapport van 3 maart 2021 adviseert Veenstra het volgende: ‘Tandem stelt voor een aannemer prijsaanbieding te laten doen om het geheel te herstellen (schades 5, 11, 12 en 13 ) doch dit betekent waarschijnlijk het verwijderen van de zijmuren en het opnieuw metselen daarvan. Dit zou ook een verbetering met zich mee brengen en derhalve is een percentage van deze herstelmethode een goede aanvulling op de te herstellen schade.’
In haar reactie op het verweerschrift stelt eiseres dat de gehele zij- en achtergevel moet worden vervangen door steens gevels. De huidige fundering is daarvoor onvoldoende draagkrachtig, waardoor deze niet meer voldoet aan het bouwbesluit als de nieuwe gevels worden geplaatst. Daarom is het volgens eiseres noodzakelijk voor het herstel van schade 5 om de fundering te verbeteren.
Het Instituut gaat uit van herstel in oude toestand, en daarbij wordt rekening gehouden met zowel uiterlijke verschijningsvorm als functionaliteit, waaronder constructieve stevigheid. Het Instituut stelt zich op het standpunt dat de door het Instituut aangewezen deskundigen daar in dit geval ook van uit zijn gegaan. Zij adviseren namelijk het metselwerk plaatselijk te vervangen, waardoor de constructieve stevigheid en samenhang worden teruggebracht in het gevelvlak. Nabben heeft toegelicht dat het aanbrengen van een nieuwe fundering een verbetering inhoudt die voorbij gaat aan schadeherstel.
De rechtbank overweegt als volgt.
Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de fundering onvoldoende draagkrachtig is om de nieuwe gevels te dragen aangevoerd dat meerdere aannemers mondeling hebben verklaard dat het voor het herstel van schade 5 noodzakelijk is om de fundering te verbeteren. Ook meent eiseres dat de verklaring van Veenstra dat hij twijfelt over de kwaliteit en de geschiktheid van de bestaande fundering dit bevestigt.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben de door het Instituut ingeschakelde deskundigen voldoende inzichtelijk gemaakt dat de voorgestelde herstelwijze, het plaatselijk vervangen van het metselwerk en het herstellen van de scheurvorming, het pand terugbrengt – zowel cosmetisch als constructief- in de situatie van voor de schadeveroorzakende gebeurtenis. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waardoor getwijfeld moet worden aan dit advies. Voor zover al juist zou zijn dat de huidige fundering onvoldoende draagkrachtig is om een zwaardere steens gevel te dragen, dan nog heeft eiseres niet onderbouwd waarom het noodzakelijk is om de gehele zij- en achtergevel te vervangen door steens muren. Ook heeft zij onvoldoende onderbouwd waarom in dat geval de bestaande fundering onvoldoende draagkrachtig zou zijn. Dit blijkt in ieder geval niet uit mondelingen mededelingen van aannemers en de verklaring van Veenstra. De rechtbank merkt overigens op dat het Instituut zich constructief heeft opgesteld door zich tijdens de zitting bereid te tonen om met eiseres tot een oplossing in de vorm van daadwerkelijk herstel te komen, maar dat pas toen bleek dat de schuur was afgebroken. Daadwerkelijk herstel is daarom geen optie meer.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ad. 2: Zijn de schades juist gecalculeerd?
7. Eiseres stelt dat de hoogte van de vergoeding voor de schades niet toereikend is vanwege prijsstijgingen. In de toelichting van Tandem wordt een prijsindexatie van minimaal 15,7% geadviseerd.
Het Instituut stelt zich op het standpunt dat uitgangspunt is dat de kosten van herstel van de schade begroot moet worden op het moment van ontstaan van die schade. De vertraging in de voldoening van het schadebedrag wordt gecompenseerd door de uitkering van wettelijke rente. Vanuit doelmatigheid en ruimhartigheid gaat het Instituut uit van het prijspeil ten tijde van het adviesrapport van de deskundige. Hiermee wordt eiseres in de ogen van het Instituut ruimhartig gecompenseerd.
De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde al eerder dat de toegekende schadevergoeding vanwege de hiervoor genoemde werkwijze van het Instituut niet alsnog hoeft te worden geïndexeerd. In het betoog van eiseres vindt de rechtbank ook geen aanleiding om de prijsindexatie van Tandem dan wel de offerte van Torrenga te volgen. Om die reden slaagt deze beroepsgrond niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het Instituut het bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R. Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L. Brandes-Boers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.