[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [naam 1] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/ Particulieren Toezicht Bezwaar Beroep/kantoor Eindhoven, de inspecteur
(gemachtigde: [naam 2] )
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 10 februari 2026.
Zaaknummer LEE 26/855
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.589.
Tegelijk met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 136 belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Zaaknummer LEE 26/858
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.084.
Tegelijk met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 117 belastingrente in rekening gebracht.
Beide zaaknummers
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en namens de gemachtigde van de inspecteur, drs. [naam 3] en mr. [naam 4] .
Feiten
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Voor beide zaaknummers
Belanghebbende is ongehuwd en heeft geen geregistreerd partnerschap.
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1993. Belanghebbende woont samen met haar moeder in een woning (de woning). Belanghebbende en haar moeder zijn samen (ieder voor de onverdeelde helft) eigenaar van de woning.
De inspecteur heeft een verzoek om informatie aan belanghebbende gestuurd over de in de aanslag IB/PVV 2019 en de aanslag IB/PVV 2020 vastgestelde aftrek voor dieetkosten. De aanleiding voor het informatieverzoek was de bezwaarprocedure tegen de aanslag IB/PVV 2019 van de moeder van belanghebbende.
De moeder van belanghebbende heeft voor de jaren 2019 en 2020 dieetverklaringen van de huisarts.
De inspecteur heeft een uitdraai overgelegd van de toelichting op de vraag: had u in 2019 een huisgenoot. De toelichting luidt onder andere:
“Woonde u samen met uw eigen kind of ouder? Kies dan ‘Ja’ voor deze persoon als u allebei 27 jaar of ouder was op 31 december 2018. Was 1 van u op 31 december 2018 jonger dan 27 jaar? Kies dan ‘Nee’ voor deze persoon.”
In verband met een lopende beroepsprocedure tegen de aanslagen IB/PVV 2019 en IB/PVV 2020 van de moeder van belanghebbende is tussen partijen afgesproken te wachten met het doen van een uitspraak op de bezwaarschriften tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2019 en IB/PVV 2020 totdat de rechter uitspraak heeft gedaan in de beroepszaken van de moeder.
Op 4 februari 2025 heeft de rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in procedure van de moeder van belanghebbende.
Zaaknummer LEE 26/855 (het jaar 2019)
Belanghebbende heeft op 31 augustus 2020 haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 ingediend. In de aangifte geeft belanghebbende aan dat haar moeder haar huisgenoot is, dat zij samen heel 2019 op hetzelfde huisadres wonen en zij beiden eigenaar van de woning zijn die hun hoofdverblijf is. Ook geeft zij aan dat ze niet samen aangifte wil doen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is door belanghebbende als volgt aangegeven:
Inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking € 1.774
Inkomen uit vroegere dienstbetrekking € 12.432
Reisaftrek € 265 -/-
Saldo inkomsten- en aftrekposten eigen woning € 724 -/-
Aftrek specifieke zorgkosten € 4.258 -/-
Aftrek scholingsuitgaven € 315 -/-
Inkomen uit werk en woning € 8.644
De aftrek specifieke zorgkosten is als volgt opgebouwd in de aangifte:
Medicijnen € 60Uitgaven voor hulpmiddelen € 100Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte € 626Dieetkosten € 2.300Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 300Genees- en heelkundige hulp € 7 +Totaal € 3.393 +Verhoging specifieke zorgkosten € 1.355+Drempel specifieke zorgkosten € 490 -/-Aftrek specifieke zorgkosten € 4.258
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2019 opgelegd gelijk aan de ingediende aangifte.
De inspecteur heeft vervolgens een navorderingsaanslag opgelegd aan belanghebbende naar aanleiding van de bezwaarprocedure tegen de aanslag IB/PVV 2019 van haar moeder (zie 2.3). De inspecteur heeft hierbij aftrek voor dieetkosten niet toegestaan en het drempelbedrag voor de aftrek specifieke zorgkosten gecorrigeerd, omdat er ook geen rekening is gehouden met een fiscaal partnerschap. Het inkomen uit werk en woning is als volgt vastgesteld op de navorderingsaanslag:
Inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking € 1.774
Inkomen uit vroegere dienstbetrekking € 12.432
Reisaftrek € 265 -/-
Saldo inkomsten- en aftrekposten eigen woning € 724 -/-
Aftrek specifieke zorgkosten € 1.313 -/-
Aftrek scholingsuitgaven € 315 -/-
Inkomen uit werk en woning € 11.589
De aftrek specifieke zorgkosten is als volgt opgebouwd in de navorderingsaanslag:
Medicijnen € 60Uitgaven voor hulpmiddelen € 100Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte € 626Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 300Genees- en heelkundige hulp € 7 +Totaal € 1.093 +Verhoging specifieke zorgkosten € 438+Drempel specifieke zorgkosten € 218 -/-Aftrek specifieke zorgkosten € 1.313
Zaaknummer LEE 26/858 (het jaar 2020)
Belanghebbende heeft op 26 augustus 2021 haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 ingediend. In de aangifte geeft belanghebbende aan dat haar moeder haar huisgenoot is, dat zij samen heel 2020 op hetzelfde huisadres wonen en zij beiden eigenaar van de woning zijn die hun hoofdverblijf is. Ook geeft zij aan dat ze niet samen aangifte wil doen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is door belanghebbende als volgt aangegeven:
Inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking € 15.053
Saldo inkomsten- en aftrekposten eigen woning € 708 -/-
Aftrek specifieke zorgkosten € 3.192 -/-
Aftrek scholingsuitgaven € 1.009 -/-
Inkomen uit werk en woning € 10.144
De aftrek specifieke zorgkosten is als volgt opgebouwd in de aangifte:
Medicijnen € 12Uitgaven voor hulpmiddelen € 33Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte € 303Dieetkosten € 2.300 +Totaal € 2.648 +Verhoging specifieke zorgkosten € 1.060+Drempel specifieke zorgkosten € 516-/-Aftrek specifieke zorgkosten € 3.192
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2020 opgelegd gelijk aan de ingediende aangifte.
De inspecteur heeft vervolgens een navorderingsaanslag opgelegd aan belanghebbende naar aanleiding van de bezwaarprocedure tegen de aanslag IB/PVV 2019 van haar moeder (zie 2.3). De inspecteur heeft hierbij aftrek voor dieetkosten niet toegestaan en het drempelbedrag voor de aftrek specifieke zorgkosten gecorrigeerd, omdat er ook geen rekening is gehouden met een fiscaal partnerschap. Het inkomen uit werk en woning is als volgt vastgesteld op de navorderingsaanslag:
Inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking € 15.053
Saldo inkomsten- en aftrekposten eigen woning € 708 -/-
Aftrek specifieke zorgkosten € 252 -/-
Aftrek scholingsuitgaven € 1.009 -/-
Inkomen uit werk en woning € 13.084
De aftrek specifieke zorgkosten is als volgt opgebouwd in de navorderingsaanslag:
Medicijnen € 12Uitgaven voor hulpmiddelen € 33Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte € 303 +Totaal € 348 +Verhoging specifieke zorgkosten € 140+Drempel specifieke zorgkosten € 236-/-Aftrek specifieke zorgkosten € 252
Belanghebbende heeft in een reactie op het verzoek om informatie (2.3) aangegeven dat zij in het jaar 2020 ook recht heeft op een giftenaftrek. Ze schrijft hierover in een e-mail aan de inspecteur het volgende:
“Bij de aangifte 2020 van Mw. [belanghebbende] komt nog een aftrek erbij namelijk die van vrijwilligersvergoeding (zie bijlage ) in giften van 1900,00 euro ANBI Rode Kruis Den Haag. En bij Mw. [naam 1] voor zowel 2019 als 2020 in de giften een aftrek van de maximum van vrijwilligersvergoeding ANBI Rode Kruis Den Haag. En hierbij opgeteld ANBI Wereld Natuur Fonds (WWF) 40 euro +ANBI dierenbescherming 30 euro.”
Belanghebbende heeft tegelijk met het indienen van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 een herziene aangifte IB/PVV 2020 ingediend, waarbij ze nu ook de giftenaftrek claimt (zie 2.14). Het belastbaar inkomen uit werk en woning in de herziene aangifte is door belanghebbende als volgt aangegeven:
Inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking € 15.053
Saldo inkomsten- en aftrekposten eigen woning € 708 -/-
Aftrek specifieke zorgkosten € 3.192 -/-
Aftrek scholingsuitgaven € 1.009 -/-
Giftenaftrek € 1.488 -/-
Inkomen uit werk en woning € 8.656
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV van belanghebbende voor de jaren 2019 en 2020 niet tot te hoge bedragen heeft vastgesteld. Meer specifiek zal zij beoordelen of de inspecteur de persoonsgebonden aftrek (het gaat hier om zowel de zorgkosten als de giften) op de juiste hoogte heeft vastgesteld.
4. De rechtbank is van oordeel dat de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2019 en 2020 op de goede manier zijn vastgesteld en tot de juiste bedragen. Omdat de procedure erg lang heeft geduurd, heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Heeft belanghebbende recht op aftrek voor dieetkosten door een softwarefout in het aangiftesysteem van de Belastingdienst?
5. Belanghebbende stelt dat zij de aangiften op de juiste wijze heeft ingediend, haar moeder is namelijk haar huisgenoot en ook eigenaar van de woning. Dat er dan door het systeem wordt gevraagd voor en van wie de zorgkosten zijn, moet wel voortkomen uit een softwarefout. Dit moet de Belastingdienst zelf oplossen, vindt zij. Dat de Belastingdienst dit heeft nagelaten, komt dan voor hun risico waardoor belanghebbende meent recht te hebben op de aftrek voor dieetkosten van haar moeder in haar aangifte.
6. De inspecteur stelt dat belanghebbende ten onrechte heeft aangegeven dat de moeder haar huisgenoot is. De moeder is in het normaal taalgebruik weliswaar de huisgenoot van belanghebbende, maar zo wordt het niet bedoeld in de aangifte. De inspecteur verwijst daarbij naar de toelichting die in de aangifte IB/PVV 2019 wordt gegeven op het begrip huisgenoot (zie 2.5). De inspecteur stelt vervolgens dat hij terecht de dieetkosten heeft nagevorderd. Hij voert aan dat er geen sprake is van fiscaal partnerschap tussen belanghebbende en haar moeder en dat zij enkel de door haar zelf gemaakte dieetkosten in de aangifte IB/PVV 2019 en 2020 in aftrek mag brengen.
7. Over het fiscaal partnerschap en een eventuele softwarefout heeft de belastingkamer van de rechtbank in eerdere procedures van de moeder van belanghebbende al geoordeeld (zie 2.7). De rechtbank heeft in die zaken geoordeeld dat er geen sprake is van een softwarefout en dat er geen sprake kan zijn van fiscaal partnerschap voor de jaren 2019 en 2020. De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“ 6.3. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank heeft gehoord op de zitting en gelezen in de stukken dat eiseres erg haar best doet om zo juist mogelijk aangifte IB/PVV te doen. Toch ziet de rechtbank dat er wel een fout is geslopen in de aangiften. De rechtbank legt hieronder uit waarom dat zo is.
Op het moment dat een ouder samen met een kind woont, kan alleen sprake zijn van ‘huisgenoten’ als beiden op 31 december van het jaar ervoor 27 jaar of ouder zijn. Zie ook de tekst die in de toelichting staat gegeven bij deze vraag (zie 2.7.). Op 31 december 2018 is de dochter 25 jaar oud en op 31 december 2019 is de dochter 26 jaar oud. Dit betekent dat de dochter op beide momenten nog geen 27 jaar oud is en daarom had eiseres bij de vraag ‘Had u in 2019 een huisgenoot’ het antwoord ‘nee’ moeten invullen. Door hier ‘nee’ in te vullen zal ook automatisch geen sprake zijn van fiscaal partnerschap en krijgt eiseres ook niet meer de vraag of zij haar zorgkosten bij haar dochter of bij haar in aftrek wil laten komen. Dat eiseres vragen heeft gekregen over het verdelen van aftrekposten (doordat het aangiftesysteem uitging van fiscaal partnerschap) komt dus niet door een softwarefout maar doordat eiseres een onjuist antwoord heeft gegeven op een vraag.”
8. De rechtbank komt in deze beroepen tot een gelijk oordeel dat er geen sprake kan zijn van fiscaal partnerschap. Voor de motivering verwijst de rechtbank kortheidshalve naar de hiervoor onder 7. aangehaalde uitspraak. De inspecteur heeft daarom terecht het drempelbedrag voor de aftrek specifieke zorgkosten gecorrigeerd.
9. De rechtbank overweegt over een eventuele softwarefout, dat zij daarvoor over onvoldoende informatie beschikt. Vast staat wel dat belanghebbende de vraag over het hebben van een huisgenoot met ‘ja’ heeft beantwoord bij het doen van aangifte (zie 2.8 en 2.11). Als gevolg hiervan wordt belanghebbende in het systeem als fiscaal partner van haar moeder aangemerkt, ook al is dit volgens de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) niet mogelijk (zie 7. en 8.). Belanghebbende stelt dat deze fout door het systeem van de Belastingdienst komt en dat zij dit ook meermaals gemeld heeft bij de Belastingdienst. Toch heeft belanghebbende er voor gekozen om de aangifte zo in te dienen, met een aftrek voor dieetkosten van haar moeder. De rechtbank is van oordeel dat – of er nu sprake is van een softwarefout of niet – belanghebbende er vervolgens niet op kon vertrouwen dat de nadelige gevolgen (de correctie via de navorderingsaanslag) dan automatisch voor rekening van de inspecteur zouden komen. De inspecteur heeft daarom terecht de aftrek van dieetkosten van moeder niet toegestaan bij belanghebbende.
Heeft de inspecteur terecht de giftenaftrek voor het jaar 2020 geweigerd?
10. Belanghebbende stelt dat zij als vrijwilliger aan het werk was bij het Rode Kruis en daar geen vergoeding voor ontving. Belanghebbende is van mening dat ze recht op de giftenaftrek, omdat je als vrijwilliger niet hoeft te werken zonder een vergoeding te ontvangen. Volgens haar staat het ook op die manier verwoord op de website van de Belastingdienst.
11. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende geen recht heeft op giftenaftrek, omdat er geen sprake is van het afzien van een vrijwilligersvergoeding.
12. Ook over de giftenaftrek heeft de belastingkamer van de rechtbank in de eerdere procedure van de moeder van belanghebbende al geoordeeld (zie 2.7). De rechtbank heeft in die zaken geoordeeld dat er geen recht op giftenaftrek bestaat voor het afzien van een vrijwilligersvergoeding aan het Rode Kruis. De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“11.2 Om een vrijwilligersvergoeding te kunnen aanmerken als een gift in de Inkomstenbelasting is het vereist dat de vrijwilliger daadwerkelijk recht heeft op een vergoeding.6 Omdat het een aftrekpost is, ligt de bewijslast hiervoor bij eiseres. Dit betekent dat eiseres aannemelijk moet maken dat zij recht heeft op deze vergoeding en hier vervolgens (uit vrijgevigheid) van heeft afgezien. Dit is op de zitting door de rechtbank aan eiseres uitgelegd. Uit het dossier valt niet op te maken dat eiseres recht heeft op een vergoeding voor haar vrijwilligerswerk. De rechtbank heeft eiseres vervolgens op de zitting gevraagd of zij recht heeft op een vergoeding. Hierop heeft eiseres aangegeven dat zij op grond van haar vrijwilligersovereenkomst wel recht heeft op een vergoeding, maar deze vrijwilligersovereenkomst is niet door eiseres aan de rechtbank overgelegd. Op de uitdraai van de website die door eiseres zelf is ingebracht in deze procedure is ook te lezen dat het Rode Kruis zijn vrijwilligers niet betaalt. Nu er geen verdere stukken zijn ingebracht, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht heeft op een vergoeding van het Rode Kruis voor haar vrijwilligerswerk. Zij heeft daarom ten aanzien van deze post geen recht op aftrek en de inspecteur heeft dit terecht gecorrigeerd voor beide jaren.”
13. De rechtbank komt in dit beroep tot het gelijke oordeel dat er geen recht bestaat op giftenaftrek voor het afzien van een vrijwilligersvergoeding aan het Rode Kruis. Zoals hiervoor in de aangehaalde rechtsoverweging ook staat, is het vereist dat de vrijwilliger daadwerkelijk recht heeft op een vergoeding om deze als een giftenaftrek in de aangifte aan te kunnen merkten. Op de zitting heeft belanghebbende bevestigd dat het Rode Kruis geen vrijwilligersvergoedingen betaalt en zij daar dus ook geen recht op had. Het is daarom niet mogelijk om af te zien van een vergoeding en deze vervolgens als giftenaftrek op te nemen in de aangifte. Belanghebbende stelt dat de giftenaftrek voor vrijwilligersvergoedingen op de website van de Belastingdienst zo wordt omschreven dat elke vrijwilliger die niet betaald krijgt, recht heeft op een giftenaftrek. De rechtbank volgt deze stelling van belanghebbende, mede gelet op de hiervoor omgeschreven systematiek van de wet, niet. De inspecteur heeft terecht de giftenaftrek geweigerd voor het jaar 2020.
Heeft de inspecteur zich gehouden aan de wettelijke termijnen bij de uitvoering van zijn werkzaamheden?
14. Op de zitting is het de rechtbank duidelijk geworden dat belanghebbende door het lang uitblijven van een uitspraak op bezwaar spanning en frustratie heeft ervaren. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade. Op de zitting is vastgesteld dat de redelijke termijn van twee jaar is verstreken. Wel is er sprake van een verlenging van de termijn (zie 2.6). De immateriële schadevergoeding bedraagt volgens partijen € 500. Omdat de overschrijding geheel toerekenbaar is aan de bezwaarfase, komt dit voor rekening van de inspecteur.
Is de belastingrente bij de naheffingsaanslagen op de juiste wijze berekend?
15. Belanghebbende stelt dat de renteberekeningen op de navorderingsaanslagen niet kloppen. De inspecteur is van mening dat de belastingrente wel op juiste wijze is berekend
16. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 30fc, tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is bepaald dat de belastingrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. In het geval van belanghebbende is dit voor het jaar 2019 vanaf 1 juli 2020 en voor het jaar 2020 vanaf 1 juli 2021. Het tijdvak waarover belastingrente wordt berekend, eindigt vervolgens op de dag voorafgaand aan de dag waarop de navorderingsaanslag invorderbaar is. In het geval van belanghebbende is dat voor beide jaren 11 december 2023. De rechtbank constateert vervolgens dat de inspecteur over de juiste periodes de belastingrente heeft berekend en daarbij de juiste belastingpercentages heeft gebruikt.
Conclusie en gevolgen
17. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslagen in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Schultinga, griffier.
Uitgesproken op 6 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.