ECLI:NL:RBNNE:2026:3300

ECLI:NL:RBNNE:2026:3300

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 07-08-2026
Datum publicatie 07-08-2026
Zaaknummer LEE 25/1815
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Wet open overheid (Woo). Niet-ontvankelijkverklaring van bezwaar. Eiseres is geen belanghebbende bij een besluit op een Woo-verzoek dat door een advocaat op eigen naam is ingediend. Niet gebleken dat het Woo-verzoek namens eiseres is gedaan of dat zij een rechtstreeks betrokken belang heeft. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/1815

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerwolde, het college

(gemachtigde: J.P. Keizer).

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiseres tegen een besluit op een verzoek van iemand anders op grond van de Wet open overheid (Woo). In deze zaak is in geschil of eiseres kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres stelt dat het Woo-verzoek namens haar is ingediend en dat zij daarom als belanghebbende moet worden aangemerkt. Verder voert zij aan dat het college ten onrechte geen documenten openbaar heeft gemaakt. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het college eiseres terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt. Uit de stukken blijkt niet dat het Woo-verzoek namens eiseres is ingediend of dat zij een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang heeft. Omdat eiseres geen belanghebbende is, heeft het college haar bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit over het Woo-verzoek. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 9 maart 2024 heeft advocaat mr. T.M.J. Oosterhuis-Putter (advocaat) een Woo-verzoek ingediend bij het college. Naar aanleiding daarvan heeft het college op 17 april 2024 het primaire besluit genomen.

Tegen dit besluit heeft de advocaat op 15 mei 2024 pro forma bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft zij bij brief van 30 mei 2024 verzocht eiseres als belanghebbende te betrekken bij de bezwaarprocedure. Op 17 juli 2024 heeft de advocaat de gronden van bezwaar ingediend.

De bezwaarschriftencommissie heeft het bezwaar op 2 september 2024 behandeld en geadviseerd het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren. Het college heeft dit advies gevolgd. Bij het bestreden besluit van 9 april 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. In datzelfde besluit heeft het college het bezwaar van de advocaat ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De advocaat heeft geen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft via een beeldverbinding deelgenomen aan de zitting. De gemachtigde van het college was bij de zitting aanwezig

Beoordeling door de rechtbank

Is eiseres belanghebbende?

3. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het college eiseres terecht niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb heeft aangemerkt en haar bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Daarvoor is vereist dat sprake is van een eigen, persoonlijk, objectief bepaalbaar en rechtstreeks belang.

Het staat vast dat het Woo-verzoek van 9 maart 2024 is ingediend door de advocaat. Uit dat verzoek blijkt niet dat zij daarbij namens eiseres optrad. Evenmin blijkt uit de stukken die aan het primaire besluit voorafgingen dat het Woo-verzoek (mede) namens eiseres is ingediend. Het primaire besluit van 17 april 2024 is uitsluitend aan de advocaat gericht. Ook het pro forma bezwaarschrift van 15 mei 2024 is uitsluitend door de advocaat ingediend.

Eiseres heeft aangevoerd dat de advocaat het Woo-verzoek in haar opdracht heeft ingediend en dat zij daarom als belanghebbende moet worden aangemerkt. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat het Woo-verzoek betrekking heeft op onderwerpen die haar persoonlijk raken, waaronder de verlegging van het Noaberpad, het zogenoemde Gondeltje (een kabelbaan over het Ruiten Aa Kanaal) en de situatie rond [plaats] . Volgens eiseres hebben deze gebeurtenissen geleid tot schade voor haar onderneming en haar familie. Zij wil daarom inzicht krijgen in de besluitvorming van de gemeente en de daaraan ten grondslag liggende documenten.

De rechtbank begrijpt dat eiseres zich door deze gebeurtenissen persoonlijk geraakt voelt en dat zij duidelijkheid wil verkrijgen over de besluitvorming van het college. Dat is echter onvoldoende om haar als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb aan te merken. Uit het Woo-verzoek blijkt niet dat de advocaat namens eiseres handelde. Objectieve aanknopingspunten waaruit dit alsnog kan worden afgeleid ontbreken. Eiseres heeft haar stelling dat sprake was van een opdrachtrelatie tussen haar en de advocaat niet met stukken onderbouwd. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat alle correspondentie over het Woo-verzoek uitsluitend met de advocaat is gevoerd en dat ook het primaire besluit uitsluitend aan haar is gericht.

De rechtbank acht daarnaast van belang dat eerst bij brief van 30 mei 2024, nadat het primaire besluit al was genomen en bezwaar was gemaakt, is verzocht eiseres als belanghebbende bij de bezwaarprocedure te betrekken. Dat verzoek kan niet met terugwerkende kracht meebrengen dat eiseres alsnog als indiener van het Woo-verzoek of als belanghebbende bij het primaire besluit moet worden aangemerkt.

Tot slot is niet gebleken dat eiseres belanghebbende is vanwege de inhoud van de met het besluit van 17 april 2024 openbaar gemaakte documenten. Die documenten gaan over het Gondeltje en gesteld noch gebleken is dat die documenten informatie bevatten over eiseres.

Eiseres heeft aangevoerd dat het college ten onrechte geen (verdere) documenten over het Noaberpad, het Gondeltje en [plaats] openbaar heeft gemaakt. De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze gronden. Nu het college het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, ligt uitsluitend de vraag voor of eiseres als belanghebbende kan worden aangemerkt. De inhoud van het Woo-verzoek en de vraag of alle gevraagde documenten zijn opgespoord of openbaar hadden moeten worden gemaakt, laat de rechtbank daarom buiten beschouwing.

De rechtbank merkt daarbij nog op dat het college ter zitting heeft toegezegd eiseres alsnog enkele inmiddels aangetroffen documenten toe te sturen, waaronder stukken over de omgevingsvergunning voor het Gondeltje en stukken over [plaats] . Die toezegging doet echter niet af aan de beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaar en leidt daarom niet tot een ander oordeel.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het college eiseres terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2, eerste lidOnder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Artikel 8:1Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand