[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Almere, de inspecteur
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 8 juli 2024 en 14 november 2024.
Zaaknummer LEE 24/3355
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.064 (de aanslag IB/PVV 2020). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag IB/PVV 2020 heeft de inspecteur belanghebbende € 636 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking 2020).
Zaaknummer LEE 24/4506
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag IB/PVV opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.760 (de aanslag IB/PVV 2021). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag IB/PVV 2021 heeft de inspecteur belanghebbende € 526 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking 2021).
Beide zaaknummers
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 en de belastingrentebeschikkingen gehandhaafd.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van de inspecteur. Belanghebbende is met kennisgeving vooraf aan de rechtbank niet op de zitting verschenen. De rechtbank heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
De rechtbank heeft het onderzoek op 3 april 2026 heropend.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat tegelijk met de brief van de rechtbank over de heropening van het onderzoek (zie 1.6.) aan partijen is toegezonden.
Belanghebbende heeft bij brief van 11 april 2026 een nadere reactie toegestuurd.
De rechtbank heeft het onderzoek op 28 april 2026 opnieuw gesloten.
Belanghebbende heeft na de sluiting van het onderzoek op 28 april 2026, een nader stuk ingediend. Voor zover belanghebbende hiermee heeft willen verzoeken om heropening van het onderzoek, wijst de rechtbank dit verzoek af. De rechtbank heeft in het nadere stuk geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek volledig geweest. Het nader ingediende stuk blijft daarom buiten beschouwing.
Feiten
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Beide zaaknummers
Belanghebbende heeft sinds 1 juli 2020 een eenmanszaak ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder de naam [bedrijf] .
Zaaknummer LEE 24/3355
Met dagtekening 15 oktober 2020 heeft belanghebbende een voorlopige aanslag IB/PVV over het jaar 2020 ontvangen (met aanslagnummer [nummer 1] ). Uit de voorlopige aanslag volgt een te ontvangen bedrag van € 3.948.
Belanghebbende heeft op 7 maart 2021 zijn aangifte IB/PVV 2020 (de aangifte IB/PVV 2020) ingediend en daarin uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.923 aangegeven. Dit inkomen is als volgt opgebouwd:
winst uit onderneming (WUO)
€ 0
zelfstandigenaftrek
€ 7.030 -/-
startersaftrek
€ 2.123 -/-
MKB-winstvrijstelling
€ 1.281
Saldo WUO
€ 7.872 -/-
loon uit dienstbetrekking
€ 45.064
uitgaven specifieke zorgkosten
€ 1.132 -/-
drempel
€ 613
scholingsuitgaven
€ 5.000 -/-
drempel
€ 250
saldo persoonsgebonden aftrek (PGA)
€ 5.269 -/-
belastbaar inkomen uit werk en woning
€ 31.923
Naar aanleiding van de ingediende aangifte heeft belanghebbende met dagtekening 22 mei 2021 een tweede voorlopige aanslag IB/PVV 2020 opgelegd gekregen
(met aanslagnummer [nummer 2] ). Hieruit volgt wederom een te ontvangen bedrag, ditmaal
van € 1.691.
Bij brief van 11 april 2023 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht om informatie ter beoordeling van de aangifte IB/PVV 2020. Het informatieverzoek heeft betrekking op de winst uit onderneming en de in aftrek gebrachte zorgkosten en scholingsuitgaven.
Bij brief van 11 juli 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende meegedeeld voornemens te zijn bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020 af te wijken van de aangifte van belanghebbende. De voorgenomen afwijkingen zien op het bedrag aan negatieve winst uit onderneming (€ 7.872) en de in aftrek gebrachte zorgkosten en scholingsuitgaven (samen per saldo € 5.269).
Belanghebbende heeft bij e-mailberichten van 23 augustus 2023, 15 september 2023 en 16 oktober 2023 inhoudelijk gereageerd op het informatieverzoek van de inspecteur (zie 2.5.) en het voornemen tot afwijken van de aangifte (zie 2.6.). Deze e-mails luiden – voor zover hier van belang – als volgt:
“In uw brief van 11 april 2023 schrijft u dat ik als ondernemer heb vermeld dat ik winst uit onderneming heb gehad, dit is niet correct, ik heb geen winst uit onderneming gehad, ik heb een inschrijving gedaan bij de Kamer van Koophandel op 01-07-2020 en heb alleen maar informatie verzameld, kosten gemaakt maar nog zeker geen omzet gehad, kan het zijn dat hier weer gegevens door elkaar worden gehaald? ik heb mijn inkomstenbelasting van 2020 nogmaals gecheckt en daarin heb ik alleen inkomsten uit dienstverband.
(…)
In mijn aangifte heb ik niet vermeld dat ik winst uit onderneming heb gehad, ik kan hier dus ook geen opgave van doen, ik heb mijzelf ingeschreven bij de kamer van koophandel en heb alleen veel uren verricht in onderzoek naar behoefte van technisch advies.
(…)
Ik heb gemiddeld 3 uren per dag aan dit onderzoekswerk besteed, dit is ongeveer 15 uren per week geweest.
Helaas heb ik niet een aantal bedrijven kunnen overtuigen om van mijn diensten gebruik te maken De kosten waren als volgt, ik heb een auto aangeschaft van € 7000.- om bedrijven te kunnen bezoeken, daarnaast heb ik een laptop aangeschaft om het tekenwerk op te kunnen verrichten, de aanschaf van het tekenpakket was € 1.935.- en de licentie € 2886.-daarnaast was de aanschaf van de laptop 2000€
(…)
Specifieke zorgkosten:
Ik heb in augustus 2020 3 behandelingen in het ziekenhuis gehad bij Dermatologie van € 393.67 = 1181.01€
Studiekosten en uitgaven
Ik heb een tekenpakket aangeschaft van € 1935 + een licentie om het jaarlijks te gebruiken € 2886. De laptop die ik nodig had om dit tekenpakket te gebruiken was 2000€
(…)
Ik ben destijds door mijn huisarts verwezen naar de dermatoloog.
Dat de kosten niet vergoed zijn door de zorgverzekeraar zal met het eigen risico te maken hebben, ik heb altijd een basisverzekering gehad en dan wordt alles automatisch doorberekend. In de bijlage kunt u de pdf vinden met het jaaroverzicht met daarop de kosten. ( behandeldatum 11-08-2020 )
De factuur van het tekenpakket en de licentie daarvan had ik in gescand op mijn laptop die ik daarvoor gebruikte, helaas is deze laptop begin dit jaar gecrasht.
Ik heb ook besloten om mij binnenkort weer uit te schrijven omdat het ontzettend veel tijd en energie kosten en alleen maar kosten met zich meebrengt.
(…)”.
Met dagtekening 1 december 2023 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2020 in overeenstemming met het voornemen tot afwijken van de aangifte (zie 2.6.) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.064. Het te betalen bedrag van de aanslag van € 6.290 is als volgt opgebouwd:
inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen
€ 12.287
ingehouden loonheffing
€ 12.272 -/-
voorlopige aanslag ( [nummer 1] )
€ 3.948 + (zie 2.2)
nadere voorlopige aanslag ( [nummer 2] )
€ 1.691 + (zie 2.4)
belastingrente
€ 636 +
te betalen
€ 6.290
Op 4 december 2023 heeft belanghebbende een herziene aangifte IB/PVV 2020 (de herziene aangifte IB/PVV 2020) ingediend. Daarin heeft belanghebbende, in aanvulling op de aangifte IB/PVV 2020, twee schulden in box 3 opgenomen, waaronder een schuld aan zijn broer ( [naam 3] ) van € 70.000. De inspecteur heeft de herziene aangifte IB/PVV 2020 aangemerkt als bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2020.
Bij brief van 12 februari 2024 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht om informatie ter beoordeling van het bezwaarschrift.
Bij e-mailbericht van 14 maart 2024 heeft belanghebbende gereageerd op dit informatieverzoek. Deze e-mail luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“Betreft de Ondernemersaftrek, ik ben altijd in de veronderstelling geweest dat je deze kon aanmerken als je ook onderzoekend werk deed, uit [bedrijf] heb ik nooit een factuur kunnen maken, omdat ik alleen heel veel bedrijven benaderd heb , echter hier heb ik ontzettend veel tijd en energie ingestoken, zonder enig resultaat, deze uren kan ik niet aantonen voor het urencriterium.
Aftrek: Studiekosten
De licentiekosten en aanschaf van een tekenpakket , daarvoor ben je toch niet verplicht om ook een cursus te volgen? Dit zijn puur middelen die je nodig hebt om te kunnen werken . Verder heb ik in de aangifte verwerkt het verlies uit eigen woning , dit bedrag bedraagt € 70.000. (…)”.
De inspecteur heeft met dagtekening 26 maart 2024 een vooraankondiging uitspraak op bezwaar naar belanghebbende gestuurd. De inspecteur schrijft daarin voornemens te zijn het bezwaar af te wijzen.
Bij e-mailbericht van 5 april 2024 heeft belanghebbende gereageerd op deze vooraankondiging. Deze e-mail luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“Bij het indienen van de nieuwe aangifte is het niet helemaal goed gegaan, omdat ik niet in bezwaar wilde gaan tegen uw besluit om de ondernemersaftrek en de persoonsgebonden aftrek.
(…)
Verder ben ik na mijn scheiding het huis in [adres] kwijtgeraakt, doordat de bank het heeft verkocht ver onder de executiewaarde en hierdoor een restschuld is ontstaan van € 70.000 die nog steeds actueel is , ik had [naam 4] gevraagd of ik dit in de aangifte kon verwerken en dat was nog mogelijk.
(…)”.
Op 29 mei 2024 heeft een hoorgesprek met belanghebbende plaatsgevonden. Van het hoorgesprek is een verslag gemaakt dat naar belanghebbende is verstuurd.
Bij e-mailbericht van 26 juni 2024 heeft belanghebbende een afschrift van een hypotheekakte, verleden op 16 januari 2007, opgestuurd naar de inspecteur. In deze akte is onder meer opgenomen dat belanghebbende een bedrag van € 70.000 schuldig erkent aan [naam 3] .
Bij uitspraak op bezwaar van 8 juli 2024 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Daarin wordt – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“Verlies uit eigen woning van € 70.000
(…)
De schuld € 70.000 die u heeft aan uw broer voldoet niet aan deze voorwaarden. Uit mijn gegevens blijkt namelijk dat u tot 3 oktober 2007 de eigenaar was van uw eigen woning, [adres]. Daarna is deze woning verkocht. De verkoopdatum van deze woning, ligt buiten de periode van 29 oktober 2012 en 31 december 2017.
Dat betekent dat de schuld van € 70.000 niet kwalificeert als restschuld eigen woning. (…)”.
Zaaknummer LEE 24/4506
Met dagtekening 15 januari 2021 heeft belanghebbende een voorlopige aanslag IB/PVV over het jaar 2021 ontvangen (met aanslagnummer [nummer 3] ). Uit de voorlopige aanslag volgt een te ontvangen bedrag van € 3.844.
Belanghebbende heeft op 31 maart 2022 zijn aangifte IB/PVV 2021 (de aangifte IB/PVV 2021) ingediend en daarin uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.513 aangegeven. Dit inkomen is als volgt opgebouwd:
WUO
€ 0
zelfstandigenaftrek
€ 6.670 -/-
startersaftrek
€ 2.123 -/-
MKB-winstvrijstelling
€ 1.231
saldo WUO
€ 7.562 -/-
loon uit dienstbetrekking
€ 47.760
scholingsuitgaven
€ 1.935 -/-
drempel
€ 250
Saldo PGA
€ 1.685 -/-
belastbaar inkomen uit werk en woning
€ 38.513
Naar aanleiding van de ingediende aangifte heeft belanghebbende met dagtekening 29 juni 2022 een tweede voorlopige aanslag IB/PVV 2021 opgelegd gekregen (met aanslagnummer [nummer 4] ). Hieruit volgt wederom een te ontvangen bedrag, ditmaal
van € 128.
Bij brief van 10 juli 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende meegedeeld voornemens te zijn bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2021 af te wijken van de aangifte van belanghebbende. De voorgenomen afwijkingen op het bedrag aan negatieve winst uit onderneming (€ 7.562) en de in aftrek gebrachte scholingsuitgaven (per saldo € 1.685).
Met dagtekening 17 september 2024 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2021 in overeenstemming met het voornemen tot afwijken van de aangifte (zie 2.20.) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.760. Het te betalen bedrag van de aanslag van € 4.509 is als volgt opgebouwd:
inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen
€ 12.998
ingehouden loonheffing
€ 12.987 -/-
voorlopige aanslag ( [nummer 3] )
€ 3.844 + (zie 2.17)
nadere voorlopige aanslag ( [nummer 4] )
€ 128 + (zie 2.19)
belastingrente
€ 526 +
te betalen
€ 4.509
Belanghebbende heeft bij brief van 18 september 2024 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2021. Op 22 september 2024 heeft belanghebbende een herziene aangifte IB/PVV 2021 (de herziene aangifte IB/PVV 2021) ingediend. Daarin heeft belanghebbende, in aanvulling op de aangifte IB/PVV 2021, drie schulden in box 3 opgenomen. De inspecteur heeft de herziene aangifte IB/PVV 2021, tezamen met het ingediende bezwaarschrift, aangemerkt als bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2021.
De inspecteur heeft met dagtekening 25 oktober 2024 een vooraankondiging uitspraak op bezwaar naar belanghebbende gestuurd. De inspecteur schrijft daarin voornemens te zijn het bezwaar af te wijzen.
Bij brief van 2 november 2024 heeft belanghebbende gereageerd op deze vooraankondiging. De inspecteur raakte pas na het doen van uitspraak op bezwaar bekend met de reactie van belanghebbende. De brief van belanghebbende van 2 november 2024 is door de inspecteur doorgestuurd naar de rechtbank als een verkeerd geadresseerd beroepschrift.
Vooraf
Verzoeken om uitstel zitting
3. Belanghebbende heeft de rechtbank bij e-mailbericht van 16 maart 2026 verzocht om uitstel van de behandeling ter zitting. Belanghebbende heeft aangegeven dat hij wegens ziekte niet in staat is om te verschijnen op de zitting. De rechtbank heeft het uitstelverzoek afgewezen, wel heeft zij belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het verweerschrift van de inspecteur. De rechtbank motiveert haar beslissing als volgt.
Een verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting moet worden ingewilligd indien een partij daar tijdig om verzoekt en gewichtige redenen, zoals ziekte, aanvoert waarom hij niet aanwezig kan zijn op de dag die voor de zitting is vastgesteld, of waarom hij zich niet op die zitting kan voorbereiden. De rechtbank wijst een dergelijk verzoek alleen af indien zwaarder wegende bij de behandeling van de zaak betrokken belangen aan uitstel in de weg staan. Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat de rechtbank tot het oordeel komt dat ondanks de ziekte van belanghebbende (i) het belang van een behoorlijke procesorde – die afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn omvat – ernstig in het gedrang zou komen indien het onderzoek ter zitting zou worden aangehouden, en (ii) dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de belanghebbende om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn in de onderhavige zaken bijzondere omstandigheden aanwezig die meebrengen dat het belang van een doelmatige procesgang zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende ter zitting aanwezig zou kunnen zijn.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat het hier gaat hier om oude jaren. In deze procedures staan de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2020 en 2021 centraal. De uitspraken op bezwaar zijn gedaan in juli en november 2024 en de beroepschriften zijn op respectievelijk 9 augustus en 18 november 2024 binnengekomen bij de rechtbank. De aanslagen die in geschil zijn, leiden tot behoorlijk te betalen bedragen en er is uitstel van betaling verleend. Als belanghebbende ongelijk krijgt, zal de invorderingsrente behoorlijk oplopen.
De rechtbank heeft vaak geprobeerd om eerder een zitting te plannen, namelijk op 27 mei 2025, 13 oktober 2025 en 9 januari 2026. Telkens heeft belanghebbende verzocht om uitstel. De redenen hiervoor waren divers, maar hadden allemaal te maken met de lichamelijk of psychische gezondheid van belanghebbende.
In de toewijzing van een van de laatste verzoeken om uitstel, dat overigens (veel) te laat was ingediend, heeft de rechtbank belanghebbende medegedeeld dat het ‘niet mogelijk is om vlak voor de zitting nog om uitstel te vragen, met uitzondering van plotseling opgekomen ziekte’.
Op 18 februari 2026 heeft belanghebbende voor onderhavige zitting wederom uitstel gevraagd. Het verzoek om uitstel voldeed niet aan de vereisten, het was én te laat ingediend en bovendien bevatte het verzoek geen verhinderdata tot drie maanden na de zittingsdatum. Het verzoek is daarom afgewezen. De rechtbank heeft in de afwijzing van het uitstelverzoek belanghebbende gewezen op de mogelijkheid om zich te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, die namens hem naar de zitting kan gaan. Belanghebbende heeft laten weten dat hij het niet eens is met de afwijzing.
Op 16 maart 2026 om 20:08 uur, de avond voor de geplande zitting, heeft de rechtbank een e-mail van belanghebbende ontvangen waarin hij aangeeft niet op de zitting te kunnen verschijnen. De reden daarvoor is dat hij ziek is geworden. De rechtbank heeft besloten de zitting alsnog door te laten gaan. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het belang van een behoorlijke procesorde, meer specifiek (mede) bestaande uit een voortvarende en doelmatige procesgang, in dit geval voor gaat op het belang van belanghebbende bij aanhouding van deze zaken. De zitting moet ook een keer wél kunnen doorgaan en ook deze zaken moeten op enig moment worden afgedaan. Verder overweegt de rechtbank dat belanghebbende mogelijk moeite heeft met het betalen van de aanslagen en dat de invorderingsrente ondertussen doorloopt.
Omdat belanghebbende in de e-mail van 16 maart jl. ook aangeeft alsnog zijn standpunten te willen toelichten heeft de rechtbank het onderzoek op 3 april 2026 alsnog heropend om belanghebbende, ondanks zijn afwezigheid ter zitting, nogmaals in de gelegenheid te stellen zijn standpunten schriftelijk nader toe te lichten en te reageren op de verweerschriften. Daarmee heeft belanghebbende – naar het oordeel van de rechtbank – voldoende gelegenheid gekregen om zijn standpunten nader te onderbouwen. De rechtbank heeft in de schriftelijke reactie van belanghebbende (1.8.) geen aanleiding gezien om opnieuw een mondelinge zitting te houden.
Ten onrechte ingeschreven beroep
4. De rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 16 januari 2025 ervan op de hoogte gesteld dat het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 14 november 2024 (dat ziet op het belastingjaar 2021) ten onrechte twee keer is geregistreerd onder de zaaknummers LEE 24/4904 en LEE 24/4506. De rechtbank heeft belanghebbende laten weten dat het beroep behandeld zal worden onder zaaknummer LEE 24/4506 en dat het andere zaaknummer komt te vervallen. In de brief van 16 januari 2025 is aan belanghebbende tevens meegedeeld dat het te veel betaalde griffierecht terugbetaald zal worden.
Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat hij niet in beroep wenste te komen tegen de uitspraak op bezwaar van 14 november 2024, overweegt de rechtbank dat dit beroep (dat door de inspecteur is doorgestuurd als verkeerd geadresseerd beroepschrift, zie 2.24.) al op 19 november 2024 is ingeschreven bij de rechtbank. Belanghebbende heeft dit beroep niet ingetrokken en hij heeft ook het griffierecht in deze zaak betaald. Daarmee heeft belanghebbende de procedure voortgezet en heeft de rechtbank geen aanleiding gezien dit te beëindigen.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 terecht en tot de juiste bedragen heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
6. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 terecht en tot de juiste bedragen heeft opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf
7. Voordat de rechtbank inhoudelijk ingaat op de hoogte van de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 overweegt zij dat belanghebbende zowel in de beroepschriften als in de nadere schriftelijke reactie (1.8.) zeer algemene stellingen, zonder nadere onderbouwing, inneemt ten aanzien van de werkwijze van de inspecteur (en de Belastingdienst), het verloop van de procedures en de hoogte van de aanslagen. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende voldoende tijd en mogelijkheden heeft gehad om zijn stellingen nader te onderbouwen en zij ziet geen mogelijkheid om op alle algemeenheden te reageren of daar een oordeel over te vellen.
8. De rechtbank leest in de stukken van belanghebbende onder meer een groot ongenoegen over de werkwijze van de inspecteur. Zo zou belanghebbende de inspecteur meerdere keren om advies hebben gevraagd over hoe bepaalde gegevens in de aangiften verwerkt moesten worden. De rechtbank wil benadrukken dat de inspecteur in principe geen adviserende functie heeft, maar een controlerende functie. Op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de AWR) moet – kort gezegd - iedereen die wordt uitgenodigd om aangifte IB/PVV te doen, dit ook duidelijk, stellig en zonder voorbehoud doen. Kortom, de verantwoordelijkheid voor het doen van een aangifte IB/PVV ligt bij belanghebbende. En het ligt dus ook op de weg van belanghebbende om hiervoor, indien nodig, beroepsmatige dienstverlening in te schakelen.
9. De rechtbank leidt verder uit de stukken in het dossier af dat de inspecteur de uitspraak op bezwaar van 14 november 2024 heeft gedaan zonder eerst te reageren op de brief van belanghebbende van 2 november 2024 (reactie van belanghebbende op de vooraankondiging uitspraak op bezwaar, zie 2.24.). Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende daarmee – gelet op de inhoud van de brief van 2 november 2024 – niet in zijn belangen geschaad. De vooraankondiging had betrekking op de voorgenomen correcties, maar daar is belanghebbende in zijn brief helemaal niet op ingegaan. Bovendien heeft de inspecteur in die brief van 2 november 2024 geen aanleiding gezien om de aanslag IB/PVV 2021 ambtshalve te verminderen. De stelling van belanghebbende dat de inspecteur meerdere keren niet heeft gereageerd op correspondentie van belanghebbende kan de rechtbank niet volgen.
10. Belanghebbende stelt verder dat er sprake zou zijn van een persoonsverwisseling. Op het adres van belanghebbende staat namelijk ook zijn zoon ingeschreven, die exact dezelfde initialen en achternaam heeft als belanghebbende. De rechtbank maakt uit de stukken in het dossier op dat de inspecteur inderdaad eenmalig belanghebbende in een e-mailbericht heeft verward met zijn zoon. De rechtbank overweegt dat de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 wél aan belanghebbende zijn opgelegd en dat de informatieverzoeken, vooraankondigingen en overige correspondentie over de aanslagen duidelijk betrekking hebben op de aangiftes IB/PVV 2020 en 2021 van belanghebbende. Bovendien staat op elke brief van de inspecteur het BSN-nummer van belanghebbende vermeld als referentie. De rechtbank begrijpt dat deze eenmalige persoonsverwisseling vervelend is, maar is van oordeel dat dit geen gevolgen heeft voor de rechtsgeldigheid van de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021.
11. Over de blote stelling van belanghebbende dat er onterecht aanmaningen zijn gestuurd door de ontvanger van de Belastingdienst, merkt de rechtbank op dat het niet binnen de bevoegdheid van de belastingrechter valt om daarover te oordelen. Datzelfde geldt ook voor verzoeken om uitstel van betaling. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat in het systeem van de Belastingdienst staat dat er uitstel van betaling is verleend voor de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021.
12. Anders dan belanghebbende meent, heeft de inspecteur de herziene aangiftes IB/PVV 2020 en 2021 niet ten onrechte als bezwaarschriften tegen de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 in behandeling genomen. Belanghebbende heeft de herziene aangiftes namelijk beide keren ingediend binnen zes weken na de dagtekening van de aanslagen en hij heeft daarin gegevens ingevuld die afwijken van de opgelegde aanslagen. Belanghebbende heeft zijn bezwaarschriften niet ingetrokken en heeft de procedures voortgezet.
13. De rechtbank maakt uit het dossier als geheel op dat de inspecteur zich als een behoorlijk bestuursorgaan heeft gedragen. Indien belanghebbende van oordeel is dat er sprake is van een schending van algemene rechtsbeginselen, dan is het ook aan belanghebbende om dit te stellen – en bij betwisting – aannemelijk te maken. De rechtbank merkt overigens hierbij op dat, ook als de rechtbank zou zijn gekomen tot het aannemen van een dergelijke schending, dit niet automatisch met zich meebrengt dat de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 worden vernietigd zoals belanghebbende voorstelt.
Is er sprake van een bron van inkomen?
14. De inspecteur heeft in de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 het bedrag van de door belanghebbende aangegeven (negatieve) winst uit onderneming gecorrigeerd. In beide jaren bestond dit bedrag alleen uit de zelfstandigenaftrek, de startertsaftrek (tezamen: de ondernemersaftrek) en de MKB-winstvrijstelling (zie 2.3. en 2.18.). Er is door belanghebbende geen omzet aangegeven en hij heeft ook geen kosten opgevoerd in de winstsfeer.
15. Om voor de ondernemersaftrek in aanmerking te komen dient er sprake te zijn van een bron van inkomen. De rechtbank overweegt dat wil sprake zijn van een bron van inkomen voor de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet IB 2001), volgens vaste rechtspraak aan de volgende drie algemene (bron)voorwaarden moet worden voldaan: (1) deelname aan het economische verkeer, (2) het (subjectieve) oogmerk van de belastingplichtige om voordeel te behalen, en (3) de (objectieve) verwachting dat het voordeel naar maatschappelijke opvattingen redelijkerwijs kan worden verwacht.
16. Omdat het inkomen negatief is rust de bewijslast van de feiten en omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van een bron van inkomen in dit geval op belanghebbende. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat hiervan sprake is. Zo blijkt uit de e-mailberichten van belanghebbende (zie 2.7. en 2.11.) dat hij onderzoek heeft verricht naar de behoefte aan technisch advies, maar dat er geen afnemers bleken te zijn. Daaruit leidt de rechtbank af dat belanghebbende in een verkennende (voor)fase zat voor het opstarten van een onderneming. Deze onderneming is echter nooit van de grond gekomen. Belanghebbende heeft ook geen omzet behaald, laat staan dat hij winst heeft gemaakt. Belanghebbende heeft ongetwijfeld tijd en energie gestoken in het onderzoeken van een mogelijke opstart van [bedrijf] , maar duidelijk is dat niet aan de drie bronvereisten is voldaan.
17. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de activiteiten van [bedrijf] geen bron van inkomen vormen. Belanghebbende is ervan uitgegaan dat hij voor de onderzoekende werkzaamheden in aanmerking komt voor de ondernemersaftrek. Dit is niet juist. Zoals hiervoor is beschreven, moet er eerst voldaan zijn aan de bronvereisten. Ook als er overigens wel sprake zou zijn geweest van een bron van inkomen, betekent dit niet automatisch dat belanghebbende recht heeft op de ondernemersaftrek. Daarvoor moet belanghebbende ook nog aangemerkt worden als ondernemer voor de inkomstenbelasting én moet zijn voldaan aan het urencriterium.
18. Uit de e-mailberichten van belanghebbende (zie 2.7. en 2.11.) en het hoorverslag leidt de rechtbank af dat belanghebbende een aantal kosten heeft gemaakt voor het opstarten van de activiteiten van [bedrijf] , waaronder de aanschaf van een auto, een laptop, een tekenpakket en licenties. Deze kosten heeft belanghebbende opgevoerd als scholingskosten. De rechtbank verwijst naar rechtsoverwegingen 23. en 24. voor de verdere beoordeling van deze scholingsuitgaven. Voor zover belanghebbende deze kosten wenste op te voeren als kosten die betrekking hebben op [bedrijf] , wijst de rechtbank erop dat ook in dat geval de kosten niet voor aftrek in aanmerking komen nu er geen bron van inkomen is aangenomen.
Wat zijn de fiscale gevolgen van de schuld aan [naam 3] ?
19. Belanghebbende heeft in de herziene aangiftes IB/PVV 2020 en 2021 schulden in box 3 aangegeven, waaronder een schuld aan [naam 3] . Aan de hand van de stukken in het dossier heeft de rechtbank vastgesteld dat er op enig moment discussie is gevoerd over de vraag of de schuld aan [naam 3] kwalificeert als een restschuld van een vervreemde eigen woning (restschuld eigen woning).
20. De rechtbank overweegt dat belanghebbende in de herziene aangiftes 2020 en 2021 nergens aftrekbare kosten heeft opgenomen in verband met een eigenwoningschuld dan wel een restschuld eigen woning. Gelet op het standpunt van belanghebbende in de herziene aangiftes, dat de schuld aan [naam 3] een box 3 schuld is, ziet de rechtbank geen aanleiding om te beoordelen of er van een restschuld eigen woning sprake is. De rechtbank stelt bovendien op basis van de stukken in het dossier vast dat de woning, waarmee de schuld aan [naam 3] volgens belanghebbende verband houdt, in 2007 is vervreemd, en dat de schuld op die grond al niet kan kwalificeren als een restschuld eigen woning. Voor zover er sprake is van een schuld in box 3, wijst de rechtbank er op dat belanghebbende geen enkel belang heeft, omdat hij in 2020 en 2021 geen positief inkomen in box 3 heeft.
Zijn de opgevoerde zorgkosten aannemelijk gemaakt?
21. De inspecteur heeft het bedrag van de door belanghebbende in de aangifte IB/PVV 2020 in aftrek gebrachte zorgkosten van € 1.132 (zie 2.3.) gecorrigeerd. Belanghebbende heeft hetzelfde bedrag aan zorgkosten wederom opgevoerd in de herziene aangifte IB/PVV 2020.
22. In het door belanghebbende naar de inspecteur opgestuurde jaaroverzicht van de zorgkosten (zie 2.7.) blijkt dat de gedeclareerde zorgkosten over 2020 ofwel zijn vergoed door de verzekeraar ofwel vallen onder het eigen risico. De rechtbank overweegt dat deze kosten op grond van artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a en artikel 6.18, eerste lid, onderdeel f, van de Wet IB 2001 niet voor aftrek in aanmerking komen. Dat geldt dus ook voor de kosten die belanghebbende heeft gemaakt bij de dermatoloog.
Zijn de opgevoerde scholingsuitgaven aannemelijk gemaakt?
23. De inspecteur heeft de bedragen van de door belanghebbende in aftrek gebrachte scholingsuitgaven van € 5.000 in de aangifte IB/PVV 2020 (zie 2.3.) en € 1.935 in de aangifte IB/PVV 2021 (zie 2.18.), gecorrigeerd. Belanghebbende heeft dezelfde bedragen aan scholingsuitgaven wederom opgevoerd in de herziene aangiftes IB/PVV 2020 en 2021.
24. Gelet op de aard van de kosten en de stukken in het dossier – waaronder de e-mails van belanghebbende (2.7., 2.11. en 2.13.) – gaat de rechtbank ervan uit dat de door belanghebbende onder de scholingsuitgaven opgenomen bedragen, kosten zijn die belanghebbende voor het opstarten van de activiteiten van [bedrijf] heeft gemaakt. Niet is gebleken dat deze kosten ook maar enig aanknopingspunt hebben met scholingsuitgaven zoals bedoel in artikel 6.27 van de Wet IB 2001 (oud), zodat de aftrek van deze kosten onder de scholingsuitgaven naar het oordeel van de rechtbank terecht is gecorrigeerd door de inspecteur. De rechtbank verwijst verder naar hetgeen onder 18. hierover is overwogen.
De te betalen belastingbedragen op de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021
25. Bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 is de inspecteur afgeweken van de door de belanghebbende ingediende aangiftes IB/PVV over die jaren. Belanghebbende verkeert ten onrechte in de veronderstelling dat de inspecteur gegevens heeft verwijderd uit de aangiftes. Er zijn geen gegevens verwijderd uit de ingediende aangiftes IB/PVV maar bij het opleggen van de aanslagen is niet alle in de aangiften opgenomen informatie overgenomen door de inspecteur.
26. Verder stelt belanghebbende dat het terug te betalen bedrag op de aanslag IB/PVV 2020 van € 6.290 niet kan kloppen nu hij maar € 3.948 op de voorlopige aanslag IB/PVV 2020 heeft ontvangen. De rechtbank overweegt dat belanghebbende aanvullend nog een bedrag van € 1.691 heeft ontvangen op een nadere voorlopige aanslag IB/PVV 2020 (zie 2.4.). Belanghebbende heeft dus in totaal een bedrag van € 5.639 ontvangen op de voorlopige aanslagen IB/PVV 2020. Dat bedrag heeft belanghebbende – gelet op de berekening uit 2.8. en de correcties op de ingediende aangifte IB/PVV 2020 – te veel ontvangen en moet worden terugbetaald.
27. De rechtbank overweegt verder dat er voor het jaar 2021 ook twee voorlopige aanslagen IB/PVV zijn opgelegd, namelijk een terug te ontvangen bedrag van € 3.844 (zie 2.17.) en een terug te ontvangen bedrag van € 128 (zie 2.19.). Belanghebbende heeft dus in totaal een bedrag van € 3.972 ontvangen op de voorlopige aanslagen IB/PVV 2021. Ook dat bedrag heeft belanghebbende – gelet op de berekening uit 2.21. en de correcties op de ingediende aangifte IB/PVV 2021 – te veel ontvangen en moet worden terugbetaald.
28. Alhoewel belanghebbende stelt de bedragen op de voorlopige aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 (voor een deel) niet ontvangen te hebben, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de ontvangst van deze bedragen te twijfelen.
Is er sprake van een schending van de hoorplicht (zaaknummer LEE 24/3355)?
29. Uit de stukken in het dossier blijkt dat belanghebbende problemen heeft ondervonden ten aanzien van het hoorgesprek van 29 mei 2024 (2.14.). De rechtbank overweegt dat de inspecteur belanghebbende bij e-mailbericht van 25 april 2024 een aantal data voor het hoorgesprek heeft voorgesteld. Belanghebbende heeft daar bij e-mailbericht van 30 april 2024 op gereageerd. De stelling van belanghebbende dat hij de e-mail van de inspecteur niet heeft ontvangen, snijdt dan ook geen hout. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat er een hoorgesprek heeft plaatsgevonden met belanghebbende en dat dit gesprek naar zijn mening goed is verlopen. Het hoorverslag is naar belanghebbende opgestuurd (zie 2.14.), maar daar heeft belanghebbende niet inhoudelijk op gereageerd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de hoorplicht niet is geschonden. Dat belanghebbende het hoorgesprek (naderhand) als (zeer) onprettig heeft ervaren, maakt dat oordeel niet anders.
Belastingrente
30. Belanghebbende heeft in zijn beroepschriften geen aparte gronden aangevoerd tegen de belastingrentebeschikkingen 2020 en 2021.
Conclusie en gevolgen
31. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van mr.E.M. Antonescu, griffier.
Uitgesproken op 16 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.