ECLI:NL:RBNNE:2026:34

ECLI:NL:RBNNE:2026:34, Rechtbank Noord-Nederland, 15-01-2026, LEE 25/1180

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 15-01-2026
Datum publicatie 16-01-2026
Zaaknummer LEE 25/1180
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

OB, naheffingsaanslag + verzuimboete, niet aangegeven omzet, ten onrechte nultarief wegens vermeende ICL toegepast en teveel voorbelasting in mindering gebracht, ongegrond, verzuimboete verminderd wegens undue delay

Uitspraak

[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam] , uit [Z] , eiser

(gemachtigde: J. Varwijk),

en

de inspecteur van de Belastingdienst MKB/kantoor Leeuwarden, de inspecteur

(gemachtigde: [gemachtigde inspecteur] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 29 november 2024.

De inspecteur heeft aan eiser voor het tijdvak 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 63.194.

Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur eiser € 2.938 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en aan eiser een verzuimboete van € 5.514 opgelegd.

De inspecteur heeft het bezwaar van eiser gegrond verklaard. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 43.099. De belastingrentebeschikking is verminderd tot € 2.004 en de verzuimboete is verminderd tot € 4.309.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De inspecteur heeft een nader stuk overgelegd.

De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2025 op zitting behandeld. Namens de inspecteur is diens gemachtigde verschenen, bijgestaan door [persoon 1] . De gemachtigde van eiser is – zonder bericht van verhindering – niet op zitting verschenen. De gemachtigde procedeert vrijwillig digitaal bij de rechtbank. De griffier van de rechtbank heeft op 17 september 2025 in het digitale dossier van eiser een bericht geplaatst waarbij eiser onder vermelding van tijd en plaats is uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 8 december 2025. Van de vrijgave van dit bericht in het digitale dossier is op hetzelfde tijdstip een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd aan het door de gemachtigde voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt de rechtbank aan dat de gemachtigde de uitnodiging voor de zitting op 17 september 2025 heeft ontvangen. De gemachtigde is dus tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De rechtbank heeft de zitting daarom doorgang laten vinden.

Feiten

2. Eiser drijft onder de naam ' [handelsnaam] ' een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit een keukenmontagebedrijf, transport van keukens en distributie van keukenaanrechtbladen.

3. Op 9 januari 2023 heeft de inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd naar onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting voor het jaar 2022. In het controlerapport van het boekenonderzoek van 30 oktober 2023 heeft de inspecteur geconcludeerd dat eiser niet over alle gefactureerde omzet omzetbelasting heeft afgedragen, ten onrechte het 0%-tarief heeft toegepast in verband met een vermeende intracommunautaire levering en de door eiser in mindering gebrachte voorbelasting niet aansluit bij diens administratie. De slotsom van de inspecteur luidt dat eiser voor het jaar 2022 in totaal € 65.902 omzetbelasting verschuldigd was, terwijl hij € 2.708 op aangifte heeft voldaan. De inspecteur heeft daarom aan eiser een naheffingsaanslag omzetbelasting en een verzuimboete opgelegd die bij uitspraak op bezwaar zijn verminderd. De bedragen waarvan de inspecteur is uitgegaan zijn als volgt opgebouwd:

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de of de inspecteur de naheffingsaanslag omzetbelasting en de verzuimboete, zoals verminderd bij uitspraak op bezwaar, terecht en naar de juiste bedragen heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de naheffingsaanslag omzetbelasting terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. De rechtbank is verder van oordeel dat de inspecteur terecht een verzuimboete heeft opgelegd. De rechtbank vermindert de verzuimboete in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

6. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag, zoals verminderd bij uitspraak op bezwaar, nog steeds naar een te hoog bedrag is opgelegd. Daartoe voert eiser aan dat de inspecteur niet de gehele administratie met betrekking tot het jaar 2022 in aanmerking heeft genomen. Volgens eiser bedraagt de totaal verschuldigde omzetbelasting € 29.762, zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot een bedrag van € 27.054. Het bedrag van € 29.762 is als volgt opgebouwd:

7. De inspecteur heeft de stellingen van eiser gemotiveerd weersproken.

8. De rechtbank overweegt het volgende. Het geschil beperkt zich tot een bedrag van € 16.045. Dit bedrag betreft het verschil tussen de bedragen aan in totaal af te dragen omzetbelasting van € 29.762 en € 45.807 die eiser respectievelijk de inspecteur verdedigen. De inspecteur heeft toegelicht dat dit bedrag van € 16.045 als volgt moet worden uitgesplitst:

Niet aangegeven omzet

9. Ter zitting heeft de inspecteur onweersproken gesteld dat het verschil van € 653 is terug te voeren tot eisers administratie en dat dit bedrag betrekking heeft op omzet die eiser niet heeft aangegeven. Omdat eiser hiertegen niets heeft ingebracht, en de rechtbank ook overigens geen aanleiding ziet de inspecteur niet te volgen, is het gelijk op dit punt aan de inspecteur.

Toepassing van het 0%-tarief racetrailer

10. De rechtbank overweegt als volgt. Het nultarief voor de omzetbelasting is van toepassing als goederen worden vervoerd naar een andere lidstaat (in dit geval België) en de levering aldaar is onderworpen aan heffing van belasting ter zake van de intracommunautaire verwerving van die goederen. Er moet ook worden voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden. De aanspraak op toepassing van het nultarief voor een intracommunautaire levering geldt slechts indien de toepasselijkheid van dat tarief uit boeken en bescheiden blijkt. Uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) volgt dat het nultarief, behoudens gevallen van fraude of misbruik, niet mag worden geweigerd indien de daarvoor geldende materiële voorwaarden zijn vervuld. Deze materiële voorwaarden zijn (i) dat de goederen naar de andere lidstaat zijn vervoerd en (ii) dat deze goederen aldaar zijn onderworpen aan heffing van belasting ter zake van intracommunautaire verwerving van die goederen. De bewijslast dat is voldaan aan de vereisten voor toepassing van het nultarief rust op eiser.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De inspecteur heeft eiser gedurende de periode van het boekenonderzoek en gedurende de bezwaarfase verzocht om vervoersdocumenten te overleggen met betrekking tot de racetrailer. Eiser heeft deze documenten niet verstrekt aan de inspecteur. Ook in de beroepsfase heeft eiser de documenten niet overgelegd. Bovendien heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de levering van de racetrailer in België is onderworpen aan een heffing van belasting ter zaken van de intracommunautaire verwerving van die trailer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur daarom terecht geweigerd het nultarief toe te passen voor de levering van de racetrailer. Dat tot de gedingstukken een factuur behoort die eiser heeft uitgereikt aan een in België woonachtig persoon, doet aan dit oordeel niet af, omdat uit deze enkele factuur niet valt af te leiden dat aan de hiervoor omschreven voorwaarden is voldaan.

Voorbelasting

12. Op grond van artikel 15, aanhef en eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 is de belasting die de ondernemer in aftrek brengt de belasting die door andere ondernemers aan hem in rekening is gebracht op een op door of krachtens de voormelde wet voorgeschreven wijze opgemaakte factuur. Wat betreft de uitoefening van het recht op aftrek van voorbelasting heeft het HvJ geoordeeld dat de belastingplichtige die aanspraak maakt op aftrek van btw, aannemelijk moet maken dat hij zowel voldoet aan de materiële als formele voorwaarden voor aftrek.

13. Om het recht op aftrek van voorbelasting uit te oefenen, moet de belastingplichtige onder meer in het bezit zijn van een factuur die voldoet aan de daaraan wettelijk gestelde eisen. Tot de gedingstukken behoren diverse facturen die aan eiser zijn uitgereikt. Deze facturen tellen op tot een bedrag van € 10.059,22. Daarnaast heeft eiser een cijfermatig overzicht overgelegd, waarin is vermeld dat hem € 12.400,88 aan voorbelasting in rekening is gebracht. Het bedrag aan voorbelasting op basis van deze stukken bedraagt dan in totaal € 22.460,10. De bestanden die eiser heeft overgelegd bevatten evenwel dubbeltellingen (zoals de facturen afkomstig van het Samenwerkingsverband [X] ) en daarnaast heeft eiser geen facturen overlegd van alle bedragen die zijn vermeld in het door hem verstrekte cijfermatig overzicht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op meer aftrek van voorbelasting dan de voorbelasting die de inspecteur bij het doen van uitspraak op bezwaar in aanmerking heeft genomen.

Verzuimboete

14. De inspecteur heeft aan eiser bij het vaststellen van de naheffingsaanslag op grond van artikel 67c AWR een verzuimboete opgelegd. Een dergelijke boete kan worden opgelegd op grond van de enkele constatering dat de belasting niet, onvolledig of te laat is betaald en daarom zonder onderzoek naar de mate waarin de belastingplichtige daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Paragraaf 4 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst bepaalt evenwel dat een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld (avas) het opleggen van een verzuimboete uitsluit. Eiser heeft geen feiten gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, waaruit volgt dat sprake is van een pleitbaar standpunt dan wel van avas. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verzuimboete terecht is opgelegd. Ook is de rechtbank van oordeel dat de verzuimboete passend en geboden is.

15. De rechtbank moet ambtshalve te beoordelen of de boete gematigd moet worden wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het EVRM. De redelijke termijn voor berechting van het geschil in eerste aanleg bedraagt twee jaar. Die termijn is gaan lopen met de zogeheten criminal charge in de bekendmaking van het controlerapport van het boekenonderzoek op 30 oktober 2023. Van een eerder tijdstip waarop eiser met de beboeting rekening moest houden is niet gebleken. De termijn eindigt met het doen van uitspraak door de rechtbank. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met minder dan zes maanden. De rechtbank vermindert de verzuimboete – zoals verminderd bij uitspraak op bezwaar – daarom met 5% tot een bedrag van € 4.093.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Omdat de rechtbank ambtshalve heeft vastgesteld dat de verzuimboete moet worden verminderd door de overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank de uitspraak op bezwaar wat betreft de beslissing over de boetebeschikking vernietigen en de boete verminderen. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. De ambtshalve vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn vormt hiertoe geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover het de beslissing over de verzuimboete betreft;

- vermindert de verzuimboete tot een bedrag van € 4.093;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van

mr. T.R. Bontsema, griffier.

Uitgesproken op 15 januari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F. Brekelmans

Griffier

  • mr. T.R. Bontsema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026011909 V-N Vandaag 2026/67
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?