RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[veroordeelde]
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-830581/13
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 10 februari 2026 in de rechtbank Noord-
Nederland
in de zaak tegen
geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.
Procesverloop
De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank de termijn van terbeschikkingstelling van de veroordeelde zal verlengen met twee jaren.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026, waarbij aanwezig waren de veroordeelde, zijn raadsman, mr. J.A.W. Knoester, de officier van justitie, mr. A.J. Kemkers en W.A.T. Bos als deskundige.
De rechtbank heeft acht geslagen op de stukken, waaronder met name het door het (plaatsvervangend) hoofd van de inrichting ondertekende rapport met advies d.d. 9 december 2025, van het behandelteam van de instelling waar de veroordeelde van overheidswege wordt verpleegd en de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de veroordeelde.
De rechtbank heeft voorts gelet op het advies als bedoeld in artikel 6:6:12, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), opgemaakt door I. Maksimović, psychiater en R.J.A. van Helvoirt, GZ-psycholoog, beiden niet verbonden aan de instelling waar de veroordeelde wordt verpleegd.
Motivering
De opgelegde terbeschikkingstelling
Bij vonnis van 23 januari 2014 (bevestigd door het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden) heeft de rechtbank veroordeelde wegens het meermalen buiten echt plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, begaan tegen zijn kind, ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. De terbeschikkingstelling
is aangevangen op 9 februari 2015 en laatstelijk op 13 februari 2024 verlengd met twee jaren.
Het advies van de instelling
In het verlengingsadvies wordt geadviseerd de termijn van de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren. In dit verlengingsadvies is onder meer het volgende aangegeven, zakelijk weergegeven:
Veroordeelde is een in 1972 geboren Nederlandse man, bij wie er in diagnostische zin sprake is van pedofilie van het niet-exclusieve type (seksueel aangetrokken tot beide seksen), zich uitend in incest en hyperseksualiteit. Tevens is er sprake van een autismespectrumstoornis en een licht verstandelijke beperking. Veroordeelde verblijft sinds 3 juni 2021 in [instelling] , een beschermde woonvorm.
Er wordt geadviseerd de verpleging te continueren. Een voorwaardelijke beëindiging is thans niet haalbaar: nu kan die niet worden uitgevoerd bij [instelling] aangezien daar op dit moment geen forensische behandelplekken meer zijn. Er is geen alternatief voorhanden en het is niet proefondervindelijk gebleken dat het risicomanagement in een alternatieve setting werkt. Veroordeelde blijft kwetsbaar bij toenemende spanningen, maar zal binnen een passend zorgkader met extern risicomanagement openstaan voor begeleiding, zodat mogelijke spanningen en neigingen tot seksueel grensoverschrijdend gedrag tijdig kunnen worden beperkt.
De deskundige de heer Bos heeft tijdens de terechtzitting van 27 januari 2026 het advies bevestigd en nader toegelicht. Deze toelichting houdt - zakelijk weergegeven - in:
Indien bij [instelling] opnieuw mogelijkheden voor proefverlof ontstaan, zullen wij daar direct op aansturen. Dit vereist echter wel dat de reclassering opnieuw wordt opgedragen een rapport op te stellen, waarna gesprekken zullen moeten plaatsvinden met zowel [instelling] als ACT van GGZ Drenthe of mogelijk Trajectum. Dit alles kost tijd en of dit, binnen een jaar gerealiseerd kan worden, is onzeker; ik refereer in dit verband aan het oordeel van de rechtbank. Ik heb geen overwegende bezwaren tegen een verlenging met een jaar.
De adviezen van de deskundigen als bedoeld in artikel 6:6:12, derde lid Sv.
In het door de deskundige I. Maksimović op 7 november 2025 opgemaakte rapport wordt geadviseerd de termijn van de terbeschikkingstelling met een jaar te verlengen. Het advies houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:
Bij veroordeelde is sprake van een licht verstandelijke beperking en een pedofiele stoornis van het niet-exclusieve type, seksueel aangetrokken tot beide seksen. Het recidiverisico ligt besloten in de pedofiele voorkeur van veroordeelde. Het risicomanagement wordt binnen de context van [instelling] thans optimaal vormgegeven, met behoud van de kwaliteit van leven van veroordeelde. Aan de rechtbank wordt ter overweging gegeven om de stand van zaken over één jaar te toetsen en zodoende het eventuele moment om het kader af te kunnen schalen niet te missen.
In het door de deskundige R.J.A. van Helvoirt, op 7 november 2025 opgemaakte rapport wordt geadviseerd de termijn van de terbeschikkingstelling met een jaar te verlengen. Het advies houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:
Het huidig risicomanagement volstaat en wordt adequaat vormgegeven. Geadviseerd wordt om de maatregel met een jaar te verlengen om te kijken of een verblijf binnen [instelling] weer mogelijk wordt buiten het huidige transmurale kader of naar andere verblijfsmogelijkheden als dit uitblijft.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij haar vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met twee jaren. De fase naar en van een eventueel proefverlof is erg van belang. Zodra duidelijk is dat proefverlof weer mogelijk is binnen het huidige verblijf moeten alle stappen zorgvuldig worden belopen. Om dit zorgvuldig te kunnen doen wordt een termijn van twee jaren noodzakelijk geacht.
Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsman
Veroordeelde ondervindt hinder doordat [instelling] getroffen is door problemen met het ministerie, waardoor zijn proefverlof momenteel niet mogelijk is en [instelling] afhankelijk is van het moment waarop opnieuw forensische plaatsen kunnen worden ingekocht. Veroordeelde voelt dit als onrechtvaardig, ondanks dat hij over aanzienlijke vrijheden beschikt en het verloop positief is. Samen met de deskundigen ben ik van mening dat het raadzaam is om over een jaar de stand van zaken te evalueren. Het is onzeker wanneer proefverlof weer mogelijk zal zijn; indien dit op korte termijn plaatsvindt, is het naar mijn mening zeker haalbaar om over een jaar een eventuele voorwaardelijke beëindiging uit te spreken.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de strafmotivering in het onderliggende vonnis vast dat de terbeschikkingstelling is opgelegd ter zake van een misdrijf gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Op grond van de inhoud van voormeld advies, de door de deskundige gegeven toelichting en hetgeen overigens uit het onderzoek ter zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen
vereist dat de termijn van de dwangmaatregel wordt verlengd.
Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, zal de rechtbank de maatregel verlengen met één jaar. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de rapportages en uit hetgeen ter terechtzitting is besproken volgt dat er momenteel veel positieve ontwikkelingen gaande zijn binnen het tbs-traject van veroordeelde. Hij heeft veel vrijheden en stelt zich gemotiveerd en positief op. Veroordeelde is ten aanzien van het niet meer hebben van proefverlof slachtoffer van omstandigheden welke spelen tussen [instelling] en het ministerie, welke hem niet aangerekend kunnen worden. Het is daardoor nog onzeker wanneer hij opnieuw in aanmerking zal komen voor proefverlof. Gelet op alle omstandigheden is het passend om het verloop van de tbs-maatregel volgend jaar opnieuw te toetsen.
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van de veroordeelde met één jaar.
Deze beslissing is gegeven door mr. E.P. van Sloten, voorzitter, mr. M.A.M. Wolters en mr. H.H. Kielman, rechters, bijgestaan door mr. J.H. Nieboer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 februari 2026.
Mr. E.P. van Sloten en mr. H.H. Kielman zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.