ECLI:NL:RBNNE:2026:3464

ECLI:NL:RBNNE:2026:3464

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 17-08-2026
Zaaknummer LEE 25/1473 en LEE 25/1474
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Artikel 220, onder a, van de Gemeentewet. Onroerendezaakbelasting gebruiker niet-woning, belastingjaren 2022 en 2023. Volgens belanghebbende was er geen sprake van gebruik in die jaren, omdat de gemeente de toegang belemmerde, wat de heffingsambtenaar betwist. De rechtbank oordeelt dat voor belastingjaar 2022 sprake was van gebruik, maar voor belastingjaar 2023 niet.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

de heffingsambtenaar van de gemeente Veendam, de heffingsambtenaar.

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 25/1473 en 25/1474

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 augustus 2026 in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. J. van den Brink),

en

Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde gebruikersaanslagen onroerendezaakbelasting niet-woning over de belastingjaren 2022 en 2023. Belanghebbende is het niet eens met die aanslagen, omdat zij het pand waarop de aanslagen betrekking hebben, volgens haar in die jaren niet kon gebruiken. De rechtbank beoordeelt of er al dan niet sprake was van gebruik in de betekenis die daaraan volgens de toepasselijke wetgeving en rechtspraak moet worden gegeven.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat voor belastingjaar 2022 sprake was van gebruik, maar voor belastingjaar 2023 niet. Dat betekent dat:

- het beroep over belastingjaar 2022 (LEE 25/1474) ongegrond is, en

- het beroep over belastingjaar 2023 (LEE 25/1473) gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat heeft.

Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft belanghebbende op 30 september 2024 gebruikersaanslagen onroerendezaakbelasting niet-woning voor het object [adres] – hierna: het pand – opgelegd van € 374,33 voor het jaar 2022 en € 389,64 voor het jaar 2023 (hierna samen ook: de aanslagen).

De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen bij uitspraken op bezwaar van 11 maart 2025 ongegrond verklaard en de aanslagen gehandhaafd.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft daarna nadere stukken ingediend.

Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht een zitting achterwege te laten en de heffingsambtenaar heeft aangegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen het achterwege laten van een zitting. Het onderzoek ter zitting is daarom achterwege gebleven.

Feiten

Belanghebbende heeft het pand op 6 oktober 2021 in verwaarloosde staat aangekocht met de bedoeling het op te knappen en te gaan exploiteren.

In de loop van 2022, maar niet vóór mei 2022, heeft de gemeente Veendam hekken geplaatst om het pand. Deze hekken zijn geplaatst onder andere vanwege de bouwkundige staat van het pand en het aantreffen van een drugslab in hetzelfde gebouw als het pand, maar op een perceel dat niet van belanghebbende is. De hekken zijn in ieder geval tot juli 2023 blijven staan.

De gemachtigde van belanghebbende heeft op 21 mei 2024 een brief aan de gemeente Veendam geschreven. Die brief luidt voor zover van belang als volgt:

Nu cliënt een jaar lang het toegang tot zijn pand is ontzegd is aanzienlijke schade opgetreden aan de vloeren in het pand. Ter toelichting geldt het volgende. Cliënt is begin oktober 2022 de toegang tot zijn pand ontzegd, hetgeen volgt uit de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden. Precies op dat moment was cliënt bezig met de reparatie van het dak. Het dak lag dus open, maar het was cliënt niet toegestaan om de reparatie af te ronden. (…) Op het verzoek van cliënt om deze werkzaamheden af te ronden (…), werd afwijzend gereageerd.”

Beoordeling door de rechtbank

Standpunten van partijen

4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslagen ten onrechte zijn opgelegd. Belanghebbende voert daartoe aan dat zij het pand in 2022 en 2023 niet heeft kunnen gebruiken, omdat de gemeente Veendam het pand op eigen initiatief heeft laten afsluiten en het belanghebbende daarmee onmogelijk heeft gemaakt het pand te betreden.

5. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de aanslagen terecht zijn opgelegd. Hij voert daartoe aan dat er meerdere gesprekken met belanghebbende zijn gevoerd over de verplichting tot het treffen van veiligheidsmaatregelen rondom het pand. Daarbij is ook aan de orde gekomen dat er hekken om het gebouw zouden worden geplaatst in verband met de onveilige staat van het gebouw. Tijdens die gesprekken is benadrukt dat de hekken de werkzaamheden die belanghebbende wilde uitvoeren, niet in de weg zouden staan en dat haar ook niet de toegang tot het pand werd ontzegd. Het pand stond aan het begin van de onderhavige kalenderjaren ter beschikking aan belanghebbende, aldus de heffingsambtenaar.

Toetsingskader

6. De aanslagen vinden hun grondslag in artikel 1, eerste lid, onder a, van de “Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2022” en de “Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2023” van de gemeente Veendam, dat luidt als volgt:

“Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht

1. Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:
a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;”

7. Bovengenoemde verordeningen zijn wat betreft deze bepaling inhoudelijk gelijk aan en gebaseerd op artikel 220, onder a, van de Gemeentewet. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 18 oktober 2024, onder 4.2.2 en 4.2.3, over die wetsbepaling het volgende vooropgesteld:

4.2.2. Onder gebruiken in de zin van deze wetsbepaling dient te worden verstaan: het metterdaad bezigen van de onroerende zaak ter bevrediging van eigen behoeften. Een verhindering de onroerende zaak overeenkomstig zijn aard en inrichting te gebruiken, brengt niet zonder meer mee dat niet langer sprake is van gebruik in de hierboven bedoelde betekenis [voetnoot: Vgl. HR 5 september 1979 ECLI:NL:HR:1979:AX2715].

4.2.3. Volgens artikel 220, letter a, van de Gemeentewet is de situatie aan het begin van het kalenderjaar (de peildatum) beslissend. Dat betekent echter niet dat kan worden volstaan met een momentopname. Bij beantwoording van de vraag of de onroerende zaak op de peildatum wordt gebruikt als hiervoor bedoeld in 4.2.2, geldt als maatstaf of sprake is van duurzaam gebruik. Dit brengt mee dat op de peildatum duurzaam gebruik redelijkerwijs te verwachten moet zijn. De omstandigheid dat het gebruik op de peildatum tijdelijk is onderbroken staat daarom niet eraan in de weg dat die zaak op dat moment wordt gebruikt in de zin van artikel 220, letter a, van de Gemeentewet [voetnoot: Vgl. HR 29 april 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9568]. Zoals weergegeven in onderdeel 5.18 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal, is voor het vaststellen van gebruik op de peildatum dan ook niet noodzakelijk dat op die datum gebruikshandelingen plaatsvinden. Ook de omstandigheid dat de onroerende zaak door degene die haar ter beschikking heeft naar verwachting niet het gehele jaar zal worden gebruikt, staat niet in de weg aan de vaststelling van duurzaam gebruik op de peildatum. Dit geldt eveneens in geval van een tijdelijk verbod om de onroerende zaak te gebruiken.

Het oordeel van de rechtbank

8. De rechtbank zal, gelet op wat de Hoge Raad op 18 oktober 2024 heeft overwogen (zie punt 7), toetsen of op 1 januari 2022 en 1 januari 2023 duurzaam gebruik van het pand door belanghebbende redelijkerwijs te verwachten was. Daarbij duidt het begrip ‘redelijkerwijs’ erop dat het niet gaat om de subjectieve verwachting die belanghebbende feitelijk had, maar om wat zij objectief gezien moest of kon verwachten, gegeven de omstandigheden waarin zij zich bevond.

Belastingjaar 2022 (LEE 25/1474)

9. Tussen partijen staat vast dat de hekken in ieder geval niet vóór mei 2022 rond het pand zijn geplaatst (zie punt 3.2). Daarmee staat vast dat de hekken op 1 januari 2022 nog niet waren geplaatst. Belanghebbende had toen dus nog toegang tot het pand en had toen ook geen reden om te verwachten dat haar die toegang zou worden ontzegd. Bovendien heeft belanghebbende zelf aangevoerd dat zij in 2022 nog werkzaamheden in het pand heeft laten verrichten (zie punt 3.3). Naar het oordeel van de rechtbank was daarom op 1 januari 2022 duurzaam gebruik van het pand door belanghebbende zoals gedefinieerd in de uitspraak van de Hoge Raad van 18 oktober 2024 (zie punt 7) redelijkerwijs te verwachten. De gebruikersaanslag onroerendezaakbelasting niet-woning over het belastingjaar 2022 is daarom terecht opgelegd.

Belastingjaar 2023 (LEE 25/1473)

10. De rechtbank overweegt dat uit de stukken van het dossier volgt dat op 1 januari 2023 hekken om het pand waren geplaatst (zie punt 3.2). De rechtbank overweegt verder dat belanghebbende heeft aangevoerd dat de gemeente Veendam haar met het plaatsen van die hekken de toegang tot het pand heeft ontzegd, dat zij veelvuldig contact heeft gezocht met de gemeente om weer toegang tot het pand te krijgen, dat dit contact uiterst moeizaam en afwijzend (zie punt 3.3) verliep en dat zij pas op 20 juli 2023 toestemming heeft gekregen van de gemeente om het pand te betreden om het op te kunnen knappen. De heffingsambtenaar heeft hiertegenover gesteld dat jegens belanghebbende steeds is benadrukt dat de hekken de werkzaamheden die zij wilde uitvoeren niet in de weg zouden zitten en dat haar ook niet de toegang tot het pand werd ontzegd. Om het pand te betreden, had belanghebbende zich alleen maar hoeven melden bij de toezichthouder op het pand, aldus de heffingsambtenaar.

11. Gebruik van het pand is een voorwaarde voor het doen ontstaan van belastingplicht als bedoeld in punt 6. Daarom brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat, bij geschil over de vraag of van gebruik sprake is, de heffingsambtenaar de feiten moet stellen die het oordeel rechtvaardigen dat belanghebbende het gebruik van het pand had. Voor zover belanghebbende die feiten gemotiveerd betwist, moet de heffingsambtenaar ze bewijzen.

12. De heffingsambtenaar heeft wel gesteld dat belanghebbende ondanks de plaatsing van de hekken toegang tot het pand bleef behouden en haar werkzaamheden kon (blijven) uitvoeren, maar hij heeft dit tegenover gemotiveerde betwisting door belanghebbende niet met bewijsmiddelen aannemelijk gemaakt. De rechtbank kan geenszins vaststellen dat het op 1 januari 2023 redelijkerwijs duidelijk was wanneer de situatie rondom het pand weer zodanig zou zijn dat belanghebbende het duurzaam kon gaan gebruiken. Bij dit gebrek aan duidelijkheid kan ook niet worden geoordeeld dat op 1 januari 2023 sprake was van slechts een tijdelijk verbod het pand te gebruiken. De stelling van de heffingsambtenaar dat belanghebbende in een andere (niet-belasting)zaak heeft aangegeven zonder melding het pand binnen te zijn gegaan en zich te hebben verstopt wanneer er controle was van politie of boa’s, zonder dat de heffingsambtenaar heeft toegelicht of dit vóór of na de peildatum 1 januari 2023 is gebeurd, maakt ook niet dat belanghebbende op die datum redelijkerwijs uitzicht had op duurzaam gebruik. Ook dat belanghebbende nog geen concrete plannen tot renovatie en opknappen van het pand bij de gemeente had ingediend, maar dat die bedoeling er wel lag, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Het hebben van een bedoeling, zonder dat daaraan (bij gebrek aan enige indicatie) een tijdpad voor 2023 kon worden gekoppeld, kan niet worden aangemerkt als ‘gebruik ter bevrediging van eigen behoeften’ zoals de heffingsambtenaar beargumenteert.

13. De gebruikersaanslag onroerendezaakbelasting niet-woning over het belastingjaar 2023 is daarom ten onrechte opgelegd.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep over belastingjaar 2022 is ongegrond en de uitspraak op bezwaar voor dat jaar blijft in stand. Het beroep over belastingjaar 2023 is gegrond en de rechtbank zal de uitspraak op bezwaar en de aanslag voor dat jaar vernietigen.

15. Omdat de rechtbank het beroep over belastingjaar 2023 gegrond zal verklaren, zal zij bepalen dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende in de zaak LEE 25/1473 betaalde griffierecht vergoedt.

16. De rechtbank zal de heffingsambtenaar veroordelen in de proceskosten die belanghebbende in de zaak LEE 25/1473 heeft gemaakt. Omdat belanghebbende in de bezwaarfase niet om een vergoeding van proceskosten heeft verzocht, zullen deze proceskosten zich beperken tot de kosten van de beroepsfase. Deze stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met toepassing van een vermenigvuldigingsfactor 0,25). De rechtbank past een vermenigvuldigingsfactor 0,25 toe omdat het beroep een besluit betreft als bedoeld in artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ en omdat belanghebbende niet heeft gesteld dat haar geval bijzonder is als bedoeld in de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep over belastingjaar 2022 (zaaknummer LEE 25/1474) ongegrond;

- verklaart het beroep over belastingjaar 2023 (zaaknummer LEE 25/1473) gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar die ziet op belastingjaar 2023;

- vernietigt de gebruikersaanslag onroerendezaakbelasting niet-woning 2023;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50;

- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385 in de zaak LEE 25/1473 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.T.M. Hennevelt, rechter, in aanwezigheid van D.A. van der Beek, griffier.

griffier rechter

Uitgesproken in het openbaar op: 18 augustus 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand