ECLI:NL:RBNNE:2026:3473

ECLI:NL:RBNNE:2026:3473

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 13-08-2026
Datum publicatie 17-08-2026
Zaaknummer LEE 24/3714
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Watertoeristenbelasting. Eiseres exploiteert een jachthaven. Tussen partijen is in geschil of eiseres watertoeristenbelasting verschuldigd is ten aanzien van het gebruik van een passantenkade en verhuren van vaste ligplaatsen. De rechtbank is van oordeel dat eiseres aan de huurders van vaste ligplaatsen in haar jachthaven gelegenheid biedt tot “het houden van verblijf tegen vergoeding” zoals bedoeld in artikel 2 van de Verordening. Geen schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Beroep ongegrond

Uitspraak

[eiseres] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam 1] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Súdwest-Fryslân.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 26 juli 2024.

De heffingsambtenaar heeft aan eiseres voor het jaar 2023 een aanslag watertoeristenbelasting (aanslag) opgelegd ten bedrage van € 8.279,31.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres deels gegrond verklaard en de aanslag verminderd met € 393,75, naar een bedrag van € 7.885,56.

De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, bijgestaan door [naam 2] , en de (waarnemend) heffingsambtenaar.

Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk 18 augustus 2026 uitspraak te doen.

Feiten

2. Eiseres exploiteert een jachthaven. Zij brengt een vergoeding in rekening voor het gebruik van een passantenkade en verhuurt vaste ligplaatsen.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 29 maart 2024 de aanslag van € 8.279,31 aan eiseres opgelegd. De aanslag bedraagt € 2.015,56 aan watertoeristenbelasting voor het aantal bijgehouden werkelijke verblijven per vaartuig, per etmaal, per persoon. De aanslag bedraagt € 6.263,75 aan watertoeristenbelasting voor het aantal forfaitair vastgestelde etmalen van verblijf, en personen dat verblijf houdt, op vaartuigen gelegen op vaste ligplaatsen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag watertoeristenbelasting niet naar een te hoog bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

4. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag watertoeristenbelasting niet naar een te hoog bedrag is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Juridisch kader

5. Artikel 224 van de Gemeentewet luidt als volgt:

“1. Ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, kan een toeristenbelasting worden geheven.

2. Voor zover de belasting wordt geheven van degene die gelegenheid tot verblijf biedt, is deze bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt.”

6. Op 21 november 2019 heeft de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân de Verordening op de heffing en invordering van watertoeristenbelasting 2020 vastgesteld (Verordening). De verordening is op 23 december 2019 gepubliceerd en bevat onder meer de volgende artikelen:

“Artikel 1 Definities

Deze verordening verstaat onder:

[..]

b. etmaal: een aaneengesloten tijdvak van 24 uren;

[..]

g. passanten: diegenen die verblijf houden in de gemeente, met of op een vaartuig, zonder het hebben van een vaste ligplaats;

h. vaartuig: een vaartuig, niet zijnde een woonark, dat is bestemd of wordt gebezigd voor vakantie of andere recreatieve doeleinden;

i. vaste ligplaats: een ligplaats die naar plaatselijk gebruik is bestemd voor het regelmatig afmeren of ter anker leggen van een zelfde vaartuig gedurende een periode van ten minste een maand;

[..]

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam ‘watertoeristenbelasting’ wordt een directe belasting geheven voor het houden van verblijf op woonarken of op vaartuigen binnen het watergebied van de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook, door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven.

Artikel 3 Belastingplicht

1. Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2 door het ter beschikking stellen van ligplaatsen of vaartuigen.

2. De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene die verblijf houdt als bedoeld in artikel 2.

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief

1. De belasting wordt geheven naar het aantal etmalen, dat verblijf is gehouden.

2. Voor de toepassing van dit artikel wordt een gedeelte van een etmaal voor een vol etmaal gerekend.

Artikel 6 Forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing

1. Voor vaartuigen met een vaste ligplaats wordt per ligplaats

a. het aantal personen, dat verblijf heeft gehouden, bepaald op 2,3.

b. het aantal etmalen, dat door de onder a bedoelde personen verblijf is gehouden,

bepaald op 17,1.

Artikel 7 Opteren voor niet forfaitaire maatstaf van heffing

In afwijking van het bepaalde in artikel 6 wordt op een door de belastingplichtige bij de aangifte gedane opgaaf de maatstaf van heffing vastgesteld op het werkelijke aantal etmalen dat verblijf is gehouden.

Artikel 8 Belastingtarief

Het tarief bedraagt € 1,25 per persoon, per etmaal.”

Beoordeling rechtbank

7. Tussen partijen is in geschil of eiseres watertoeristenbelasting verschuldigd is ten aanzien van het gebruik van een passantenkade en verhuren van vaste ligplaatsen.

Is er sprake van een vergoeding voor het houden van verblijf?

8. Eiseres stelt dat zij geen watertoeristenbelasting verschuldigd is ten aanzien van de verhuur van vaste ligplaatsen in haar jachthaven. Eiseres heeft deze vaste ligplekken onderverdeeld in/gedefinieerd als ligplekken in een schiphuis, open ligplekken of winterstallingsplekken. Eiseres meent dat de veelal (zeer) korte of aanwezigheid van een huurder van een vaste ligplek, bijvoorbeeld het enkel op- en afstappen op een vaartuig, niet valt onder de definitie van “houden van verblijf” in de zin van artikel 2 (belastbaar feit) van de Verordening. Bovendien wordt er volgens eiseres geen vergoeding betaald voor het houden van verblijf in de zin van artikel 2 van de Verordening. Daarmee is er volgens eiseres ten aanzien van de verhuur van vaste ligplaatsen in haar jachthaven geen sprake van een belastbaar feit voor de heffing van de watertoeristenbelasting. De heffingsambtenaar heeft de stellingen van eiseres gemotiveerd weersproken.

9. De rechtbank is van oordeel dat eiser aan de huurders van vaste ligplaatsen in haar jachthaven gelegenheid biedt tot “het houden van verblijf tegen vergoeding” zoals bedoeld in artikel 2 van de Verordening. Het gevolg is dat er ten aanzien van de verhuur van vaste ligplekken door eiseres sprake is van een belastbaar feit voor de heffing van de watertoeristenbelasting. De rechtbank overweegt dat niet uit de tekst van de wet en ook niet met nauwkeurigheid uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wet kan worden afgeleid wat onder “verblijf houden” moet worden verstaan. Maar uit het arrest van de Hoge Raad van 21 juli 1987 volgt dat het gebruik dat vaste ligplaatshouders van hun vaartuig doorgaans maken, aangemerkt moet worden als het houden van verblijf. De reis naar het eigen vaartuig gelegen op een vaste ligplek in de jachthaven en het daarmee gepaard gaande (ook korte) verblijf op het vaartuig in de jachthaven, heeft - zoals ook is betoogd door de advocaat-generaal in zijn conclusie bij dit arrest - een voldoende eigen zelfstandige betekenis/doel in zichzelf om te spreken van het houden van verblijf in de zin van artikel 224 Gemeentewet. Een huurder van een vaste ligplaats kan namelijk beslissen kort of lang op het vaartuig aanwezig te zijn, door bijvoorbeeld van het vaartuig op- en af te stappen, het vaartuig schoon te maken of reparaties te verrichten, en/of één of meerdere nachten te blijven. Dat het einddoel van de huurders van vaste ligplaatsen in het algemeen het varen is, doet daar niet aan af. Eiseres heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit in het onderhavige geval iets anders volgt.

10. Anders dan eiseres stelt, is het ook niet van belang of huurders van vaste ligplaatsen gedurende een specifieke periode, bijvoorbeeld de winter, hun vaartuig niet bezoeken in de jachthaven van eiseres. Eiseres hanteert de forfaitaire maatstaf van heffing bij de berekening van de watertoeristenbelasting voor vaartuigen met een vaste ligplaats op grond van artikel 5 en 6 van de Verordening. Eiseres heeft er dus zelf voor gekozen om de watertoeristenbelasting niet te berekenen naar het aantal daadwerkelijk aantal etmalen en daadwerkelijk aantal aanwezige personen dat verblijf heeft gehouden op een vaartuig gelegen in de gehuurde vaste ligplaatsen. De door de gemeenteraad gehanteerde forfaitaire maatstaf van heffing voor de berekening van watertoeristenbelasting, die is losgekoppeld van het daadwerkelijk houden van verblijf van individuele huurders, is bovendien ook toegestaan. De stelling van eiseres dat zij ten aanzien van huurders van vaste ligplaatsen - los van de verhuur van een vaste ligplaats - ook nog watertoeristenbelasting aangeeft voor een specifiek etmaal van verblijf, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft deze stelling namelijk niet nader gemotiveerd of onderbouwd.

11. De rechtbank volgt de stelling van eiseres niet dat er door de huurders van vaste ligplaatsen geen vergoeding wordt betaald voor het houden van verblijf, omdat er slechts huur wordt betaald voor de stalling van de vaartuigen. Eiseres biedt aan deze huurders, na betaling van een vergoeding in de vorm van huur, tenslotte de mogelijkheid om verblijf te houden op de vaartuigen, zoals de rechtbank hierboven onder 9 overweegt.

Is er sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

12. Volgens eiseres mag de gemeente niet twee keer watertoeristenbelasting heffen ten aanzien van hetzelfde belastbare feit op grond van een beginsel van algemeen behoorlijk bestuur (eiser noemt het “ne bis in idem” beginsel). Volgens eiseres kan hier sprake van zijn als eerst watertoeristenbelasting wordt betaald voor het opstappen op een vaartuig in de jachthaven van eiseres en vervolgens binnen hetzelfde etmaal opnieuw watertoeristenbelasting wordt betaald, wanneer er naar andere jachthaven wordt gevaren.

13. De rechtbank begrijpt de stelling van eiseres in het kader van dubbele heffing aldus dat zij stelt dat de heffingsambtenaar handelt in strijd met één van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, erop gelet dat het door eiseres genoemde “ne bis in idem-beginsel enkel de bescherming biedt dat een overtreder geen bestuurlijke boete wordt opgelegd als hem wegens dezelfde overtreding al een bestuurlijke boete is opgelegd. Eiseres heeft geen gemotiveerd standpunt ingenomen ten aanzien van daadwerkelijk dubbel geheven watertoeristenbelasting voor hetzelfde belastbare feit. Het voorgaande betekent dat deze grond niet kan leiden tot vermindering van de aanslag.

14. Volgens eiseres handelt de heffingsambtenaar daarnaast in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Dat doet de heffingsambtenaar volgens eiseres door bedrijven die vaartuigen verhuren (verhuurbedrijven) op basis van beleid niet als belastingplichtig aan te merken voor de watertoeristenbelasting. Ook handelt de heffingsambtenaar volgens eiseres in strijd met het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van vaartuigen in een winterstallingsplaats gelegen in het water, nu voor vaartuigen die op de wal worden gestald geen watertoeristenbelasting wordt geheven. De heffingsambtenaar heeft de stellingen van eiseres gemotiveerd weersproken.

15. De rechtbank overweegt dat de verhuur van een vaartuig door verhuurbedrijven niet gelijk te stellen is met de verhuur van een ligplaats, zoals in het geval van eiseres, waardoor er geen sprake is van een gelijk geval. Op basis van artikel 3, eerste lid, van de Verordening heeft de heffingsambtenaar namelijk een keuzemogelijk om watertoeristenbelasting te heffen ten aanzien van het ter beschikking stellen van een ligplaats, of (en dus als alternatief) het ter beschikking stellen van een vaartuig. De rechtbank vindt steun in de stelling van de heffingsambtenaar dat bij verhuur/het ter beschikking stellen van vaartuigen door verhuurders dan ook binnen de Gemeente Súdwest-Fryslân geen watertoeristenbelasting geheven, omdat in die gevallen de verhuurders van dergelijke vaartuigen watertoeristenbelasting betalen voor een ligplaats in de haven waar ze naar toe varen.

16. Een vaartuig aan wal is evenmin vergelijkbaar met vaartuigen gelegen in een winterstallingsplaats. Ten aanzien van de vaartuigen aan wal kan gewoonweg geen watertoeristenbelasting worden geheven. Heffing van watertoeristenbelasting is op grond van artikel 2 van de Verordening namelijk alleen mogelijk ten aanzien van vaartuigen die zich binnen het watergebied van de gemeente bevinden, wat niet het geval is bij een vaartuig aan wal. Het voorgaande betekent dat deze grond evenmin kan leiden tot vermindering van de aanslag.

17. Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag watertoeristenbelasting niet naar een te hoog bedrag is opgelegd. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.A.M. Geersheuvels, rechter, in aanwezigheid van R.H. Wolfslag, griffier.

Uitgesproken op 13 augustus 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/1761 V-N Vandaag 2026/1788
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand