ECLI:NL:RBNNE:2026:3479

ECLI:NL:RBNNE:2026:3479

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 13-08-2026
Datum publicatie 18-08-2026
Zaaknummer LEE 25/599
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Is het gelijkheidsbeginsel geschonden als voor een overnachting op een camping wel en op een camperplaats geen toeristenbelasting (artikel 224 Gemeentewet) wordt geheven?

Uitspraak

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Smallingerland, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 27 december 2024.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag toeristenbelasting opgelegd over het jaar 2023 ten bedrage van € 1.275 (de aanslag).

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.

De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de heffingsambtenaar zijn verschenen: [naam 1] en [naam 2] .

Feiten

2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Belanghebbende exploiteert een camping in [woonplaats] vlakbij Drachten, waar tegen vergoeding kan worden overnacht.

De gemeente Smallingerland heeft in het centrum van Drachten een plaats aangewezen waar campers, zonder vergoeding, mogen staan (de gemeentelijke camperplaats) en camperaars de nacht mogen doorbrengen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de juistheid van de aanslag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgrond van belanghebbende die er - kort gezegd - op neerkomt dat de heffingsambtenaar het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door inzake de overnachtingen op de camping van belanghebbende wel toeristenbelasting te heffen, terwijl hij dat inzake de overnachtingen op de gemeentelijke camperplaats niet doet.

4. De rechtbank overweegt dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat afgezien van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel de heffingsambtenaar hem de aanslag terecht heeft opgelegd. Ter zitting hebben partijen verder uitdrukkelijk en ondubbelzinnig met elkaar afgesproken dat voor het geval de rechtbank oordeelt dat de aanslag in stand moet blijven, zij geen oordeel hoeft te geven over de hoogte van de aanslag. De heffingsambtenaar heeft toegezegd dat hij, ook nog na de uitspraak van de rechtbank, bereid is aan de hand van de boekhouding van belanghebbende of andere bewijsstukken het aantal te belasten overnachtingen en daarmee de hoogte van de aanslag te heroverwegen.

5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt en dat belanghebbende over 2023 toeristenbelasting is verschuldigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

De relevante wet- en regelgeving

6. De gemeentelijke wetgever heeft op grond van artikel 224, eerste lid, van de Gemeentewet de Verordening toeristenbelasting Smallingerland 2023 (de Verordening) vastgesteld.

7. De Verordening luidt voor zover van belang:

“Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam toeristenbelasting wordt een directe belasting geheven voor het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven.

8. Met artikel 2 van de Verordening is aangesloten bij artikel 1 van de modelverordening toeristenbelasting van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). De rechtbank acht de toelichting op die modelverordening daarom van grote betekenis bij de uitleg en toepassing van artikel 2 van de Verordening. Die modelverordening is als volgt toegelicht:

Hoewel de Gemeentewet daartoe niet verplicht, beperkt de verordening het belastbaar feit tot een verblijf met betaalde overnachting. Deze beperking is aangebracht uit een oogpunt van uitvoerbaarheid. Zonder deze nadere beperking zou bijvoorbeeld ook de logeerpartij bij familie tot belastingheffing moeten leiden. Dit is in de praktijk niet te controleren en te handhaven.

Met de keuze voor overnachtingen tegen een vergoeding in welke vorm ook, sluit de verordening aan bij een in de praktijk bestaand afrekenmoment. Degene die gelegenheid biedt tot overnachting zal immers ervoor zorgdragen dat hij de afgesproken vergoeding ontvangt. Daarnaast zal de ontvangen vergoeding in de (financiële) administratie worden verantwoord. De heffing van de toeristenbelasting sluit daarmee aan bij een al bestaande wettelijke plicht tot het voeren van een administratie. Dit maakt de controle en handhaving uitvoerbaar.

Toetsing aan het gelijkheidsbeginsel

9. De gemeentelijke wetgever heeft ervoor gekozen de heffing van toeristenbelasting in de Verordening te beperken tot overnachtingen die tegen vergoeding plaatsvinden. De rechtbank kan deze keuze toetsen aan het gelijkheidsbeginsel. Dat beginsel vereist dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld, tenzij er objectieve en redelijke gronden zijn om van deze gelijke behandeling af te wijken.

10. Van gelijke gevallen is hier naar het oordeel van de rechtbank wel sprake. De toeristenbelasting is namelijk bedoeld als tegemoetkoming in de kosten die een gemeente in het belang van het toerisme maakt. Vanuit dat perspectief is er geen relevant verschil tussen betaald overnachten op de camping van belanghebbende en gratis overnachten op de gemeentelijke camperplaats. Deze gelijke gevallen worden bovendien ongelijk behandeld omdat volgens de Verordening de heffing is beperkt tot de overnachtingen tegen een vergoeding.

11. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of er objectieve en redelijke gronden zijn om die gelijke gevallen voor de toeristenbelasting ongelijk te behandelen. De rechtbank merkt daarbij op dat dit een andere vraag is dan de vraag of het uit het oogpunt van concurrentie onrechtmatig is dat de gemeente Smallingerland voor de overnachting op de gemeentelijke camperplaats geen vergoeding vraagt. De beantwoording van die vraag ligt buiten de bevoegdheid van de belastingrechter en het gratis verblijven op de gemeentelijke camperplaats is voor de beoordeling van dit geschil een feit.

12. De rechtbank is van oordeel dat aan de keuze om uitsluitend toeristenbelasting te heffen voor overnachten tegen een vergoeding, onmiskenbaar (kosten)voordelen zijn verbonden met betrekking tot de uitvoerbaarheid en de controleerbaarheid van de heffing. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking hetgeen de VNG ter toelichting bij haar modelverordening, die gemeente Smallingerland op dit punt heeft overgenomen, heeft geschreven. Deze voordelen vormen, naar het oordeel van de rechtbank, een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling die de rechtbank hiervoor heeft geconstateerd. De stelling van belanghebbende dat het uitvoeringstechnisch best mogelijk is om ook op een gratis camperplaats toeristenbelasting te heffen, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank acht het namelijk redelijk dat alleen toeristenbelasting wordt geheven als kan worden aangesloten bij overnachtingen door personen waarvoor een vergoeding wordt gerekend en waarvan doorgaans een administratie zal moeten worden bijgehouden.

13. Het voorgaande betekent dat het gelijkheidsbeginsel met de beperking van de heffing van toeristenbelasting tot de overnachtingen tegen vergoeding, niet is geschonden.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende over 2023 toeristenbelasting is verschuldigd. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.T.M. Hennevelt, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J. Haanstra, griffier.

Uitgesproken op 13 augustus 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026082804 NLF 2026/1765
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand