ECLI:NL:RBNNE:2026:3496

ECLI:NL:RBNNE:2026:3496

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 04-09-2026
Datum publicatie 18-08-2026
Zaaknummer LEE 26/1010
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Bezwaar tegen vergunning winkelruimten in Lemmer niet ontvankelijk verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het te laat indienen van het bezwaar niet verschoonbaar is en het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen

FNS Vastgoed1 B.V., uit Leeuwarden, eiseres

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Fryske Marren.

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/1010

(gemachtigde: mr. W. Sleijfer),

en

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Aldi Groningen B.V. uit Groningen (vergunninghouder)

(gemachtigde: mr. L.J. Gerritsen).

Inleiding en procesverloop

1. Het college heeft op 17 juni 2025 een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder voor het bouwen van twee winkelruimten aan de Sluisweg 3 in Lemmer. Het college heeft op 25 juni 2025 kennis gegeven van het besluit door een publicatie in het Gemeenteblad. Eiseres heeft op 4 augustus 2025 bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Het college heeft het bezwaar van eiseres op 12 februari 2026 niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar is volgens het college te laat ingediend en er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dat besluit van 12 februari 2026.

Alle partijen hebben gevraagd om de zaak zonder zitting af te doen. Omdat de rechtbank over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen heeft de rechtbank bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en is het onderzoek gesloten. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

2. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Omdat de omgevingsvergunning is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure, geschiedt de bekendmaking door toezending of uitreiking aan de vergunninghouder.Dat betekent dat de bezwaartermijn in dit geval begint op de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden aan de vergunninghouder.

Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.

Is het te laat indienen verschoonbaar?

3. De rechtbank stelt vast dat het college het besluit waartegen bezwaar is gemaakt bekend heeft gemaakt op 17 juni 2025 door verzending per post aan de vergunninghouder. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde daardoor op 29 juli 2025. Het college heeft het bezwaarschrift op 4 augustus 2025 ontvangen. Het bezwaarschrift is dus te laat ingediend.

4. Eiseres voert aan dat in de kennisgeving van 25 juni 2025 uitsluitend de datum van vergunningverlening vermeld wordt en niet de datum waarop het besluit aan de aanvrager is toegezonden. Hierdoor is eiseres in onzekerheid gebracht over de aanvang van de bezwaartermijn, temeer omdat de publicatie acht dagen na verlening van de vergunning plaats vond. Volgens eiseres mag de onduidelijkheid in de kennisgeving niet aan haar worden tegengeworpen en staat de ondeugdelijkheid van de kennisgeving aan een niet-ontvankelijkverklaring in de weg.

5. De rechtbank is van oordeel dat het te laat indienen van het bezwaar niet verschoonbaar is en het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De rechtbank stelt vast dat in de kennisgeving van 25 juni 2025 niet is vermeld op welke datum het besluit is bekendgemaakt aan vergunninghouder. In zoverre is de kennisgeving onvolledig. In de kennisgeving is wel vermeld dat de vergunning is verleend op 17 juni 2025. Die datum is gelijk aan de datum van toezending, en dus de bekendmaking, van de vergunning aan vergunninghouder. Verder wordt in de kennisgeving vermeld dat het bezwaar moet zijn ontvangen “binnen zes weken na het verlenen van de vergunning”. Dat bekent dat volgens de kennisgeving de bezwaartermijn zou eindigen op 29 juli 2025. Die termijn komt overeen met de juiste bezwaartermijn. Dat betekent dat als eiseres overeenkomstig de in de kennisgeving genoemde termijn bezwaar had gemaakt, het bezwaar tijdig zou zijn ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres zich onder deze omstandigheden niet beroepen op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Bij die beoordeling betrekt de rechtbank ook dat eiseres tijdens de bezwaarfase werd bijgestaan door een professionele gemachtigde. Van een professionele gemachtigde mag worden verwacht dat hij bekend is met de regelgeving omtrent het indienen van bezwaarschriften. Het had bovendien op de weg van eiseres of haar gemachtigde gelegen om bij onduidelijkheid over de verzenddatum contact op te nemen met het college.

Conclusie en gevolgen

6. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Steenbergen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand