ECLI:NL:RBNNE:2026:3514

ECLI:NL:RBNNE:2026:3514

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 19-08-2026
Datum publicatie 19-08-2026
Zaaknummer C/18/259032 KG ZA 26-346
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Verzoek tot opheffing conservatoire beslagen in kort geding, art. 7045 Rv. Afwijzing. Beroep op standstillovereenkomst slaagt niet. Geen schending art. 21 Rv. De grondslag van de beslagen (OD) os onvoldoende bestreden.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Groningen

Zaaknummer: C/18/259032 / KG ZA 26-346

Vonnis in kort geding van 19 augustus 2026

in de zaak van

1. [eiser sub 1] ,

te [plaats] ,2. [eiser sub 2] B.V.,

te [plaats] ,3. [eiser sub 3] B.V.,

te [plaats] ,4. [eiser sub 4] B.V.,

te [plaats] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eisers] ,

advocaat: mr. P.A.Th. Kostwinder,

tegen

1. 3BG COOLING B.V.,

te Oosterwolde,2. KG NEDERLAND B.V., H.O.D.N. COOLING SERVICE HOLLAND,

te Oosterwolde,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: 3BG en CSH,

advocaat: mr. Z. Jurdik-Kliment.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met (deels nagezonden) producties;- de conclusie van antwoord met (deels nagezonden) producties;

- de mondelinge behandeling van 4 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de pleitnota van mr. Kostwinder;- de pleitnota van mr. Jurdik-Kliment.

2. De feiten

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] B.V. zijn (in)direct bestuurders van de werkvennootschappen [eiser sub 4] B.V. (hierna: [eiser sub 4] ) en [eiser sub 3] B.V.

In een geschil tussen enerzijds 3BG, CSH en [bedrijf 2] B.V. en anderzijds [eiser sub 4] is bij vonnis van 18 december 2024 uitspraak gedaan door de Rechtbank Noord-Nederland, waarin [eiser sub 4] is veroordeeld tot (onder meer) betaling aan 3BG van € 834.154,92 in verband met – kort gezegd – een overeenkomst van winstdeling. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tot op heden weigert [eiser sub 4] om volledig aan het vonnis te voldoen en de executie van het vonnis heeft geen resultaat gehad, met uitzondering van een executoriaal derdenbeslag onder [bedrijf 1] N.V. (hierna: [bedrijf 1] ).

Tegen voornoemd vonnis heeft [eiser sub 4] hoger beroep ingesteld, waarvan de mondelinge behandeling zal plaatsvinden in december 2026.

[eiser sub 4] heeft inmiddels haar werkzaamheden gestaakt. [eiser sub 3] B.V. voert tegenwoordig de handelsnaam [eiser sub 4] .

CSH heeft op 26 februari 2026 een procedure aanhangig gemaakt tegen [eiser sub 4] , waarin zij een bedrag vordert van € 157.041,02 met betrekking tot kostprijsfacturen

Op 9 juni 2026 hebben 3BG en CSH aan de rechtbank Noord-Nederland verzocht om verlof te verlenen om ten laste van [eiser sub 1] , [eiser sub 2] B.V. en [eiser sub 3] B.V., conservatoir beslag te (doen) leggen. Daarbij hebben zij als grondslag aangevoerd dat sprake is van onrechtmatig handelen door de bestuurder(s) van [eiser sub 4] vanwege frustratie van verhaal. Verzocht is om conservatoir beslag te (mogen doen) leggen op de onroerende zaak die in eigendom is van [eiser sub 1] en op meerdere vorderingen die [eiser sub 1] , [eiser sub 2] B.V. en [eiser sub 3] B.V. hebben op andere vennootschappen, waaronder op [bedrijf 1] . Het verlof is diezelfde dag verleend, voor een bedrag van € 204.000,- voor de vordering van CSH en voor een bedrag van € 2.054.000,- voor de vordering van 3BG. Daarbij is bepaald dat de eis in de hoofdzaak ingesteld dient te worden binnen veertien dagen na beslaglegging.

Vervolgens zijn op 17 juni 2026 meerdere conservatoire beslagen gelegd.

3. Het geschil

[eisers] vordert, uitvoerbaar bij voorraad, primair de opheffing van alle uit hoofde van het beslagverlof van 9 juni 2026 gelegde conservatoire beslagen, subsidiair de opheffing van het conservatoire derdenbeslag onder [bedrijf 1] , met veroordeling in de daadwerkelijke proceskosten.

BG en CSH voeren verweer. 3BG en CSH concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser sub 4] , en tot afwijzing van de vorderingen van [eisers]

4. De beoordeling

Ontvankelijkheid [eiser sub 4]

BG en CSH voeren aan dat [eiser sub 4] geen belang heeft in deze procedure, omdat geen van de beslagen is gelegd ten laste van [eiser sub 4] en zij aldus niet wordt geraakt in haar rechtspositie of in haar bedrijfsvoering. [eisers] heeft aangevoerd dat [eiser sub 4] een zelfstandig en rechtstreeks belang bij opheffing van de beslagen heeft, nu deze (mede) haar rechtspositie en bedrijfsvoering raken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eisers] dit onvoldoende heeft toegelicht. Daarbij weegt tevens mee dat [eiser sub 4] haar activiteiten heeft gestaakt, zodat niet zonder meer duidelijk is hoe zij in haar bedrijfsvoering wordt geraakt. [eiser sub 4] zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

Spoedeisend belang

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eisers] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.

Het is de voorzieningenrechter voldoende gebleken dat [eisers] een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorziening, zodat zij in zoverre ontvankelijk is in haar vordering. Daarbij heeft te gelden dat een vordering tot opheffing van conservatoir beslag naar haar aard vrijwel altijd een spoedeisend karakter heeft.

Beoordelingskader

De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld (artikel 705 Rv). Het ligt op de weg van degene die opheffing van een conservatoir beslag vordert om aannemelijk te maken, met inachtneming van de beperkingen van het kort geding, dat de door de beslaglegger gestelde vordering ondeugdelijk is.

Bij de beoordeling of het beslag moet worden opgeheven dienen verder de wederzijdse belangen te worden afgewogen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.

Hierbij geldt dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

Standstillovereenkomst

[eisers] stelt dat de conservatoire beslagen opgeheven moeten worden door een beroep te doen op een in april 2026 gesloten standstillovereenkomst. Die overeenkomst houdt volgens [eisers] in dat [eiser sub 4] een bankgarantie zou afgeven in ruil waarvoor 3BG en CSH zouden afzien van het leggen van beslag. De onderhavige conservatoire beslagen zouden in strijd zijn met die overeenkomst. 3BG en CSH betwisten dat een standstillovereenkomst is gesloten en voeren tevens aan dat de reikwijdte van die overeenkomst zich niet uitstrekt tot de beslagen die in deze rechtszaak ter discussie staan.

In dit kort geding is voorshands voldoende vast komen te staan dat de partijen [eiser sub 4] enerzijds en anderzijds 3BG, CSH en [bedrijf 2] B.V. overeenstemming hebben bereikt over een door [eiser sub 4] te stellen bankgarantie in combinatie met een standstillovereenkomst. Dit blijkt uit het feit dat op 2 april 2026 van de zijde van [eiser sub 4] per e-mail een conceptovereenkomst betreffende de bankgarantie is verzonden aan de advocaat van de andere partijen. In dat concept stond reeds de passage: ‘’4. 3BG c.s. zullen geen andere (conservatoire of executoriale) beslagen verzoeken of instructies geven, noch andere executiemaatregelen treffen met betrekking tot het Vonnis, zolang de Procedure loopt.’’ Van de zijde van 3BG, CSH en [bedrijf 2] B.V. is daar op 7 april 2026 per e-mail als volgt op gereageerd: ‘’(…) Cliënte heeft een kleine opmerking bij de tekst: In plaats van “beslag is gelegd voor EUR ….,” zou moeten staan “beslag is gelegd op EUR….”. De overeenkomst ondertekend door uw cliënte en de bankgarantie met de aangepaste tekst zie ik graag tegemoet.’’ Daarmee staat voorshands voldoende vast dat 3BG, CSH en [bedrijf 2] B.V. zich niet hebben verzet tegen de standstillbepaling en door/namens hen een akkoord is gegeven op de bankgarantieovereenkomst inclusief de standstillbepaling.

Hoewel de standstillbepaling is overeengekomen in april 2026 en derhalve vóór het verleende beslagverlof van juni 2026, brengt de standstillbepaling niet mee dat de onderhavige beslagen opgeheven moet worden, gelet op het volgende. Gebleken is dat is gesproken over een standstillbepaling tussen 3BG, CSH, [bedrijf 2] B.V. en [eiser sub 4] , ter beslechting van het destijds tussen hen bestaande geschil over een executoriaal beslag onder [bedrijf 1] . Uit hoofde van het vonnis van deze rechtbank van 18 december 2024 was door 3BG, CSH en [bedrijf 2] B.V. executoriaal beslag gelegd op de vordering die [eiser sub 4] heeft/had op [bedrijf 1] . Volgens een door [bedrijf 1] afgelegde verklaring had dit beslag doel getroffen voor € 104.380,03. Volgens [eiser sub 4] was de vordering op [bedrijf 1] reeds voor de beslaglegging gecedeerd, hetgeen 3BG, CSH en [bedrijf 2] B.V. hebben bestreden onder meer met een beroep op Pauliana. De voorzieningenrechter stelt aldus voorshands vast dat met betrekking tot dát geschil tussen díe partijen een bankgarantieovereenkomst in combinatie met een standstillbepaling is gesloten, waarbij het vonnis van 18 december 2024 de grondslag van de executoriale beslagen is. De onderhavige conservatoire beslagen zijn gelegd na het verleende beslagverlof van 9 juni 2026 en hebben een andere grondslag, namelijk vermeend onrechtmatig handelen door de bestuurders van [eiser sub 4] vanwege frustratie van verhaal. Het geschil in onderhavig kort geding betreft tevens andere partijen, namelijk 3BG en CSH enerzijds en anderzijds [eiser sub 1] , [eiser sub 2] B.V. en [eiser sub 3] B.V. In het kader van dit kort geding hebben [eisers] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat 3BG en CSH zich met de standstillbepaling óók hebben verplicht tot het onthouden van beslagmaatregelen zoals de onderhavige. Aldus leidt het beroep op de standstillbepaling voorshands niet tot opheffing van het conservatoire beslag.

Artikel 21 Rv

[eisers] stelt daarnaast dat de conservatoire beslagen opgeheven moeten worden vanwege meerdere schendingen van artikel 21 Rv, omdat 3BG en CSH in het beslagrekest zouden hebben verzuimd om essentiële informatie ter kennis van de beslagrechter te brengen. Vaststaat dat 3BG en CSH geen informatie over de bankgarantie/standstillbepaling hebben aangeleverd in het beslagrekest, maar onder verwijzing naar hetgeen daarover hiervoor reeds is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit geen schending van artikel 21 Rv oplevert. Dat de memorie van grieven en de memorie van antwoord in het incident zijdens [eiser sub 4] niet zijn aangeleverd bij het beslagrekest, levert evenmin een schending van artikel 21 Rv op. Het is voldoende dat het beslagrekest melding maakt van het lopende hoger beroep. Het is niet vereist dat alle processtukken van het lopende hoger beroep samen met het beslagrekest in het geding worden gebracht, nu de inhoudelijke beoordeling aan het gerechtshof is voorbehouden. [eisers] klaagt verder dat het beslagrekest geen melding maakt van het inhoudelijke verweer van [eiser sub 4] op de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid, waaronder het verweer in de e-mail van 12 juni 2025. Echter, vanaf randnummer 6 van het beslagrekest wordt het verweer van [eiser sub 4] wel degelijk benoemd. Daarnaast klaagt [eisers] dat het beslagrekest niet vermeldt dat CSH geen vorderingsrecht heeft omdat CSH haar vordering op [eiser sub 4] had gecedeerd aan 3BG. 3BG en CSH hebben daartegen ingebracht dat slechts de vordering op [eiser sub 4] met betrekking tot de winstdeling zou zijn gecedeerd, maar niet de vordering met betrekking tot kostprijsfacturen. [eisers] heeft daarop niet meer gereageerd, zodat de voorzieningenrechter aan deze klacht voorbij gaat. Ook klaagt [eisers] dat nagelaten is om in het beslagrekest te vermelden dat 3BG geen geld heeft betaald aan CSH ter verkrijging van de vordering op [eiser sub 4] met betrekking tot de winstdeling. Volgens [eisers] is dit van belang omdat dit betekent dat 3BG vanwege het niet kunnen incasseren van de vordering dus geen schade lijdt. 3BG en CSH hebben daartegen ingebracht dat schade niet alleen geleden verlies omvat maar ook gederfde winst (artikel 6:96 BW), waardoor 3BG wel degelijk een economisch belang heeft bij de vordering op [eiser sub 4] . [eisers] heeft daarop niet meer gereageerd, zodat de voorzieningenrechter ook aan deze klacht voorbij gaat. Ook het feit dat niet vermeld zou zijn dat in januari 2024 een bedrag van € 100.000,00 aan CSH is overgemaakt, leidt evenmin tot een schending van artikel 21 Rv, nu 3BG en CSH hebben aangevoerd dat met die betaling rekening is gehouden bij de berekening van de hoogte van de vordering. De voorzieningenrechter concludeert voorshands dat er in het beslagrekest geen sprake is van een misleidende voorstelling van zaken en dat het beroep op artikel 21 Rv niet leidt tot opheffing van het conservatoire beslag.

De grondslag van het beslag (onrechtmatige daad)

[eisers] stelt verder dat summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door 3BG en CSH ingeroepen recht, omdat in het beslagrekest de grondslag van het conservatoire beslag onvoldoende door 3BG en CSH zou zijn onderbouwd en slechts berust op ‘roddel en achterklap’. Volgens [eisers] is niet aannemelijk dat mogelijk sprake is van onrechtmatig handelen door de bestuurder(s) van [eiser sub 4] . De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat deze stelling niet slaagt, gelet op het volgende.

De maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid volgt uit de jurisprudentie en vereist – kort gezegd – dat de bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarvan kan blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad sprake zijn als de bestuurders er ernstig rekening mee dienen te houden dat de vennootschap nog een aanzienlijk bedrag zou moeten betalen aan een schuldeiser, en desondanks instemmen met de overdracht van de activiteiten c.q. activa van de vennootschap aan een andere groepsvennootschap, zonder dat zij een voorziening op de balans opnemen voor de vordering van de schuldeiser, noch daarvoor anderszins geld reserveren, en de vennootschap op het moment van die overdracht nog voldoende middelen bezit om de vordering van de schuldeiser te voldoen doch daartoe na de overheveling van vermogensbestanddelen van de vennootschap niet meer in staat is, hetgeen voor de bestuurders tevoren duidelijk moet zijn geweest.

BG en CSH hebben naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in het beslagrekest en in het onderhavige kort geding voldoende onderbouwing gegeven aan het gestelde onrechtmatig handelen (verhaalsfrustratie), waaronder in randnummers 3.10 en 4.3 van het beslagrekest. Daarnaast hebben 3BG en CSH in de onderhavige procedure het volgende gesteld. [eiser sub 4] is bij vonnis van 18 december 2024 veroordeeld tot betaling van € 834.154,92 aan 3BG. Doordat [eiser sub 4] geen ondernemingsactiviteiten meer uitoefent is zij niet (meer) in staat om mettertijd aan een eventuele veroordeling in hoger beroep te voldoen, althans zij heeft niet ontkend dat zij de vorderingen niet meer kan voldoen. [eisers] hebben bij de doorgevoerde herstructurering op geen enkele manier rekening gehouden met de betalingsverplichtingen jegens 3BG en CSH. Daarvan valt [eisers] als (indirect) bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt te maken. [eiser sub 3] heeft aan de doorgevoerde herstructurering meegewerkt en heeft daarmee zelfstandig onrechtmatig gehandeld jegens 3BG en CSH.

[eisers] heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aangevoerd om voornoemde feiten te ontkrachten. Het beroep van [eisers] op ondernemingsvrijheid gaat niet (zonder meer) op. Uit de jaarrekening van 2024 van [eiser sub 4] blijkt dat het eigen vermogen van [eiser sub 4] op 31 december 2023 € 2.562.872,- bedroeg en dat dit is gedaald tot € -98.952,- op 31 december 2024. Dit is het gevolg van een dividenduitkering aan de aandeelhouders, zo heeft [eiser sub 1] ter zitting verklaard. Na de onverplichte dividenduitkering bleef de vordering van 3BG achter bij [eiser sub 4] en zij heeft niet ontkend dat zij de vorderingen thans niet meer kan voldoen. [eiser sub 4] heeft niet gesteld dat zij voor de reeds bij vonnis toegewezen vorderingen jegens 3BG en CSH, ook al betwist zij de vorderingen en heeft zij hoger beroep ingesteld, een voorziening op de balans heeft opgenomen. Ten gevolge van de herstructurering zijn er thans geen activiteiten meer in [eiser sub 4] en derhalve worden ook geen inkomsten meer gegenereerd. Weliswaar heeft een ondernemer de vrijheid om zijn onderneming te herstructureren, maar dat betekent niet dat geen rekening hoeft te worden gehouden met een (mogelijke) vordering van een crediteur, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde jurisprudentie. In tegendeel, een herstructurering op het moment dat ernstig rekening moet worden gehouden met het bestaan van een vordering, kan een factor zijn die kan duiden op het oogmerk tot verhaalsfrustratie. Ook de verklaring die [eisers] voor de herstructurering heeft gegeven, te weten dat een bestuurder ruimte behoort te hebben om een restitutierisico te beperken, roept eerder het beeld op dat wordt geprobeerd om verhaal te belemmeren dan wel onmogelijk te maken dan dat hierin een zakelijke reden voor de herstructurering kan worden ontwaard. En in zoverre biedt de door [eisers] genoemde mogelijkheid van een financiering vanuit (een van) de groepsvennootschappen onvoldoende zekerheid dat [eiser sub 4] daadwerkelijk verhaal zal bieden. Een verplichting tot het verstrekken van de benodigde middelen biedt dit immers niet.

[eisers] heeft aangevoerd dat er geen vrees voor verduistering bestaat, omdat binnen de groepsvennootschappen tezamen voldoende vermogen aanwezig is om de vordering van 3BG te voldoen. Echter, vrees voor verduistering is geen vereiste om conservatoir derdenbeslag te mogen leggen, zodat het eventuele ontbreken daarvan niet per definitie tot opheffing van de gelegde derdenbeslagen moet leiden. Maar ook voor wat betreft het gelegde beslag op de woning van [eiser sub 1] , ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om dit beslag op te heffen. [eiser sub 1] heeft immers ter zitting verklaard dat het binnen de groepsvennootschappen gebruikelijk is om vorderingen en schulden over en weer automatisch met elkaar te verrekenen (rekening-courant). En daarnaast is gebleken dat binnen de groep eenvoudig wordt geschoven met activa en activiteiten, waarmee het verhaal van vorderingen aldus kan worden belemmerd.

Aldus heeft [eisers] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aangevoerd om de grondslag van het conservatoire beslag (onrechtmatige daad) te bestrijden en leidt het op dit punt aangevoerde voorshands niet tot opheffing van het conservatoire beslag.

Overige stellingen en belangen

Verder heeft [eisers] aangevoerd dat ingeval er al onrechtmatig zou zijn gehandeld, dat er op dit moment nog geen schade is, zodat het beslag moet worden opgeheven. De voorzieningenrechter overweegt dat de schade ontstaat op het moment van het normschendend handelen en dat het beweerde onrechtmatig handelen, namelijk het weghalen van het eigen vermogen van [eiser sub 4] en het beëindigen van haar bedrijfsactiviteiten, reeds in het verleden heeft plaatsgevonden. Dat de omvang van de schade nog niet duidelijk is, staat er niet aan in de weg om reeds nu bewarende maatregelen te verzoeken. Een conservatoir beslag strekt immers naar zijn aard ertoe dat de mogelijkheid van verhaal wordt bewaard juist voor het geval een nog niet vaststaande vordering geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen. Dat voor een hoger bedrag aan beslagen is gelegd dan de waarde die alle vorderingen tezamen hebben, maakt het beslag niet meteen disproportioneel. 3BG en CSH hebben op dat punt immers aangevoerd dat de executiewaarde onzeker is en dat ook een eerder gelegd executoriaal beslag onder [bedrijf 1] (nog) niet tot daadwerkelijk verhaal heeft geleid vanwege de (door 3BG en CSH gewraakte) cessie van de beslagen vordering. [eisers] heeft voorts aangevoerd dat het beslag negatieve invloed heeft op de bedrijfsvoering en dat dit mogelijk tot faillissement(en) leidt, maar 3BG en CSH hebben daartegen ingebracht dat dit inherent is aan beslagmaatregelen. Verder heeft [eisers] gewezen op het restitutierisico, maar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er een zwaarder wegend belang om conservatoire maatregelen te handhaven mede gelet op het feit dat er eenvoudig wordt geschoven met activa en activiteiten binnen de groepsvennootschappen, waarbij onvoldoende gewaarborgd is dat met de belangen van crediteuren ernstig rekening wordt gehouden.

Conclusie

Alles afwegende is de conclusie in dit kort geding dat [eisers] onvoldoende naar voren heeft gebracht in het kader van artikel 705 Rv, zodat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door 3BG en CSH ingeroepen recht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van 3BG en CSH bij handhaving van het beslag zwaarder dient te wegen dan het belang van [eisers] bij opheffing van het beslag. De primaire vordering tot opheffing van de gelegde (derden)beslagen zal worden afgewezen. De subsidiaire vordering tot opheffing van de derdenbeslagen onder [bedrijf 1] zal ook worden afgewezen. Dit beslag onder de belangrijkste opdrachtgever heeft weliswaar mogelijk de grootste gevolgen voor de bedrijfsvoering, maar dat het voortbestaan van een of meer vennootschappen onmiddellijk wordt bedreigd is onvoldoende gemotiveerd door [eisers] gesteld. [eisers] heeft juist aangedragen dat binnen de groep voldoende middelen aanwezig zijn om mettertijd aan een eventuele veroordeling te voldoen. Zodat aangenomen moet worden dat [eisers] ook de mogelijkheid heeft om vervangende zekerheid aan te bieden wanneer de bedrijfsvoering daadwerkelijk wordt belemmerd vanwege het beslag onder [bedrijf 1] . Dat het aanbieden van vervangende zekerheid gepaard gaat met een zeker liquiditeitsbeslag is daarom onvoldoende reden om tot het voorlopig oordeel te komen dat om deze reden de gelegde beslagen onder [bedrijf 1] zouden moeten worden opgeheven.

Herbegroting

[eisers] vordert tevens herbegroting van het bedrag waarvoor het beslagverlof is verleend, omdat het hoger beroep tegen het vonnis van 18 december 2024 nog loopt en derhalve nog niet zeker is of de toegewezen vordering in hoger beroep standhoudt en of al dan niet sprake is van onrechtmatig handelen van [eisers] Volgens [eisers] hebben 3BG en CSH de hoogte van de vorderingen waarvoor beslagverlof is verleend onvoldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter zal niet tot herbegroting overgaan. De hoogte van de vorderingen waarvoor het beslagverlof is verleend is voldoende uiteengezet in het beslagrekest onder 2.3 e.v. en 9.1. e.v. waarbij ook wordt verwezen naar de bijgevoegde processtukken van het lopende hoger beroep. De hoogte van het beslagverlof sluit aan bij het bedrag dat in hoger beroep ter discussie staat. Het debat over de omvang van de vordering van 3BG en CSH is nog niet ten volle gevoerd. Hetgeen [eisers] aanvoert geeft onvoldoende aanleiding om dit bedrag te herbegroten op een lager bedrag.

[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van 3BG en CSH worden begroot op:

- griffierecht

735,00

- salaris advocaat

1.177,00

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.101,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

verklaart [eiser sub 4] B.V. niet-ontvankelijk;

wijst de vorderingen van [eisers] af;

veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.

c873

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand