RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer / rekestnummer: 11534163 \ ER VERZ 25-18
Beschikking van 24 juli 2026 op het verzet tegen de neerlegging rekening en verantwoording benevens een uitdelingslijst in de nalatenschap van
de heer mr. [erflater],
de uitdelingslijst is neergelegd bij de griffie op 16 december 2024 door:
mr. [vereffenaar],
in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de heer [erflater] ,
te Amsterdam,
hierna te noemen: de vereffenaar,
advocaat: mr. A.J.C.M. van Acht,
tegen de neerlegging rekening en verantwoording benevens een uitdelingslijst zijn in verzet gekomen:
1. [verweerder sub 1] ,
woonplaats kiezende te [woonplaats] .
hierna te noemen: [verweerder sub 1] ,
advocaat: mr. M.V. Vermeij,
en
2. [verweerder sub 2] ,
woonplaats kiezende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verweerder sub 2] ,
advocaat: mr. C. Vrieling.
1. De verdere procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van deze rechtbank van 15 december 2025;
- de notitie van de vereffenaar van 3 december 2025;
- de akte uitlaten beschikking van [verweerder sub 1] met producties 87 tot en met 91;
- de akte uitlaten na beschikking van [verweerder sub 2] met bijlage 12;
- de akte uitlaten na beschikking van de vereffenaar;
- de akte uitlaten over verdere voortgang tevens houdende nadere bijlage van de vereffenaar;
- de akte uitlaten over verdere voortgang van [verweerder sub 2] ;
- de akte uitlating voortzetting procedure van [verweerder sub 1] ;
- de indiening stukken door de vereffenaar op 7 april 2026:
- de concept geactualiseerde uitdelingslijst en boedelbeschrijving;
- de bijgewerkte grootboekadministratie;
- de notitie van de vereffenaar van 20 april 2026 inzake werkzaamheden t/m 31 maart 2026;
- de e-mail van de vereffenaar van 28 april 2025 met verzoek aanpassing tijdspad;
- de akte indiening definitieve uitdelingslijst en toelichting van de vereffenaar van 19 juni 2026 met bijlagen 1 tot en met 6;
- de e-mails van partijen aan de rechtbank na indiening van de uitdelingslijst:
- van [verweerder sub 1] op 24 juni 2026;
- van de vereffenaar op 25 juni 2026;
- van [verweerder sub 1] op 26 juni 2026;
- van [verweerder sub 2] op 29 juni 2026;
- van [verweerder sub 1] op 29 juni 2026.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De verdere beoordeling
Partijen zijn in de loop van deze verzetprocedure op diverse punten tot elkaar gekomen. Naar de rechtbank begrijpt houdt het volgende hen nog gescheiden:
de vraag of de vereffening al kan worden afgerond, zonder dat er duidelijkheid is over de gegrondheid van de schadeclaim van [verweerder sub 1] , althans duidelijkheid over de voldoening van deze claim bij een toewijzend arrest,
inhoudelijke op- en aanmerkingen van [verweerder sub 1] op de neergelegde uitdelingslijst.
Beëindiging van de vereffening
De rechtbank overweegt dat de verzetprocedure zich niet leent voor het beslissen over de omvang van de vorderingen van schuldeisers. De geëigende weg hiervoor is de procedure ex artikel 4:223 lid 2 BW. In het algemeen wordt in het geval zo’n procedure door een schuldeiser is geïnitieerd de uitkomst ervan afgewacht, voordat de vereffening wordt beëindigd en tot uitkering aan de schuldeisers wordt overgegaan. In dit geval is de rechtbank echter van oordeel dat afronding van de vereffening niet behoeft te wachten op de uitkomst van de procedure die [verweerder sub 1] tegen de nalatenschap aanhangig heeft gemaakt en die thans in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dient. De rechtbank zal hieronder uiteenzetten hoe zij tot dit oordeel komt.
De rechtbank stelt voorop hetgeen zij in haar tussenbeschikking van 15 december 2025 onder 6.3 heeft overwogen, alsmede hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:939) heeft beslist. In dit arrest heeft de Hoge Raad tot uiting gebracht dat met de verdere afwikkeling van de nalatenschap niet noodzakelijkerwijs behoeft te worden gewacht, totdat alle schuldeisers van de nalatenschap zijn voldaan, als maar met de belangen van deze schuldeisers voldoende rekening wordt gehouden.
De rechtbank betrekt bij de vorming van haar oordeel voorts de volgende omstandigheden:
het overgrote deel van de schulden van de nalatenschap bestaat uit de door erflater toegekende legaten aan zijn verwanten; verreweg het grootste deel van de nalatenschap van erflater is vergeven middels de legaten aan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] die tevens de enige erfgenamen van erflater zijn,
[verweerder sub 1] - één van beide erfgenamen - heeft een vordering ex artikel 4:223 lid 2 BW in rechte aanhangig gemaakt, waarbij hij zijn vordering op de nalatenschap heeft begroot heeft begroot op € 22.000.000; in het thans aanhangige hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zal beslist worden over de gegrondheid van deze vordering,
erflater is bijna zeven jaar geleden overleden en alle legatarissen, niet alleen [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] maar ook hun moeder en hun kinderen, wachten al geruime tijd op de uitkering van hun legaten.
alle erkende schuldeisers van de nalatenschap kunnen thans volledig voldaan worden,
de procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden kan nog geruime tijd in beslag nemen, ook al omdat [verweerder sub 1] verwijzing naar een schadestaatprocedure heeft gevorderd.
[verweerder sub 1] stelt zich op het standpunt dat, indien de erkende vorderingen van de nalatenschap thans uitgekeerd zouden worden, hij onvoldoende zekerheid heeft dat zijn (niet erkende) erkende vordering na toewijzing in rechte voldaan wordt. Hij merkt daarbij terecht op dat zijn vordering op grond van artikel 4:7 BW een hogere preferentie heeft dan die van de legatarissen.
Ter zitting van 21 november 2025 is dit laatste punt besproken, waarbij [verweerder sub 1] naar voren heeft gebracht dat zijn mogelijkheden tot verhaal beperkt worden door de bepaling van artikel 4:220 lid 3 BW. Volgens deze bepaling vervalt het recht van verhaal door een schuldeiser tegen een legataris (conform de eerste zin van dit wetsartikel) drie jaren na het verbindend worden van de uitdelingslijst, volgens welke de uitkering aan hem is geschied. Partijen hebben afgesproken met elkaar in overleg te treden om op basis van een voorstel van de vereffenaar tot een regeling te komen die [verweerder sub 1] voldoende zekerheid geeft dat zijn vordering op de nalatenschap voldaan kan worden in het geval van een voor hem gunstige uitspraak van het gerechtshof. Uitgangspunt daarbij was dat [verweerder sub 1] zich in beginsel alleen (gelijkelijk) op de vermogens van [verweerder sub 2] en hemzelf kan verhalen
Gebleken is dat dit overleg tussen partijen vooralsnog niet tot resultaat heeft geleid. [verweerder sub 1] stelt zich op het standpunt dat zolang partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een regeling op grond waarvan hij bovenbedoelde zekerheid zal hebben verkregen, er geen uitdeling op grond van een definitieve uitdelingslijst kan plaats vinden. De vereffenaar en [verweerder sub 2] betogen dat de omstandigheid dat partijen nog geen overeenstemming hebben bereikt over deze zekerheid, het verbindend worden van de uitdelingslijst niet in de weg staat. Zij stellen voorts dat eventuele nog resterende twistpunten tussen [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] kunnen worden meegenomen bij de verdeling.
De rechtbank is van oordeel dat het gebrek aan overeenstemming tussen partijen over de hiervoor bedoelde zekerheid niet aan uitdeling volgens de definitieve uitdelingslijst in de weg behoeft te staan, omdat ook de wet [verweerder sub 1] voldoende mogelijkheden biedt om zijn vordering te innen voor zover deze in rechte zal komen vast te staan. De rechtbank verwijst hierbij naar de artikelen 4:184 lid 3 BW en 4:220 lid 3 BW. Beide regelingen in samenhang gelezen komen erop neer dat [verweerder sub 1] zich dan (mede) kan verhalen op het vermogen van [verweerder sub 2] tot de waarde van hetgeen hij uit de nalatenschap zowel als erfdeel als legaat zal verkrijgen. Weliswaar verbindt de wet het verhaalsrecht op de legataris aan een vervaltermijn van drie jaar, maar deze vervaltermijn behoeft [verweerder sub 1] niet te hinderen: de Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 14 november 2025 ( ECLI:NL:HR:2025:1687) beslist dat het enkele aanspraak maken binnen drie jaar nadat de legataris een uitkering op grond van de uitdelingslijst heeft ontvangen voldoende is om aan de werking van de vervaltermijn te ontkomen. Zelfs in het geval dat de totale door [verweerder sub 1] begrote schade van bijna € 22.000.000 in rechte zal komen vast te staan, ligt het in de rede dat de helft hiervan, dat is dus bijna € 11.000.000 door [verweerder sub 1] zelf als erfgenaam c.q. legataris zal moeten worden gedragen en de andere helft door [verweerder sub 2] . De uitkering aan [verweerder sub 2] volgens de uitdelingslijst van circa € 14.500.000 is ruimschoots voldoende om deze claim te dekken, nog daargelaten dat [verweerder sub 1] zich voor een eventuele restant-vordering ook nog tot de andere legatarissen kan wenden.
De rechtbank komt tot een afweging van belangen. Zij laat hierbij het belang van [verweerder sub 2] en de andere thans erkende schuldeisers van de nalatenschap (die grotendeels bestaan uit de verwanten van erflater die middels legaten tot de nalatenschap gerechtigd zijn) tot afronding van de vereffening en betaling van hun vorderingen prevaleren boven het door [verweerder sub 1] gestelde belang, namelijk zekerheid tot betaling van zijn niet-erkende vordering op de nalatenschap. De rechtbank betrekt hierbij dat - zoals zij hiervoor heeft uiteengezet -aangenomen mag worden dat [verweerder sub 1] voldoende zekerheid heeft dat zijn vordering ook buiten de vereffening voldaan kan worden en ook dat voortzetting van de vereffening tot extra kosten voor de nalatenschap (namelijk die van de vereffenaar) zal leiden zonder dat hier enige noodzaak voor bestaat.
Op- en aanmerkingen van [verweerder sub 1] op de neergelegde uitdelingslijst
De rechtbank is van oordeel dat partijen voldoende in de gelegenheid zijn gesteld om op- en aanmerkingen te maken over de door de vereffenaar gedeponeerde concept uitdelingslijst en ook om op elkaars stellingen te reageren:
- beide partijen hebben in hun verzetschrift hun standpunt (zeer uitgebreid daar waar het [verweerder sub 1] betreft) uiteengezet,
- de stellingen van partijen op dit punt zijn uitgebreid behandeld op de zitting van 21 november 2025,
- partijen hebben zich na de beschikking van 15 december 2025 nog op diverse punten uitgelaten,
- vervolgens heeft de vereffenaar een concept geactualiseerde uitdelingslijst opgemaakt, waarover partijen zich andermaal hebben uitgelaten.
Eén en ander heeft geleid tot de indiening van de definitieve geactualiseerde uitdelingslijst en toelichting op 19 juni 2026. De rechtbank is van oordeel dat de definitieve uitdelingslijst met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen, waarbij het beginsel van hoor en wederhoor minutieus is toegepast. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de definitieve uitdelingslijst. Indien er nog sprake zou zijn van kennelijke omissies, dan gaat de rechtbank ervan uit dat de vereffenaar deze alsnog op verzoek van partijen zal aanpassen. Kortom: de rechtbank acht de discussie thans gesloten.
Beslissingen op het verzet
verzet van [verweerder sub 2]
Omdat [verweerder sub 2] kenbaar heeft gemaakt dat hij zich aansluit bij het standpunt van de vereffenaar, gaat de rechtbank er vanuit dat hij zijn verzet niet langer handhaaft.
verzet van [verweerder sub 1]
Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat het verzet van [verweerder sub 1] ongegrond zal worden verklaard, deels omdat de vereffenaar aan zijn gronden voor het verzet naar het oordeel van de rechtbank voldoende tegemoet is gekomen en deels omdat de rechtbank van oordeel is dat [verweerder sub 1] onvoldoende belang heeft om de vereffening nog langer voort te laten duren.
Voor de goede orde overweegt de rechtbank nog dat de vereffenaar wat haar betreft ook voldoende tegemoet is gekomen aan hetgeen [verweerder sub 1] aan zijn verzetsgrond 5 ten grondslag heeft gelegd (die betrekking heeft op de stuiting van de verjaring van bepaalde vorderingen), omdat de vereffenaar tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij deze verjaring zal stuiten om de betreffende vorderingsrechten te conserveren.
3. De beslissing
De rechtbank
verklaart het verzet van [verweerder sub 1] ongegrond,
verstaat het verzet van [verweerder sub 2] als ingetrokken,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.R. Tjallema en in het openbaar uitgesproken door mr. C.J.R. de Locht op 24 juli 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!