ECLI:NL:RBNNE:2026:3585

ECLI:NL:RBNNE:2026:3585

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer C/19/153125 / HA ZA 25-137
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Assen

Samenvatting

vordering tot betaling op basis van de uitkomsten van de inzageverplichting rustend op een oud advocaat en zijn praktijkvennootschappen jegens erven (eisers) van de overleden medisch adviseur (die klanten in letselschade zaken in de advocatenpraktijk advies gaf). Praktijkvennootschappen ontbonden; dus eisers zijn niet ontvankelijk. Beoordeling omtrent onrechtmatige daad (gesteld onttrekken van verhaal door ontbinding praktijkvennootschappen) aangehouden in afwachting van de beslissing Rechtbank Amsterdam op het verzoek van de erven tot heropening van de vereffening.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Vonnis van 26 augustus 2026

Civiel recht

Zittingsplaats Assen

Zaaknummer: C/19/153125 / HA ZA 25-137

in de zaak van

1. eiser sub 1] ,

te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

te [woonplaats],

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eisers],

advocaat: mr. R.N.E. Visser,

tegen

1. gedaagde sub 1],

te (geheim adres),

advocaat: mr. [advocaat],2. de ontbonden vennootschap [gedaagde sub 2] B.V.,

voorheen gevestigd te [vestigingsplaats],

niet verschenen,3. de ontbonden vennootschap [gedaagde sub 3] B.V.,

voorheen gevestigd te [vestigingsplaats],

niet verschenen,4 de ontbonden vennootschap [gedaagde sub 4] B.V.,

voorheen gevestigd te [vestigingsplaats],

niet verschenen,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagden] Gedaagde sub 1 zal hierna [gedaagde sub 1] worden genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- het tegen [gedaagde sub 4] B.V., [gedaagde sub 3] B.V. en [gedaagde sub 2] B.V. verleende verstek,- de (vervangende) conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1],

- conclusie van repliek van [eisers] tevens van vermeerdering en wijziging eis,

- akte overlegging producties door [gedaagde sub 1],

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn de erfgenamen van [erflater], die op 18 november 2013 is overleden. [erflater] was arts en medisch adviseur.

2.2.

[gedaagde sub 1] is als advocaat werkzaam geweest onder de handelsnaam [handelsnaam]. Op dit kantoor waren in het verleden meerdere advocaten werkzaam. [gedaagde sub 1] was directeur-aandeelhouder van [gedaagde sub 2] B.V. Deze vennootschap was op haar beurt directeur-aandeelhouder van [gedaagde sub 4] B.V. en van [gedaagde sub 3] B.V. [gedaagde sub 4] B.V. is vereffend en ontbonden op 14 juni 2025. [gedaagde sub 3] B.V. is vereffend en ontbonden 17 juni 2025. [gedaagde sub 2] B.V. is vereffend en ontbonden per 31 juli 2025.

2.3.

[erflater] gaf medisch advies in letselschadezaken aan cliënten van [handelsnaam] . Hiertoe zijn indertijd twee soorten (financiële) afspraken gemaakt:

(1) no cure no pay zaken (NCNP-zaken), waarin een percentage van de schadevergoeding aan [erflater] werd voldaan en

(2) zaken waarin [erflater] zijn advieswerkzaamheden op urenbasis declareerde.

2.4.

[eisers] zijn van mening dat zij als erfgenamen nog (substantiële) vergoedingen krijgen voor werkzaamheden van [erflater] als medisch adviseur voor cliënten van [handelsnaam] . Bij de rechtbank Amsterdam is in dat verband een procedure aanhangig geweest tussen [eisers] enerzijds en [gedaagde sub 1] en twee van zijn (voormalig) kantoorgenoten anderzijds.

2.5.

Bij dagvaarding van 25 september 2017 hebben [eisers] – kort gezegd – inzage gevorderd in stukken die zagen op de onder 2.3 genoemde (financiële) afspraken. Bij vonnis van 28 november 2018 zijn de vorderingen afgewezen. [eisers] hebben hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Na eiswijziging, vorderden zij bij het hof betaling van een bedrag van € 86.717,-- en wederom – kort gezegd – inzage in voormelde stukken. Ten aanzien van de vordering tot betaling heeft het hof bij arrest van 8 jun 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:1739) het volgende overwogen:

3.8.

[eisers] dragen de stelplicht (en bewijslast) van de stelling dat [erflater] met [gedaagde sub 1], [advocaat B] en/of [advocaat C] is overeengekomen dat [gedaagde sub 1], [advocaat B] en/of [advocaat C] zouden betalen voor de werkzaamheden van [erflater] ten behoeve van de zaken die zij bij [handelsnaam] in behandeling hadden. Hun vordering I tot betaling is immers op die stelling gebaseerd. [eisers] hebben in elk geval geen andere stelling ingenomen waarop die vordering kan worden gebaseerd.

3.9

De beantwoording van de vraag of iemand bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam en dus als contractspartij heeft opgetreden of als vertegenwoordiger van een ander, waarbij die ander dus als contractspartij moet worden aangemerkt, hangt af van hetgeen de betrokken partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877 (Kribbebijter); HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034).

3.10

Bij de stukken bevinden zich diverse brieven met als briefhoofd:

[advocaat A]

gezondheidsrecht en letselschade

‒ ADVOCATEN ‒

Op brieven van [advocaat B] uit 2007 en oudere brieven van advocaten van [naam advocatenkantoor] aan [X] staat onderaan:

“De praktijkvennootschappen van [naam advocatenkantoor] zijn verzekerd (…)”.Op brieven uit 2012 op briefpapier van [naam advocatenkantoor] aan [X] staat onderaan:“Werkzaamheden worden door ons uitsluitend verricht door op grond van een overeenkomst van opdracht met de besloten vennootschap die in het briefhoofd staat vermeld.”In het algemeen ligt het niet voor de hand dat advocaten op eigen naam met derden contracteren bij het uitvoeren van werkzaamheden ten behoeve van cliënten. Dit ligt nog minder voor de hand als het briefpapier waarvan zij zich bedienen, melding maakt van het bestaan van vennootschappen. In het licht van die vermeldingen en tegenover de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerden] hebben [appellanten] onvoldoende hun stelling toegelicht dat [X] bij de aanvaarding van enige opdracht aannam en mocht aannemen dat hij contracteerde met enige advocaat van [naam advocatenkantoor] in privé als contractspartij (in plaats van met het samenwerkingsverband [naam advocatenkantoor] en/of een of meer van de praktijkvennootschappen van [naam advocatenkantoor] ). In het midden kan blijven of [X] ook contracteerde met een procesfinancier en zo ja in welke gevallen (al dan niet in aanvulling op een overeenkomst die hij sloot met [naam advocatenkantoor] en/of een of meer van de praktijkvennootschappen van [naam advocatenkantoor] ). Daarom hebben [appellanten] onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat zij enige vordering tot betaling hebben op [advocaat A] , [advocaat B] en/of [advocaat C] in privé. [appellanten] hebben zich voor wat betreft hun vordering op [advocaat A] ook nog beroepen op brieven van [advocaat A] van 29 november 2013 en 21 augustus 2014, maar die brieven zijn niet aan [X] gericht en zij zijn geschreven nadat [X] was overleden. Die brieven zijn dus niet van belang voor de vraag wat [X] uit de verklaringen en gedragingen van [advocaat A] heeft afgeleid en heeft mogen afleiden. Hierop stuit vordering I tot betaling, die niet is gericht tegen het samenwerkingsverband [naam advocatenkantoor] of tegen een of meer van de praktijkvennootschappen, in haar geheel af.

2.6.

De vordering tot betaling is dus afgewezen door het hof. Het hof heeft [gedaagde sub 1] in voormeld arrest wel veroordeeld tot het verstrekken een overzicht waarin een aantal vragen moest worden beantwoord ten aanzien van de financiële afwikkeling van een aantal met name genoemde dossiers. In zoverre is het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2018 vernietigd. De overige inzagevorderingen zijn allemaal afgewezen, in die zin is het vonnis bekrachtigd.

2.7.

Op 25 oktober 2022 en 3 januari 2024 is conservatoir bewijsbeslag gelegd door [eisers] onder [gedaagden]

2.8.

[eisers] hebben [gedaagden] wederom gedagvaard bij de rechtbank Amsterdam. De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 28 februari 2024 geoordeeld over de vorderingen van [eisers] tegen [gedaagden], waarbij [eisers] (naast betaling van een bedrag) vorderden – kort gezegd – dat [gedaagden] hun verplichtingen zouden nakomen tot het verstrekken van de informatie zoals door het of bij voormeld arrest was opgelegd. De rechtbank heeft in zijn vonnis van 28 februari 2024 bij zijn beoordeling het arrest van het hof tot uitgangspunt genomen. Vervolgens heeft de rechtbank Amsterdam de vorderingen afgewezen, behoudens de (subsidiaire) vordering die zag op inzage in de relevante bescheiden door de Deken, waarna de Deken (of een door hem aangewezen derde), het antwoord zou geven op de eerder door het hof aan [gedaagde sub 1] gestelde vragen.

2.9.

Op 15 oktober 2024 heeft mr. Van der Berg (namens de deken) antwoord gegeven op de vragen van het hof. Op basis van die antwoorden stellen [eisers] dat daaruit inderdaad blijkt dat zij nog substantiële bedragen tegoed hebben.

2.10.

Bij verzoekschrift van 4 maart 2026 heeft [eisers] de rechtbank Amsterdam verzocht de vereffening van de ontbonden vennootschappen [gedaagde sub 4] B.V., [gedaagde sub 3] B.V. en [gedaagde sub 2] B.V. te heropenen. Ten tijde van het wijzen van dit vonnis was op dat verzoek nog niet beslist.

3. De vordering

3.1.

[eisers] vorderen in de kern [gedaagden] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 296.026,--, althans € 270.005,--, te vermeerderen met rente en kosten. Voorwaardelijk (als geen bedrag wordt toegewezen) vorderen zij dat [gedaagden] afschrift verstrekken van nader omschreven (bij dagvaarding onder 3.10 en conclusie van repliek onder 5.23) bescheiden. Daarnaast vorderen zij vergoeding van hun integrale proceskosten door gedaagden, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[gedaagde sub 1] voert verweer en verzoekt eisers niet ontvankelijk te verklaren, althans de vorderingen af te wijzen, met veroordeling van eisers tot vergoeding van zijn integrale proceskosten, te vermeerderen met rente en kosten.

3.3.

Op de stelling en verweren van partijen wordt hieronder ingegaan voor zover voor de beoordeling relevant.

4. De beoordeling

Niet ontvankelijk

4.1.

De rechtbank constateert allereerst dat [eisers] niet ontvankelijk zijn ten aanzien van gedaagden [gedaagde sub 4] B.V., [gedaagde sub 3] B.V. en [gedaagde sub 2] B.V. Deze vennootschappen zijn (zie hiervoor onder de feiten onder 2.2) immers ontbonden. Een ontbonden vennootschap, houdt – uitzonderingen daargelaten – op te bestaan na ontbinding (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden, 21 januari 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:293). Dat erkennen [eisers] ook, echter zij stellen zich – bij conclusie van repliek - op het standpunt dat de vennootschappen nog over baten beschikten ten tijde van de ontbinding. Daarmee zijn de vennootschappen blijven bestaan volgens [eisers] Ter onderbouwing van dat standpunt heeft [eisers] verwezen naar de jaarstukken voorafgaand aan de liquidatie en de ontbinding. Doorslaggevend is echter de vermogenspositie van de vennootschappen ten tijde van de ontbinding. Daaruit blijkt dat er geen baten meer waren, zodat in deze procedure niet is gebleken van relevante activa. Deze balansen zijn gedeponeerd bij de kamer van koophandel en mogen derhalve bekend worden verondersteld. In dat verband staat overigens vast dat de vennootschappen al voor de datum van de dagvaarding van 8 augustus 2025 (resp. 14 juni 2025, 16 juni 2025 en 31 juli 2025) waren ontbonden. Onweersproken is voorts gesteld door [gedaagde sub 1] dat [eisers] al langere tijd bekend waren met het voornemen die vennootschappen te ontbinden. In zoverre kunnen zij ook niet zijn overvallen.

[gedaagde sub 1] pro se

4.2.

Daarmee resteert de beoordeling van de vorderingen jegens [gedaagde sub 1]. [eisers] stellen zich primair op het standpunt dat [gedaagde sub 1] de verschuldigde gelden dient te betalen op basis van een overeenkomst van opdracht. Dienaangaande geldt het volgende. Het hof heeft in zijn arrest van 8 juni 2021 geoordeeld – kort gezegd –dat niet gebleken is van een contractuele rechtsverhouding tussen [eiser sub 2] en [gedaagde sub 1] in persoon die noopt tot betaling van vorderingen. Er is volgens het hof niet gebleken dat [gedaagde sub 1] (en overigens ook niet van de andere gedaagden in die procedure) opdrachtgever was van [eiser sub 2]. Dat waren (mogelijk) de praktijkvennootschappen (die echter in die procedure niet gedagvaard waren). Daarom is de vordering tot betaling (sub I) afgewezen. Dat arrest heeft kracht van gewijsde gekregen tussen partijen, aangezien geen rechtsmiddelen zijn aangewend tegen dat arrest. De overige – deels toegewezen - vorderingen hadden allemaal betrekking op– kort gezegd – 843a Rv (oud). In deze procedure vorderen [eisers] wederom betaling van [gedaagde sub 1] in privé op basis van in de kern dezelfde rechtsverhouding (overeenkomst van opdracht). Die stellingen zijn echter al definitief beslecht en dus staat het gezag van gewijsde, zoals Verkuisen terecht heeft aangevoerd, in de weg aan een nieuwe beoordeling.

4.3.

Het enkele feit dat er mogelijk ontwikkelingen zouden zijn ten aanzien van nieuw verkregen informatie, die bewust zou zijn achtergehouden volgens [eisers] door [gedaagde sub 1], maakt het voorgaande niet anders. Immers, vast staat dat er geen contractuele relatie bestond tussen [gedaagde sub 1] pro se en [eiser sub 2]. Voor zover al zou zijn gebleken van alsnog verschuldigde gelden dan kan [gedaagde sub 1] pro se dus op basis van de gestelde contractuele verhouding niet veroordeeld worden tot vergoeding ervan gelet op de ontbrekende rechtsverhouding. Voor zover door [eisers] een beroep gedaan wordt op de artikelen 21 Rv, 6:2 BW en/of 6:248 BW, welke bepalingen in de weg zouden staan aan een geslaagd beroep op het gezag van gewijsde, faalt dat. De verwijten die [eisers] [gedaagde sub 1] in dat verband maakt (in de kern het achterhouden van informatie), hebben allemaal betrekking op zijn verplichtingen informatie te verstrekken in het kader van artikel 843a Rv (oud).

Onrechtmatige daad

4.4.

[eisers] heeft echter bij repliek zijn grondslagen aangevuld in die zin dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig zou hebben gehandeld door – kort gezegd - de praktijkvennootschappen te ontbinden en daarmee het verhaal voor [eisers] van de gestelde vorderingen tot betaling op die vennootschappen te frustreren. [gedaagde sub 1] heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat ook ten aanzien van de praktijkvennootschappen al met kracht van gewijsde is beslist dat zij niets verschuldigd zijn. Reeds daarom kan volgens hem geen sprake zijn van een onrechtmatige daad.

4.5.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. De inmiddels ontbonden praktijkvennootschappen, stonden, anders dan [gedaagde sub 1] in privé, (mogelijk) wel in een rechtsverhouding met [eiser sub 2] die maakte dat zij tot (door)betaling van gelden verplicht waren. Weliswaar waren deze vennootschappen geen zelfstandige debiteur/opdrachtgever voor de werkzaamheden waarvoor betaald moest worden, echter deze vennootschappen waren wel verplicht ten behoeve van [eiser sub 2] ontvangen gelden door te boeken (onder bepaalde voorwaarden). Bovendien moesten zij (en overigens ook [gedaagde sub 1]) in dat verband over dergelijke ontvangen gelden (voor zover daarvan sprake was) rekening en verantwoording afleggen. Die rechtsrelatie – voor zover gelden zijn ontvangen ten behoeve van [eiser sub 2] – heeft het hof Amsterdam vastgesteld op basis van hetgeen [gedaagde sub 1] en de overige advocaten zelf hadden gesteld in die procedure. Ook in de onderhavige procedure stelt [gedaagde sub 1] zich overigens op het standpunt dat dergelijke afspraken waren gemaakt. Anders dan [gedaagde sub 1] stelt, liggen er dus geen uitspraken met gezag van gewijsde waarin bepaald is dat de praktijkvennootschappen niets verschuldigd zouden zijn aan [eisers] Een andere uitleg zou ook niet te rijmen zijn met de verplichting informatie te verstrekken aan [eisers] (eerst rustend op [gedaagde sub 1] en daarna verzocht aan de deken). Die informatie was nou net bedoeld om te bekijken of er nog gelden verschuldigd waren door welke (praktijk)vennootschap aan [eisers] als de erfgenamen van [eiser sub 2], op basis van voornoemde doorbetalingsverplichting. Ook de rechtbank Amsterdam heeft op dat punt niet definitief geoordeeld in het vonnis van 28 februari 2024. De rechtbank heeft in dat vonnis de vordering tot betaling van een geldsom afgewezen omdat de vordering op dat moment onvoldoende onderbouwd was, maar daarnaast geoordeeld dat nog steeds informatie moest worden verstrekt om te bepalen of er nog gelden verschuldigd waren.

4.6.

Zoals hiervoor overwogen zijn de praktijkvennootschappen inmiddels ontbonden, zodat deze rechtbank niet kan vaststellen in hoeverre zij nog wat verschuldigd waren aan [eisers] zijn immers niet ontvankelijk in hun vorderingen ten aanzien van deze gedaagden. Of deze ontbonden vennootschappen iets verschuldigd waren, moet worden vastgesteld in een eventueel heropende vereffening van de vennootschappen. Als de rechtbank Amsterdam tot het oordeel zou komen dat heropening is aangewezen, bijvoorbeeld omdat geen of onvoldoende rekening is gehouden bij die vereffening met mogelijke aanspraken van [eisers], en in het kader van de heropende vereffening zou komen vast te staan dat (substantiële) gelden door een of meerdere vennootschappen verschuldigd zijn aan [eisers], dan valt niet uit te sluiten dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld door zelf (althans zijn zoon) de betrokken vennootschappen te liquideren en te ontbinden mits daardoor de verhaalsmogelijkheden van [eisers] zijn gefrustreerd. De stellingen en verweren van partijen dienaangaande kunnen echter pas door deze rechtbank beoordeeld worden na eventuele heropening van de vereffening en de resultaten daarvan. Ook de stellingen omtrent het (bewust) achterhouden van informatie door [gedaagde sub 1] en de verweren op dat punt, zullen dan beoordeeld worden. In afwachting daarvan zal iedere overige beslissing worden aangehouden. De zaak wordt verwezen naar de rol voor een akte aan de zijde van [eisers] die deze rechtbank moet informeren zodra er een uitspraak is over een eventuele heropening en de eventuele resultaten daarvan. [gedaagde sub 1] mag daarop bij antwoordakte reageren. Aangezien niet duidelijk is op welke termijn duidelijkheid kan worden verwacht, wordt de zaak op de parkeerrol geplaatst.

4.7.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 7 april 2027 voor het nemen van een akte door [eisers] zoals bepaald in overweging 4.4,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.B. van Baalen en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand