RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[naam uit woonplaats] , verzoeker
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2389
(gemachtigde: mr. H.L. Thiescheffer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, het college
(gemachtigde: M.M. Tanahatoe).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een uitkering ingevolge de Participatiewet (PW) Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de PW. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 3 juli 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Verzoeker is geboren in Egypte. Hij is genaturaliseerd tot Nederlander. Verzoeker is op 1 juni 2026 vanuit [plaats 1] in [plaats 2] komen wonen.
4. Verzoeker heeft op 29 mei 2026 een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de PW. Bij het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag is gebleken dat op 23 april 2026 een bedrag van € 6.701,34 van het Stichting Pensioenfonds ABP op verzoekers Nederlandse bankrekening is bijgeschreven en dat op dezelfde datum een bedrag van
€ 5.000,- op een bankrekening van verzoeker bij een bank in Egypte is bijgeschreven. Verzoeker heeft aangegeven dat hij een woning in Egypte huurt, een bedrag heeft gebruikt om de woning in te richten en dat hij af en toe voor een medische behandeling naar Egypte gaat. Verzoeker heeft een screenafdruk laten zien van de Egyptische bankrekening waar een bedrag op staat en heeft verklaard dat de bankrekening niet meer bestaat.
5. Met een brief van 25 juni 2026 heeft het college verzoeker verzocht om bankafschriften over te leggen van zijn Egyptische bankrekening danwel een bewijs van opheffing van die rekening. Verzoeker heeft de gevraagde stukken niet overgelegd.
6. Met het besluit van 3 juli 2026 heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat verzoeker onvoldoende informatie heeft verstrekt om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Verzoeker heeft geen bankafschriften of een opheffingsbewijs van zijn Egyptische bankrekening overgelegd.
7. Tegen dit besluit heeft verzoeker op 22 juli 2026 bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft aangegeven dat hij de Egyptische bankrekening slechts korte tijd heeft gehad en dat de Egyptische bank waarbij hij de rekening had, niet bereid is informatie te verstrekken over de opheffing van de rekening.
8. Verzoeker heeft op dezelfde datum de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat aan hem een voorschot wordt verstrekt van € 1.200,- per maand, vanaf 3 juli 2026 tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist. Verzoeker heeft gesteld een spoedeisend belang te hebben bij de gevraagde voorziening, omdat hij zonder inkomen zit en zijn vaste lasten doorlopen.
9. De voorzieningenrechter acht een voldoende spoedeisend belang aanwezig.
10. Voor de beoordeling of de aanvrager van bijstand verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.
11. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college bankafschriften van de Egyptische bankrekening van verzoeker danwel een bewijs van opheffing van die rekening terecht van belang kunnen achten voor het vaststellen van verzoekers recht op bijstand. De gegevens hebben betrekking op verzoekers financiële situatie en kunnen de verschillende overschrijvingen waarvan sprake is inzichtelijk maken en zijn daardoor onmiskenbaar van belang om verzoekers recht op bijstand vast te kunnen stellen. Daarbij is niet gebleken van aanknopingspunten dat verzoeker redelijkerwijs niet over de gegevens kon beschikken. De enkele stelling van verzoeker dat de bank in Egypte niet bereid is om de gevraagde gegevens te verstrekken, acht de voorzieningenrechter, nu deze stelling niet nader is onderbouwd, daarvoor niet voldoende. Dat verzoeker momenteel geen maandelijkse inkomsten heeft maakt dit niet anders. Verzoeker heeft ook verder niet aangetoond dat hij heeft geprobeerd om de gevraagde gegevens te verkrijgen.
Conclusie en gevolgen
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: